Vierde werkdag



De oud-bibliothecaresse zat bij de kachel toen ik binnenkwam en keek tisie – dat had ik haar nog niet eerder zien doen.
'Ik wist niet dat je een televisie had,' zei ik, nadat ik voor ons beiden een straf bakje koffie had gezet.
'Ja hoor. Jij niet, dan?'
Ze begon de Volkskrant die ik van beneden had meegenomen grondig te lezen, terwijl de tisie doorkwebbelde. Op de achtergrond suisde ook nog een oeroude radio.
Ik vertrok naar de zolder om te werken.
Toen ik aldaar uit verveling een ladder beklom naar de bergruimte, stuitte ik op een tweede druk van Mandarijnen op zwavelzuur. Uitgegeven door mijn uitgever! Ik begreep niet goed wat dat boek daar deed, want de boekenkasten waren beneden. Misschien had een van de opruimers/verzorgers/ gedacht: dat is misschien wat waard.
Beneden bij de oud-bibliothecaresse mocht ik een biertje uit de ijskast nemen en de tisie uitzetten. Ik las een stukje. Ik had me op dit boek verheugd, maar eigenlijk is het onleesbaar. Misschien zijn er nog wat geniale citaten uit te destilleren, maar het hele ding van voren af aan lezen is een straf, en niet alleen omdat het gedateerd is. Onwillekeurig vraag je je af waarom Hermans, die kennelijk zo weinig op had met de Nederlandse literatuur, er een heel cahier over vol typte. De collages zijn eigenlijk nog het leukst.
Ik zette me achter de piano en pingelde een stukje. Het viel nog niet mee om de vastzittende toetsen te negeren. 'Je hebt een mooi touché,' zei de oud-bibliothecaresse.