Elfde werkdag

De oud-bibliothecaresse zat met een jas aan, maar zonder broek, bij de kachel. Ze had geen koffie in huis, en ook geen eitjes, dus ik bood aan boodschappen te doen. 'Heb je ergens geld?' Ja, dat had ze wel ergens, maar waar? Er lagen twee portemonnées op het dressoir, maar ik moest de grote hebben. Deze waren al groot, maar er was dus nog een grotere, die op de piano bleek te liggen. Overigens waren ze allemaal leeg. Er zaten pasjes in, maar daarvan wist ik de code niet, en zij ook niet, dus ik besloot maar voor te schieten.
Toen ik terugkwam, ik had behalve koffie en eitjes ook mandarijnen gehaald, zette ik koffie, en pelde een mandarijntje voor haar. 'O, lekker,' zei ze. 'Wat een ontzettend lekker mandarijntje.' Het is goed sloven voor een dankbaar mens.
Ik vertrok naar de zolder om daar mijn belangwekkende correctiewerkzaamheden voort te zetten. Ik opende het schuifraam, voor wat broodnodige frisse lucht, maar toen waaide mijn drukproef weg. Gelukkig niet de Jordaan in, want wat zouden voorbijgangers er wel niet van vinden? Vast iets. Toen ik weer beneden kwam had de oud-bibliothecaresse haar broek aan, en haar ogen dicht. Ik vroeg of ze zin had in een verhaal, of in een stukje piano. Ze opende haar ogen en zei: 'Het laatste.' Gelijk had ze. Muziek wast de ziel makkelijker schoon dan proza, ook als zij imperfect wordt gespeeld.