Zevende werkdag

De oud-bibliothecaresse, in haar vaste stoel bij de kachel, heeft haar kopje laten hangen. Ze draagt een smoezelig, vrolijk bedoeld T-shirt en haar benen zijn omzwachteld. Nadat ik haar een straffe bak koffie heb gegeven, een hardgekookt eitje en een bakje met druifjes, leeft ze op. Begint zelfs te stralen als ik haar uitnodig om naar mijn aanstaande boekpresentatie te komen.
'Dan moet je niet in de tussentijd doodgaan, hè?'
'Nee.'
Uit Tolstojs Verzameld Werk, deel 2, lees ik Heeft een mens veel land nodig? voor. De oud-bibliothecaresse luistert aandachtig, rolt zelfs geen shaggie uit angst iets te missen. Het verhaal gaat over Pachom, een man die steeds meer land wil hebben. Hij reist alsmaar verder, op zoek naar gouden bergen. Uiteindelijk komt hij bij de Basjkieren, die hem koemis schenken, en heel veel desjatinen land in het vooruitzicht stellen.
'Weet jij wat een desjatine is?' vraag ik aan de oud-bibliothecaresse. Nee, dat weet ze ook niet. Volgens Google is het een oude Russische maat die ongeveer overeenkomt met een hectare. 'Wel eens van Basjkieren gehoord?' Nee, evenmin. Blijkt een Russisch volkje te zijn op de grens met Turkije. En koemis, dat is paardenmelk. 'Gatverdamme,' zegt de oud-bibliothecaresse.
Pachom hoort van de Basjkieren-hoofdman dat hij voor duizend roebel zoveel land kan krijgen als hij in één dag kan lopen. Is hij niet voor zonsondergang terug bij zijn vertrekpunt, dan is hij al zijn geld kwijt.
's Nachts kan de landverzamelaar niet slapen van de opwinding. De volgende ochtend gaat hij vroeg op pad onder toeziend oog van de hoofdman, die op een berg zit, en alvast zijn buik vasthoudt van het lachen (daarvan heeft Pachom even tevoren trouwens ook gedroomd). Pachom loopt vijftien werst (ruim vijftien kilometer) en slaat dan linksaf. Opnieuw loopt hij vijftien werst, verlekkerd uitkijkend over al het land dat spoedig van hem zal zijn, maar dan ziet hij de zon langzaam ondergaan en vreest dat hij het niet haalt. Hij moet afsteken, anders is hij zijn geld kwijt, maar hij kan eigenlijk niet meer. Hij werpt zijn tas af, dan zijn jas en op bebloede voeten komt hij aan bij het beginpunt – nog net op tijd –, om vervolgens dood neer te vallen.
De oud-bibliothecaresse kijkt me verschrikt aan. Dan ontspant ze.
Een bijbels verhaal, zeg ik.
'Ja. Mooi.'