Tiende werkdag

In de gang bij de voordeur ligt alleen de middagkrant; geen ochtendkrant. Dat is slecht nieuws voor deze mantellezer, want dat betekent dat er al iemand is. En inderdaad klinkt als ik op de deur klop niet de wat gebarsten stem van de oud-bibliothecaresse maar de opgewekte stem van, naar blijkt, de jongere vriendin van de oud-bibliothecaresse, die zelf trouwens ook oud-bibliothecaresse is, maar die, om volgens mijn oud-bibliothecaresse onnaspeurbare redenen, de stad heeft ingeruild voor een gehucht in het Oosten. Nu is ze in de stad voor een feestje (van wéér een andere oud-bibliothecaresse), en staat op het punt te vertrekken, maar niet dan nadat ze mij koffie heeft geserveerd op zolder, waar ik de drukproeven van Het dispuut doorneem, aangestaard door twee identieke kastanjebruine katten aan de overkant van de straat.
Er is ook nieuws: mijn oud-bibliothecaresse heeft eindelijk haar verstelbare ligstoel. Een reusachtig zwart ding.
'Weet je hoe hij werkt?' vraag ik.
'Nee.'
Op de afstandbediening zitten twee knoppen: één voor naar beneden en één voor terug omhoog. De complexiteit van dit systeem lijkt me zelfs voor een ietwat mistige octogenarian nog wel te behappen, maar ze staart me schaapachtig aan als ik een en ander uitleg. Ik doe de leuning naar achter. Ze schrikt even van de beweging, maar ontspant dan.
'Zal ik wat voorlezen?'
'Ja.'
Na twee bladzijden Poesjkin wordt mijn voordracht overstemd door haar hevige ademhaling. Met wijd open mond ligt ze te ronken. Mijn werk zit erop.