Tweede werkdag



Niet zomaar naar binnenstormen, na het kloppen even wachten, anders schrikt de oud-bibliothecaresse zich een ongeluk, luidt de instructie, en geef haar de tijd om naar de deur te komen, dus dat doe ik. Maar er gebeurt niks en ik hoor niks, dus ik open de deur. Een lege stoel bij de kachel. Is ‘mevrouw’ op pad, even naar buiten? Onwaarschijnlijk. Ik zie een onaangeroerde kop koffie op tafel staan en een gepeld, hardgekookt ei ernaast, op een schoteltje. De koffie is nog warm. Ik voel me een inbreker, daarna een privé detective. Maar na een tijdje komt de mantelzorger in mij naar boven. Is mevrouw, eh… dood? schiet het door me heen, maar ook dat is onwaarschijnlijk. Waarschijnlijker is, mede gezien de kwalijke geuren die ik bespeur, dat ze op de WC zit. Maar het waarschijnlijkst is dat ze in bed ligt, ook al is het in de middag. Ik bel de mentor en vraag wat ik moet doen. ‘Gewoon aankloppen op de slaapkamerdeur en jezelf aankondigen,’ antwoordt deze. Als ik dit doe, klinkt een zacht ‘ja’. Ik open de deur. Mevrouw ligt inderdaad in bed, de gordijnen dicht, met een lamp aan. Ze lijkt begraven onder de spullen. ‘Weet u nog wie ik ben?’ ‘Ja,’ antwoordt ze, glimlachend, meen ik, ‘die man met die hoed.’ Ik kan weer naar huis, mijn werk voor vandaag zit erop.