Derde werkdag

Mijn derde werkdag op de zolderkamer verliep rimpelloos, als je de verrassingsbezoekjes van zich half verontschuldigende makelaars met potentiële kopers voor het onderhavige investeringsobject niet meetelt.
'Ik ga er niet uit hoor, ik blijf hier wonen!' zei de oud-bibliothecaresse hoofdschuddend.
Vannacht had ze mijn boek uitgelezen, vertelde ze me met grote ogen. 'Heel goed. Heel interessant. Heel amusant.' Ik was gestreeld door het compliment, maar nog meer door het idee dat ik haar slapeloosheid iets dragelijker had gemaakt.
We maakten een wandelingetje. Toen we langs het terras kwamen van Het bruine paard, waar bier werd gedronken, stelde ze voor even te gaan zitten.
'Wil je ook een biertje?' vroeg ik.
'Ja,' antwoordde ze. 'Dat ben ik al de hele tijd van plan.'
Ik bestelde twee bier, ook al wist ik dat haar mentor haar eigenlijk op advies van de huisarts geheel nuchter wil houden. Ik zag verzachtende omstandigheden. Ze genoot ervan, vanonder de fleece-deken die ik over haar heen had gedrapeerd.
'Kijk, Bas Heijne,' zei ik, wijzend op de publicist, die druk pratend voorbij kwam. 'Ach, die heb ik nou nog nooit gezien,' zei de oud-bibliothecaresse. Wat ze ook nog nooit had gezien: zes toeristen die langs zeilden op Segway's. Dat was een nog groter spektakel. 'Nu kun je sterven,' schertste ik, maar misschien was dat teveel scherts.
Thuis warmde ze zich bij de kachel. Haar mentor kwam binnen en maakte koffie. Ik zei dat we stout waren geweest en bier hadden gedronken. De mentor nam het sportief op.
'Jij bent toch nooit getrouwd omdat je geen kinderen wilde?' vroeg de mentor, toen de oud-bibliothecaresse haar sigaretje had gerold.
'Nee.' Ze wees op een kleine, versleten teddybeer in zijn eigen schommelstoeltje naast de kachel. 'Dat is Beerie. Man en kind ineen.'