Vijfde werkdag

Bij binnenkomst zat de oud-bibliothecaresse zoals gebruikelijk bij de kachel, maar ze keek bedrukt. 'Ik ben tegen een kastje gevallen,' zei ze. 'Ik heb een rib gekneusd en nu kan ik nauwelijks meer bewegen. Ik kan niet eens opstaan om naar bed te gaan. Als ik ook maar iets voel schreeuw ik het uit van de pijn.' Haar benen zagen eruit als in worstvorm gedraaide ballonnen.
'Wat u nodig hebt,' improviseerde ik ter plekke, 'is een verstelbare stoel. Dan hoeft u niet op te staan, kunt u gewoon achteroverleunen, en uw benen omhoog doen, en dan kunt u zo slapen.'
'Als ik jou geld geef wil je dan zo'n stoel voor me kopen?'
Ik knikte, maar eerst maar eens de huisarts bellen, dacht ik. Die zei via veel omwegen, dat ze op de hoogte was van 'mevrouw' haar problematiek, maar dat ze wel degelijk op kon staan, zolang ze haar pijnmedicatie maar innam.
'Neem je je pijnmedicatie?' vroeg ik.
Ze zoog aan haar shagje en antwoordde met haar oogleden.
De pillen bleken buiten haar actieradius te liggen, op tafel. Ik brak een tablet door midden en overhandigde haar de brokstukjes, met een glas water. 'Allemachtig,' zei ze.
De oud-bibliothecaresse, die trouwens een eeuwigheid geleden een paar jaar medicijnen had gestudeerd, leed aan pil-aversie. 'Als je je pijnstillers nou net hebt genomen, dan moet je daarna naar de WC gaan of naar bed, want dan doet het nog niet zo'n pijn. Als je te lang wacht is het uitgewerkt.'
Ik had huisarts moeten worden. Hoewel, troosten gaat me beter af. Ik las de oud-bibliothecaresse voor uit Dagboek van een krankzinnige van Gogol, een prismapocket die ik in de afdeling Russen in haar imposante boekenkast had gevonden. Dat verhaal loopt al meteen uit de hand met de ik-persoon die via de diefstal van de correspondentie van twee hondjes meer te weten probeert komen over de dochter van zijn baas op wie hij . Ik weet dat de oud-bibliothecaresse luisterde want ze lachte op de goede momenten. Het hardst trouwens bij een woord waarvan ik de betekenis niet kende.