Hij is er:



Hij is er, want ik heb hem in mijn hand. Vers van de pers. U, lezer, zult nog tot donderdag op mijn roman moeten wachten, maar dat lijkt me een overbrugbare periode (volgens mij kun je hem wel alvast bestellen).
Ik word ondertussen vervuld van een vreemd mengsel van trots en, ja, van wat eigenlijk? Droefheid, vrees ik toch wel. Droefheid om het afscheid van de tekst, denk ik, waar ik vier jaar aan heb gewerkt, eerst heel intensief, en daarna eindeloos schavend. Een zelfde droefheid misschien die een moeder overvalt die afscheid neemt van een kind dat gaat studeren.
En twijfel, eeuwige twijfel, over wat nu te doen: diep onder de lakens duiken (wat ik eigenlijk wil), of de wereld in om iedereen van deze nieuwe titel op de hoogte te brengen (wat moet).
Eerst maar eens een glaasje. Eins zwei drei saufen!

De Redding van het Schorre Poesje

Toen de gastheer en ik neerploften in de media room van zijn nieuwe Haarlemse huis om zijn laatste cadeau aan zichzelf te zien/horen – een state of the art geluidsinstallatie –, stak zijn vrouw haar hoofd tussen de schuifdeuren en zei: 'Er miauwt een poes in het schuurtje bij de buren.'
'Wat wil je dat ik daaraan doe?'
'Weet ik ook niet.'
De gastheer wachtte tot zijn vrouw de schuifdeuren weer had gesloten en draaide het volume omhoog, Charles Mingus' The Black Saint and the Sinner Lady.
Nu was het mijn vrouw die haar hoofd tussen de schuifdeuren stak om te zeggen dat er een poes miauwde in het schuurtje van de buren, met de toevoeging: 'Hij is schor van het miauwen.'
Wat bleek, het gemiauw was al drie weken te horen geweest.
Ik liep de tuin in, klom over het muurtje en opende het schuurtje. Een zwarte, broodmagere poes kwam naar buiten met een air van 'what took you so long, wise guy?' Hij was door een opening onder het dak het schuurtje in geglipt of gegleden en zat sindsdien als een rat in de val.
De gastheer reikte me over het muurtje een kom melk aan, die ik voor de poes neerzette, maar hij verdween meteen door het kattenluik naar binnen.
Later kwam degene die was aangewezen om de poes van de buren te verzorgen, de poes verzorgen. 'We vroegen ons al af waar het poesje was.'

Als ik niet denk aan datgene waaraan Murakami denkt als hij denkt aan rennen

Ooit huldigde ik de mening dat sport (door mij althans) niet beschreven maar bedreven dient te worden, maar nu voel ik de behoefte om over rennen te schrijven. Mijn rennen, het dagelijkse rennen waaraan ik een maand of wat geleden ben begonnen.
Aan het huis in Normandië lag een tamelijk groot gazon, en om dat gazon rende ik 's ochtends, met de dauw in het gras, rondjes. Halfnaakt en blootvoets. Dit geeft een voldoening die grenst aan het erotische. In Florence rende ik ook rond in de tuin, alleen was die tuin kurkdroog; hier bleven geen grassprietjes aan mijn edele voetzooltjes plakken, maar vreesde ik daarentegen verrast te worden door verdekt opgestelde horzels, schorpioenen en slangen. Ik stelde me voor hoe omwonende Florentijnen ontwaakten, de luiken voor hun ramen openden en een melkwitte man door hun binnentuin zagen rennen, met alleen een slipje aan.
Op tennisschoenen rond het water in Amsterdam is minder opvallend – bijna normaal zelfs. Minder erotisch ook. Als nieuwkomende renner word ik nu eens bejegend met een welwillend 'join the club'-knikje, dan weer met ronduit vijandige blikken, maar het vaakst word ik volkomen genegeerd. Zo zijn de wetten van de stad.
Mijn ademhaling: door de neus in – pa-dam – en door de mond uit, en die cadans proberen vol te houden.
En: hoelang nog?
En: hoe groot is de kans dat ik dood neerval?
Dat is waar ik aan denk, als ik niet denk aan datgene waaraan Murakami denkt als hij denkt aan rennen.

Molkamer

Ik lees dat in Manhattan sinds een paar maanden een wreckage room ofwel molkamer beschikbaar is voor mensen die eens rustig op hun gemak dingen willen slopen (de eerste was overigens in Dallas, in 2008). Op zulke momenten verlang ik terug naar New York. Dingen straffeloos mollen is een oude, en terugkerende wens van mij, een die teruggaat op mijn pubertijd, en ik vermoed dat ik niet de enige ben. Wie wil er nu niet af en toe uit pure frustratie, of gewoon voor de decadente lol een vaas stuk gooien tegen de muur of een bijl zetten in een computer? In deze nette, veilige tijden (de tijden zijn nog nooit zo net en veilig geweest), wordt die behoefte alleen maar groter, zou je denken.
Zeker, het mollen in zo'n molkamer is gecontroleerd mollen. Piñata voor volwassenen. Je molt eigenlijk niks want de spullen die je mag mollen zijn er om gemold te worden (afgezien van de laptop dan die de organisator in New York per ongeluk in de kamer had laten liggen). Dat geeft wel iets minder voldoening, vrees ik, maar het grootste probleem van het concept van de molkamer lijkt me dat sloopwoede zich niet laat regisseren. Op het moment dat je van flat screens aan gruzelementen slaan een date maakt, is, vrees ik, de aardigheid er van af, maar dat weet ik niet zeker.
Misschien is het, als tegenwicht voor al dat constructieve gedoe in ons opbouwende bestaan, wel  a l t i j d  fijn om te slopen, en komt in de molkamer de molbehoefte als, nou ja, een mol in je naar boven.

Ik hoef hiervoor niet naar New York, zie ik. In Tilburg kan het ook. Kijkende naar de promofilmpjes ben ik alleen bang dat ik, door dingen te mollen, misschien ook een stukje van mezelf mol, en daar heb ik geen molkamer voor nodig.

Dertiende werkdag

Omdat vakantie hard werken is, en werk een vorm van vakantie, neem ik mijn kleintjes mee naar de oud-bibliothecaresse in de Jordaan.
Ze is niet alleen; een man met een grijze Chriet Titulaerbaard komt van zolder naar beneden met de was. 'Ah, de schrijver,' zegt hij toonloos.
'Ben jij van Cordaan?' vraag ik.
'Nee. Ik ben van niemand.'
De oud-bibliothecaresse staart ondertussen mijn kleintjes aan vanuit haar verstelbare stoel alsof het buitenaardse wezens zijn, creaturen uit een ander universum, ontsnapt uit een onvermoed wormgat. Gebiologeerd kijkt ze toe hoe ze aanvallen op de donuts die ik in de keuken aantrof. Ik kijk mee. Het is ook een schouwspel. Beter dan televisie, zoals hun moeder pleegt te zeggen.
Op hun beurt verbazen de kleintjes zich over de manier waarop de oma die geen oma is smult van een kiwi die ik voor haar in partjes heb gesneden. 'O, o, o, wat lekker is dit, zeg!'
Dan is het stil. Ik nodig de acht-jarige uit om wat moppen te tappen.
'Wat is het tegenovergestelde van framboos? Framblij!'
De oud-bibliothecaresse lacht hard. Te hard.
'Hoe noem je een skelet in een kast? Iemand die honderd jaar geleden heeft gewonnen met verstoppertje!' Ik vind hem wel aardig, maar de oud-bibliothecaresse kan er niet om lachen.
Nog niet.
De moppen raken op. De oud-bibliothecaresse grijpt naar haar shag; wij gaan op zolder kijken.
Als we weer beneden zijn, en nog even getuige zijn van haar ouderdom, barst ze ineens opnieuw in lachen uit. Weer die harde lach. De lach van een krankzinnige. De drie-jarige klimt verschrikt op mijn schoot. De achtjarige is alleen verbaasd dat het zolang duurde.

Streep door kippenplan

Ondanks Chickfriend-gate wordt me van alle kanten afgeraden vleugellamme tweevoeters als huisdier te nemen – eierleggend en lid van de dameskerk of niet.
'Heb je enig idee hoeveel troep en zooi die kippen geven?' waarschuwt mijn moeder in haar eerste email dienaangaande.
Haar tweede email onmiddellijk erachteraan gooit het over een andere boeg: 'Wij moesten onze kippen heel snel wegdoen vanwege klachten van Steenkamp!'
Dat moeten de kippen zijn geweest die veertig jaar geleden voor Medische Broer werden besteld. Twee hennen en een haan. Die haan verklaart waarom de oprichter van het CDA hinder ondervond, ook al woonde hij drie villa's verderop. Het kan hem niet te doen zijn geweest om de troep en zooi, want die bleven buiten zijn gezichts- en reukveld. Kukeleku is storend, zelfs voor een christendemocraat, met name als de kukeleku op een onchristelijk tijdstip klinkt.
Het pluimvee werd bij een boer ingeruild tegen twee albino konijnen, maar van die schatjes kan ik me niets herinneren. Ik kan me alleen nog het konijn herinneren dat eerst door de hond in het bos was gevangen (en per ongeluk dood gebeten, want doden lag niet in haar aard), en dat vervolgens in de achtertuin op indrukwekkende wijze werd ontleed door – wie anders – Medische Broer, met het kookboek erbij. De vacht werd tussen een fietswiel gespannen om te drogen. Van dat bontje is later nog een mutsje genaaid, waarmee ik voor gek liep.
Mijn zuster vertelt dat ze buren had met kippen. Die vraten de hele tuin op. Bovendien pikte de ene gemeen in de ander. Om die pikorde te verstoren kreeg de butch een ringetje om haar snavel, die pikken naar eten nog net wel mogelijk maakte, maar pijnlijk pikken niet.
Toen ik op internet ook nog las dat er bij sommige kippensoorten risico bestaat dat hun kam bevriest in de winter, dacht ik: laat maar.
Nu alleen nog even het kippenplan uit het bewustzijn van mijn drie- en achtjarige wissen.


Hokken

Sinds ik mij tijdens de Grote Vakantie in een vlaag van verstandsverbijstering had laten ontvallen dat het wellicht leuk zou zijn om aan de Amsterdamse Rivièra ook kippen te nemen, word ik door de peuter en de achtjarige gecornerd om een kippenhok aan te schaffen. Prima, ze willen best accepteren dat ik nog andere plannen heb, en vooral ook bedenkingen bij het kippenplan, maar eerst moeten we naar de winkel voor het kippenhok, dus voor ik het weet sta ik in de Intratuin, een winkel die ik doorgaans probeer te mijden, en luister naar een medewerkster die niet onvriendelijk maar beslist zonder enthousiasme uitlegt welke typen kippenhokken er zoal zijn en wat ze kosten. Om met het laatste te beginnen, ik stijger nogal bij prijzen van rond de 300 euro voor een paar plankjes en wat gaas, want dat is toch wat een kippenhok in de grond behelst, schat ik zo in, met mijn, toegegeven, beperkte, kennis van kippen en hun habitat. Ik besef dat ook de markt voor dierenbehuizingen er een is die wordt beheerst door vraag en aanbod  en constante innovatie om de concurrentie voor te blijven. Een van die hokken heeft twee slaapkamers. Dat lijkt me wat teveel van het goede. De twee kippen die ik maximaal in mijn achtertuin tolereer, zullen het met één slaapkamer moeten doen. Van de dameskerk dus. (En eieren leggen anders zwaait er wat.)
Bij de firma Ranzijn dwalen mijn gedachten af naar de geprononceerde achillispezen van de medewerkster die mij voorgaat de trap op naar de mezzanine, waar een schappelijker geprijsd kippenhok staat.
De driejarige en de achtjarige bestuderen een vogelkooi waar ze zelf makkelijk in zouden passen; erin en eruit door het krappe deurtje wordt wel een beetje proppen, maar dat is een kwestie van oefenen. 'Die kopen we,' zeg ik tegen de achtjarige. 'En dan stoppen we daar jouw zusje in.'
Dat lijkt ze wel wat.

Vechten in de liefde

Behalve een examen om kinderen op te mogen voeden, moet de overheid ook vechtcursussen aanbieden aan echtelieden.
Verliefd worden is zo gebeurd, maar om een liefde in stand te houden is vechtkunst onontbeerlijk. Examen-onderdelen: de welluidende klap, de goedgeplaatste stomp, de stevige maar niet te stevige duw. Dus niet meteen gaan krabben, haren trekken en bijten. Krabben, haren trekken en bijten mag alleen als de tedere technieken zijn uitgeput. Hoe dan ook niet schoppen en met de dood bedreigen.*
Trouwens: verbaal geweld is ook geweld, maar fysiek geweld, mits ingehouden, met stijl en compenserend voor elkaars tekortkomingen, is zoveel bevredigender.
Ik moest hieraan denken bij het herzien van een scène uit Scenes uit een huwelijk bij Zomergasten. Bergman was waarschijnlijk met vijf huwelijken ervaringsdeskundige, maar elk echt huwelijk moet eraan geloven. Ik wil zelfs zover gaan om te stellen dat echtelieden die niet vechten geen echtelieden zijn, maar aandeelhouders of huisgenoten. Ook prima, en lekker rustig inderdaad, maar van een andere orde. Liefde maakt dierlijke gevoelens los. Een marsmannetje dat die Marianne en Johann zag vechten in Scenes uit een huwelijk, zou denken dat het om een een hogere diersoort ging. (En dat is natuurlijk ook zo.)
Vechten in de liefde is seks voortgezet met andere middelen.

*Hier is de hele scene, die verontrustender is dan het stukje dat Zomergasten liet zien, en nog beter de emotionele chaos blootlegt. Zo moet vechten tussen geliefden dus  n i e t, want ze gaan scheiden, en dan heb je het gevecht dus opgegeven.

Internetdagboek en zelfcensuur

'Kun je niet een keer wat aardigs over me schrijven?' had teerbeminde lieftallige Reiseführer tijdens de Grote Vakantie uitgeroepen.
'Je bent altijd zo gemeen.'
En: 'Ik wil niet meer dat je me aanduidt met LT.'
Een internetdagboek heeft voor- en nadelen. Om met de voordelen te beginnen: je wordt gelezen. Al was het maar door de hoofdpersoon uit des internetdagboekers leven. Maar daar zit ook meteen het nadeel. Want de internetdagboeker gaat rekening houden met die hoofdpersoon. Die gaat aan zelfcensuur doen. Dat levert geen literatuur op, – zelfs niet op internet –, want literatuur verdraagt geen censuur. Literatuur vereist wrijving. Niemand zit te wachten op zoetsappige liefkozingen en uitingen van intense tederheid. Ja, geliefden natuurlijk wel, maar dan kun je ze beter verpakken in een brief, of in een persoonlijk opgedragen gedicht. Of nog beter, je kunt ze mondeling overbrengen. 'Ik vind je lief.' 'Wat zie je er verrukkelijk uit vandaag.' En: 'Wat heb je de Grote Vakantie toch fantastisch geregeld.'
Zo.
Nu tevreden?
Vast niet, want A. zei ook nog: 'Ik wil niet meer dat je over me schrijft.'

Le défaut des clignoteurs

Vandaag de terugtocht aanvaarden zonder werkende clignoteurs.
Dat de richtingaanwijzers niet meer werkten wisten we al toen we uit Parijs vertrokken, maar we moesten toch alsmaar rechtdoor, dus ik voorzag geen problemen. In Normandië aangekomen, kreeg ik hier en daar in het verkeer toch wel te maken met links- en rechtsaf, waardoor de behoefte om de richtingaanwijzers te fixen toenam.
Het geval wilde dat L., de kippenslachter en man van de vriendin uit Amsterdam, bijzonder handig bleek te zijn, en bereid om even naar mijn auto te kijken.
Hij deed de pet af, die min of meer verkleefd was met zijn schedel, trok zijn t-shirt uit, en wurmde zich onder het dashboardkastje met de lantaarn uit zijn telefoon, op zoek naar zekeringen. Ik stond erbij en keek naar zijn wonderlijk vergroeide navel, maar die deed niet ter zake.
L. vond de zekeringen, maar dat hielp niet.
In de buurt vond ik een Renault garage. Daar dook opnieuw een man onder het dashboard, nu met zijn kont omhoog zodat ik zowel zijn workman's cleavage als onderbroekband kon bewonderen, waarop FREEMAN of zoiets stond, maar ook dat deed niet ter zake. Hij raadde me aan een Volvo-dealer op te zoeken.
De Volvo-dealer te Le Havre, een hippe vogel met talrijke onleesbare tattoo's op de armen, zag meteen dat het probleem dieper zat dan een zekering vervangen.
'Voorzichtig rijden,' raadde hij aan.
Ik ga mijn best doen. Mocht er iemand achter mij aanrijden en denken wat een aso, dan weet zij: ik bedoel het goed.

Wulk

Zoals de meeste vormen van geplande gezelligheid, is uiteten een kwestie van verwachtingen managen. Mij leek het verstandig om de verwachtingen ten aanzien van visrestaurant Chez Nounoute te Fécamp waar we op aanraden van onze AirBnB-host en kippenhouder David hadden gereserveerd enigszins naar beneden bij te stellen toen we door een forse, norse serveerster naar onze tafel waren gedirigeerd in een doorzichtige plastic terrastent, maar de Reiseführer wilde graag tot het allerlaatst blijven geloven in de uitstekende keuze die wij/zij hadden/had gemaakt.
'Quoi?' blafte de serveerster met schorre stem, toen ik voor LT extra pommes frites wilde bestellen.
'Pommes frites,' verduidelijkte ik.
'Ah, des FRITES!' riep ze uit.
'Oui, des frites,' mompelde ik verbaasd. 'Ma femme aime des frites.'
De borden werden vervolgens, vond ik, nogal liefdeloos voor onze neus neergeplempt.
Ik had bulots (wulk) besteld, een lokale specialiteit. Ik had nog nooit wulk gegeten. Kinkhoorn is een andere benaming voor wulk, en hoewel ik zowel wulk als kinkhoorn interessante benamingen vind (het woord kieuwslak al minder), deed mijn gerecht het meest denken aan lauw rubber met zweetsmaak.
LT was na afloop misnoegd over mijn kritische kanttekeningen. 'Jij weet altijd iets negatiefs te vinden,' zei ze. 'Het is voor jou nooit goed.'
Mijn gymnasiast knikte.
Soms denk ik dat ik niet geschikt ben voor gezelligheid.

Een bepaald rukje

'Als je doorgaat met die kippen vet te mesten, teken je hun doodvonnis,' zegt L., de man van de vriendin uit Amsterdam die langskomt met de camper in Normandië. Hij weet waar hij het over heeft. Hij had ooit zelf '6, 4, 3, 1, 0' kippen, toen hij in de Italiaanse Alpen woonde.
Ik had hier niet bij stil gestaan. Ik dacht dat ik mijn kippen aan het verwennen was, uit dankbaarheid voor hun perfecte eitjes en hun nou ja, blote bestaan. Ik heb ze zelfs een restje chips gegeven. Naturel. Daar haalden ze eerst hun neus voor op, bleven doorjammeren op die typische pluimvee-achtige manier, een soort lang aangehouden kakel, alsof er iets vast zit in hun keel waardoor ze niet door kunnen kakelen, met als boodschap: kom eens met iets beters, zoals die pasta bolognese van gister, die was lekker, niet deze kleurloze rommel, maar toen ik een paar uur later weer in hun ren ging kijken, was er van de chips niets meer over. Rijst voer ik Kip & Pik sinds LT rijst maakte, – ze is een fantastische kok maar rijst koken is niet haar fort –, en waar dus een heleboel van overbleef, maar ook daar hebben ze inmiddels de buik van vol. Half laten verhongeren dan maar, voor hun eigen bestwil, à la 'presque autonome'?
L. slachtte zijn kippen zelf, als de tijd daar was. Een kip draai je niet zozeer de nek om zoals je een kraan open of dicht draait, maar, legt L. uit, je pakt hem op bij de nek en geeft hem een bepaald rukje. 'Het is niet zozeer schokkend om te doden, maar om te beseffen hoe makkelijk het is.'

Mijn – onze – kippen

De second leg van de Grote Vakantie brengt ons – beter gezegd: brengt die Reiseführer ons – naar Normandië. Hier geen zwemprobleem (wel een strandprobleem trouwens, met die keien overal) en ook de dorpjes zijn pittoresk, maar wat mij het meest charmeerde waren de kippen die inbegrepen zaten bij het AirBnB-huis. Het waren er twee. Mijn achtjarige doopte ze Snelle en Zeldzame, maar omdat iedereen de hele tijd wilde weten wie nu Snelle was en wie Zeldzame, en hijzelf niet consequent was in zijn antwoorden, herdoopte ik ze Kip en Pik, met als ezelsbruggetje dat de zwarte Pik was (als in pikzwart ). Pik bleek nog in meerdere opzichten een goedgekozen naam, omdat zij alles voor Kip haar snavel wegvrat, en sowieso de dominantere van het stel was.
Nos deux poules sont "presque" autonomes, hadden de verhuurders geschreven, met de toevoeging, dat ze het toch wel op prijs zouden stellen als wij ze af en toe water gaven, en kliekjes eten.
'Mogen wij voor de kippen zorgen?' luidde de vraag van achtjarige, geschreven op een uitwisbaar bord. LT schreef ja maar natuurlijk, graag zelfs; maar ik was jaloers. Ik wilde  z e l f  voor de kippen zorgen. Iets in mij voelde een onmiddellijke, sommigen zouden zeggen kosmische, affiniteit met deze vleugellamme tweevoeters, wier algoritme leek te bestaan uit pikken-pitten-broeden, en die ons op de dag van aankomst acht (8!) eieren hadden geschonken. Die eieren hadden ze overigens op de composthoop gelegd, mogelijk omdat in de legkamer hoognodig stront diende te worden geschept. Dus dat deed ik, en prompt lag er een paar uur later weer... een geometrisch wonder.

Anxiety

Vandaag mijn eerste korte Het dispuut-interview gegeven, dat bij de eerste recensie zal verschijnen, in het Vlaamse blad Knack. Ik was behoorlijk zenuwachtig. 'Deze journalist is de eerste buitenstaander die iets van mijn boek gaat vinden,' maakte ik mijn vakantiegenoten van mijn anxiety deelachtig, 'de eerste niet-belanghebbende.' Helemaal juist was dat laatste natuurlijk niet. Ik heb schrijvers geïnterviewd en boeken gerecenseerd, en ik weet maar al te goed dat ook de interviewer/recensent deel uitmaakt van het literaire bedrijf en in die zin belanghebbende is. Maar dat maakte mijn anxiety er niet minder om.
'Wij gaan wel koffie drinken in een tentje, dan kun jij hier rustig praten,' zei LT.
Dat voorstel veranderde niet veel later in: 'Wij gaan wel in de woonkamer zitten, dan kun jij rustig in de keuken praten.'
'Nee,' zei ik tenslotte, 'ik ga de deur uit.'
Het leek me eigenlijk wel wat om wandelend door het matineuze 10e – Paris s'éveille – mijn interviewer te woord te staan, maar toen hij belde en ik hem nauwelijks bleek te kunnen verstaan met het stadsgeruis om me heen, vluchtte ik terug door de court het appartementengebouw binnen.
Zo ijsbeerde ik in het trappenhuis, om mezelf galmend te horen oreren over 'het onzichtbare complot der gepriviligeerden', de eeuwigdurende geweldsspiraal en meer van dat fraais, tegenover de journalist Marnix Verplancke, die, net zoals ik filosofie bleek te hebben gestudeerd, maar die, zoals de meeste filosofiestudenten,  n i e t  bij 't corps had gezeten.
Zesentwintig minuten duurde het gesprek. Gebrek aan tekst was er niet, – dat is er zelden –, maar zulks zegt niets, weet ik inmiddels.
Met dampende oksels hees ik mezelf weer de trap op naar mijn Grote Vakantie. Over ruim drie weken weet ik meer, en u ook. Maar de kop is eraf, en dat is een glas waard.

Zwembakdebacle

Het was een prachtig plan. Zaterdag zou het warm worden en gingen we zwemmen bij Paris Plage aan het Bassin de la Vilette, waar dit jaar niet alleen strandstoelen zouden staan maar tevens drie bakken in het water waarin  g r a t i s  kon worden gezwommen in  n a t u u r w a t e r .
Bij aankomst evenwel bleek de Haut Hygiënist de Paris teveel bacteriën in datzelfde natuurwater te hebben gemeten en kon het feest niet doorgaan. De achtjarige pikte het niet, begon te huilen en om zich heen te slaan. Hij  m o e s t  zwemmen. Dit was hem b e l o o f d. Ook de peuter was hevig verontwaardigd.
Wat nu? Naar een meer in Bois de Boulogne? Een Centre Aquatique te Neuilly? We besloten Piscine Josephine Baker op te zoeken: een vergelijkbare zwembak in de Seine, maar dan met dode bacteriën, omdat ze zijn gechloreerd. Daar aangekomen, het liep inmiddels tegen vijven, de toonhoogte van de achtjarige was alweer een octaaf gestegen vanwege de opwinding over het aanstaande zwemmen, werden wij door de vriendelijke juffrouw achter het loket gewezen op a. de zwemmuts, en b. de strakke zwembroek. Beide: verplicht.
Mijn gymnasiast en ik keken naar de zwembroeken die wij, o effiency, reeds thuis hadden aangetrokken en die allesbehalve getuigden van strakte. Alweer ging het feest niet door, als we tenminste niet 100 euro wilden neerleggen voor een uurtje familiaal droog haar-en-afgekneld geslacht-zwemmen*. Opnieuw sprongen de tranen bij de achtjarige uit de ooghoeken. Wij troostten hem met de gedachte dat we het de volgende dag nog eens zouden proberen op Paris Plage en dat we zouden bidden dat de Haut Hygiënist de Paris geen nieuwe bacteriën aantrof.
Vandaag werden we inderdaad toegelaten tot de zwembakken bij Paris Plage, alleen was het ijskoud, nou ja, voor een zomer dan, stond er een storend harde wind, en was uw vakantieschrijver geveld door zijn eigen bacterie, waardoor aan de Tweede Hoofdwet Van Frölke bij hoge uitzondering geen gehoor kon worden gegeven.

* Wat heeft die Speedo-plicht in Franse zwembaden trouwens te betekenen? Badmutsen begrijp ik, – koks dragen ook mutsen –, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat met het verbieden van shorts etc. in zwembaden tevens een bepaald soort mensen conveniently uit deze instituten wordt geweerd.


La Grande Épicerie



Omdat Adriaan van Dis dit heeft aanbevolen in zijn 'Stadsliefde. Scènes in Parijs', fietsen wij en famille, opnieuw met gevaar voor eigen leven, naar La Grande Épicerie in het 6e, waar Van Dis woonde. Hij stelt het in zijn boek voor als de ultieme eetwinkel, waar niet alleen alles verkrijgbaar is, maar ook nog in de beste versie denkbaar (in Frankrijk, en dus de wereld). Met zoveel superlatieven moet het tegenvallen. La Grande Épicerie lijkt nog het meest op de food-afdeling van een Harrod's achtig warenhuis, maar wat ik me van Harrod's kan herinneren was toch echt een paar maten groter en decadenter, en zelfs in een winkel als WholeFoods in New York stond tien jaar geleden bijvoorbeeld iemand speciaal voor jou grote brokken chocola in het gewenste cacao-percentage te hakken uit een moederrots.
Dit neemt niet weg dat LT meteen gaat shoppen. Ik zoek op de meubelafdeling naar een plek waar ik met de peuter die op mijn borst pit aangenaam kan verpozen. 'Hoeveel denk je dat die gouden vogel kost, in die glazen stolp?' vraag ik aan mijn gymnasiast, wijzend op een object van de firma Vitra. Hij denkt vijftig euro. Ik denk driehonderdvijftig. Hij gaat checken. 'Duizend euro,' glimlacht hij.
Iets voor Adriaan van Dis.

Versailles



Komende uit een gemanicuurd bosje, stak ik mijn weinig gemanicuurde vuisten in de lucht en riep uit ten overstaan van mijn gezin, dat op een gemanicuurd gazonnetje de lunch gebruikte: 'IK HEB GEPLAST OP VERSAILLES.'
Mijn gezinsleden keken me schaapachtig aan. Zij hadden immers net zelf  o o k  geplast op Versailles. Zo'n prestatie was dat dus niet, plassen op Versailles. Poepen op Versailles, ja, dat zou nog wel enige indruk kunnen maken, maar vooralsnog had niemand het in zich, op dat moment, om te poepen op Versailles.
Trouwens, het zou een loos statement zijn.
We betraden het kasteel. Dat bleek een uitstekende zet, achteraf gezien, om laat naar Versailles te gaan vanuit Parijs, een late lunch te gebruiken in de beeldentuin (buiten het zicht van de tuinpolitie), en het sfeervol door laat licht beschenen chateau binnen te gaan als iedereen er uit ging.
Ook een goed idee: 3 seconden max per zaal.
Bij een relatief sobere salle à manger, waarvoor verder niemand interesse toonde, bleef ik staan. Aan één tafel, waarop vijf zilveren bordjes waren gedekt met kunstig gevouwde servetten erop, stond, aan de lange zijde één grote, met goud damast beklede zetel (de rugleuning naar de open haard gericht), plus twee krukjes links en twee krukjes rechts aan de korte zijden.  Een paar meter verderop waren in een halve cirkel naar de tafel toe nog acht krukjes gepositioneerd, voor de hofdames.
Dit leek mij nog helemaal niet zo'n gekke opstelling, maar iets in mij zei dat ik die er niet zonder slag of stoot doorheen zou krijgen.

Afscheid van correspondentschap

Gisteren mijn eerste vakantiemiddelvinger gekregen. Van LT. Ergens op een kruising in de Marais. Ik stak over op de fiets bij oranje, zij stopte voor rood, ik keek om met een blik van waar blijf je en toen kwam hij dus, die middelvinger.
Hij is een bekende van me. Hij wordt me niet alleen in de vakantie geserveerd. Op de Van Wou in Amsterdam zou ik hem ook hebben gekregen.
Fietsen door Parijs rond het spitsuur met drie kinderen in je kielzog op weg naar Centre Pompidou deed me denken aan mijn ouders die veertig jaar geleden op de Périférique stonden, in hun tot de nok toe met kroost en spullen gevulde Peugeot Familiale, koffers op een imperiaal op het dak, plus een zeilboot op een trailer er achteraan, en dan panne krijgen, maar dankzij GoogleMaps is er eigenlijk niets aan.
'Die kaart is ongeldig, meneer!' sputterde de man bij de ingang van de tentoonstelling van van David Hockney, wijzend op mijn Press Pass uit de tijd dat ik correspondent was in New York. 'En al heel lang zo te zien. Sinds 2005! U moet een kaartje kopen!'
Hij had gelijk. Beschaamd keerde ik om en kocht een kaartje. Mijn oude Press Pass boog ik dubbel en wierp ik van de balustrade van de vijfde verdieping van Pompidou. Dat voelde goed.
'Wat heb je dat ding weggegooid?' zei LT verontwaardigd.
Ik knikte, trots op mezelf. 'Ik heb definitief afscheid genomen van mijn correspondentschap. Na twaalf jaar gratis naar musea te zijn geweest, vond ik het wel mooi geweest. Partir est mourir un peu, weet je wel.'
LT bleef het zonde vinden.

Ruilen is



Ruilen is sympathieker dan airbnb'en omdat er geen geld aan te pas komt. Net zoals partnerruil geschiedt het op basis van vertrouwen. Beide partijen denken dat zij the better end of the deal hebben, maar wat je werkelijk hebt gekregen in ruil voor jouw woning, wat de huizenruilmarkt jouw huis waard vond, blijkt pas na aankomst en eigenlijk dan nog niet, want schijn bedriegt. Bovendien zit woongenot en -leed soms in kleine dingen. Zo geniet ik hier in deze ruime, avontuurlijke bovenwoning nog steeds van de onwaarschijnlijke hoeveelheid zeldzame boeken om mij heen, van een collectie kunstige flipbooks in de wc tot de Gallimard-klassieken in de werkkamer, en alles daar tussenin, zoals Russian Criminal Tattoo Encyclopedia, Volume 1 (zie hierboven), maar de luid krakende houten vloer is bijvoorbeeld niet bevorderlijk bij het wegsluipen uit de slaapkamer van de kinderen als je denkt dat ze slapen. De keuken is vreemd incompleet; thee kun je bijvoorbeeld niet zetten. Ernstiger, misschien, is dat dit een rookhuis is (ik telde dertien asbakken in de keukenkast). De hoofdkussens in de masterbedroom ademen de adem van een roker. Voordeel: bij elk minpuntje voel je je minder schuldig over wat wij onze ruilers in de maag hebben gesplitst.

Afwijzingskunstenaar

Het is twaalf uur, weten we al wat we met de kinderen gaan doen? Niks, liefst, maar dat kan niet. 'Kinderen moet je uitlaten,' leg ik ongevraagd uit aan mijn gymnasiast. (Gymnasiasten ook trouwens.) Dus gaan we de straat op, want dat is toch vaak het aardigste – in Parijs en waar dan ook. Vooral hier in het tiende. Op Chateau d'Eau waan je je op een markt in Dakar. Bomvolle kapsalons en pruikenwinkels, en veel hangende mannen op straat, vrouwen nafluitend met oorhoepels zo groot als dvd's. Mijn blondjes blijven niet onopgemerkt. 'Nu zijn wij ook eens in de minderheid,' zegt lieftallige. Het voelt goed om in de minderheid te zijn.
'Waarom geven wij die geen geld?' wil de achtjarige weten, wijzend op een moeder met dochter en hond op de Rue du Faubourg Saint-Denis, uitgespreid op het trottoir, naast een jampot met munten. Wij geven alleen aan mensen die het hard nodig hebben, antwoorden wij, maar hoe weten wij wie het hard nodig heeft? De groepjes Syrische mannen die slapen in de parken? De sans papiers die hun tenten hebben opgeslagen langs Canal Saint Martin? De man in lompen die gisteravond in de regen voor ons huis zijn voorhoofd te rusten legde tegen de neus van een bestelbusje, alsof iemand hem in de rug geschoten had?
Sommigen bedelen uit gewoonte. Zoals die bebaarde vijftiger met vers ontstoken filtersigaret in de hand vandaag, die routineus de tafeltjes op het terras van ons café afgaat; in een andere context was hij columnist van Libération geweest. Her en der maakt hij met gedempte stem een praatje, dat steeds weer op hetzelfde uitdraait. Hij wordt beleefd aangehoord, maar hij krijgt niks. De afwijzing laat hem koud. Hij is een afwijzingskunstenaar. Soms zou ik willen dat ik een afwijzingskunstenaar was.

Een klein, hip museum

Je neemt je voor om niet te stressen, en er is ook niets om over te stressen. Dan ga je pakken, opruimen enzovoorts, je opmaken voor de Grote Vakantie, en voor je het weet loop je te schreeuwen tegen je geliefde dat zij niet zo moet schreeuwen dat jij zo chagrijnig bent, want je bent helemaal niet chagrijnig. Waarom begin je hier ook alweer aan? O ja, omdat niet op vakantie gaan grenst aan kindermishandeling, of laten we zeggen: opvoedkundige nalatigheid, en alsmaar thuis zitten ook zo, tja, statisch is.
Ineens in Parijs. Hectiek. Bij het eerste stoplicht vanaf de Périférique kleeft er een jongetje aan het raam. Hij zingt, maar je hoort hem niet, je ziet alleen zijn mond bewegen, en jij schudt van nee. Je geliefde wil graag weten of de achterklep goed dicht zit, maar jij zegt: 'Bedelen is geen diefstal,' en je denkt er achteraan, 'alleen van tijd'.
Dan het ruilhuis. Dat blijkt een klein, hip museum te zijn in het 10e,  met alle mogelijke curiosa, hoekjes en troepjes; een kleine bibliotheek ook, want overal waar je kijkt zijn/liggen/staan boeken. Veel stripboeken, en boeken over stripboeken – Fransen nemen strips serieus –; je slaat er een open: Premières fois (vertaald verschenen ook), met heftige en minder heftige scenes (getekend zijn ze beter te behappen). Maar ook kunstboeken. Een oversized fotoboek van een Franse hagio-fotograaf over James Brown. Een boek over Hokusai.
Dat is het mooie van huizenruil, het aftasten, het ontdekken. Dat heeft iets decadents. Legaal inbreken. Je zou bijna vergeten dat je op vakantie bent.

Twaalfde werkdag

Ik klop aan, en meestal hoor ik dan wel een zwak 'ja?' maar dit keer: niks. Dan ga je je toch zorgen maken. En je vraagt je af: moet ik degene zijn die de oud-bibliothecaresse ... aantreft? Maar dat blijkt allemaal academisch, want als ik de deur open, zie ik haar kiplekker rondlopen door de kamer. Ze schrikt zich een hoedje, maar ze weet heel goed wie ik ben.
'Wat een leuke vader ben jij!' roept ze uit, als ze in haar stoel is geploft en ik een eitje en kopje koffie voor haar heb bereid en heb verteld over mijn vakantieplannen.
'Hoezo?'
'Wij gingen nooit op vakantie.'
'Je vader had geen zin?'
'Nee. Mijn moeder ook niet.'
Ik pingel een stukje Ravel op de piano; het adagio uit een pianoconcert, bewerkt voor liefhebbers. Moeilijk, maar niet te moeilijk, geloof ik. Mijn vingers passen maar net, of eigenlijk niet, tussen de zwarte toetsen. Achter mijn rug hoor ik de oud-bibliothecaresse rommelen met de kranten die ik voor haar heb meegenomen van de trap.
Als mijn recital wordt overstemd door bouwvakkers die bezig zijn waarde toe te voegen aan het huis van de overburen, sluit ik de ramen. Tijd voor Poesjkin. De sneeuwstorm is een romantisch verhaal over een verboden liefde. De geliefden, een begeerlijk meisje en een militair, besluiten de afkeuring van hun ouders te omzeilen door in het geniep, in de nacht, in een naburig kerkje te trouwen. Maar als ze, ieder apart, vertrekken van huis komen ze in een sneeuwstorm terecht. Hij verdwaalt. Een dag later durft hij haar niet meer onder ogen te komen; uiteindelijk gaat hij naar het front, waar hij eerst gewond raakt, en vervolgens sterft. Drie jaar later is het meisje, nog mooi maar verbitterd en alleen, verhuisd. In haar nieuwe dorp komt ze een charmante man tegen. Iedereen zegt dat hij en zij voor elkaar gemaakt zijn. Langzaam raakt ze er zelf ook van overtuigd, maar hij doet haar maar geen aanzoek. Tenslotte, in een mooie scene, dwingt ze hem, door te volharden in haar stilzwijgen, tot een liefdesbetuiging. Die krijgt ze dan ook, maar hij bekent haar dat hij onmogelijk met haar kan trouwen, omdat...–  en hier houden de oud-bibliothecaresse en ik allebei onze adem in –... hij al getrouwd is. Dat zit zo. Op een nacht, drie jaar geleden, tijdens een sneeuwstorm was hij erop uitgegaan, hij was bij een kerkje aangekomen, naar binnen gegaan, de kerk was slecht verlicht, en daar had hij zich in de echt laten verbinden met een meisje dat flauwgevallen was omdat ze zo lang had moeten wachten op haar bruidegom. Hij schaamde zich voor zijn 'wrede grap'. 'O, dus jij was het!'
Schitterend, in al zijn onwaarschijnlijkheid.

Tafel-obsessie

Toen de glamourbejaarde haar hondje uitliet en ons huis passeerde, koekeloerde ze door de open deur naar binnen en zag in de gang een tafel in onderdelen staan. Ik legde uit dat die tafel was bedoeld voor de vluchtende medemens, maar omdat hij om een of andere reden niet was afgehaald mocht zij hem wat mij betrof ook hebben. Graag zelfs.
GB was niet geïnteresseerd. 'Veel te donker.'
Een dag of twee drie later werd de tafel alsnog afgehaald, voor een vluchtende of anderszins behoeftige medemens. GB kwam opnieuw langs met haar hondje en informeerde naar de tafel.
'Die is er niet meer,' zei ik.
'Wel potverdrie,' zei ze.
'Hoezo? Had je hem toch gehad willen hebben?'
Ze knikte.
Hierop was de Jacht op een Nieuwe Tafel geopend. GB raakte er zelfs door geobsedeerd, zoals ze zelf zei. Ze kon er niet van slapen. Wekenlang vonden we talrijke met breekbare stem ingesproken berichten op de voicemail met verhalen over tafels die zijzelf had willen regelen, of in antwoord op door ons gesuggereerde tafels.
Toen had ze er een gevonden in... Utrecht. De verlossing leek nabij. De Utrechtse tafel werd bezorgd, maar paste bij aankomst in Amsterdam niet door de deur, omdat de poten er niet afkonden. De tafel ging terug naar Utrecht en GB bleef de rechtmatige eigenaar. Daar had ze flink de p in; ze wilde eigenlijk  n i e t s  meer uitgeven aan een nieuwe tafel, totdat de Utrechtse tafel was doorverkocht (en zij haar geld zou terugkrijgen).
Dit was het moment waarop haar obsessie ook mijn obsessie werd.
Gratis tafels bestaan, maar of ze mooi en goed zijn, is de vraag.
Uiteindelijk vond LT, wie anders, een tafel à €20 binnen een straal van 10 km die aan M.'s vrij stringente esthetische specificaties voldeed. Vanochtend haalde ik hem op. Een half uur later had ik hem bezorgd en gemonteerd in GB's tamelijk volgestouwde flatje. 'Heel goed. Fantastisch. Dit is de perfecte tafel.'
Of het een perfecte tafel was wist ik niet, maar ik was opgelucht dat deze obsessie kon worden afgevinkt.

Dooie rat

Er lag een dooie rat op het fietspad, dus ik zei tegen mijn kinderen voor en achter: 'Kijk, een dooie rat.'
Ze zagen hem niet, we gingen te snel.
De volgende dag lag de rat er nog steeds, dus ik kwam weer met mijn dooie rat-alert. Nu had de achtjarige de dooie rat wel gezien, maar de peuter nog steeds niet, maar dat veranderde een dag later, toen ze hem wel zag liggen, vlakbij een perkje rondom een boom.
De rat, hadden we inmiddels kunnen zien, oogde nat en zompig. Misschien was hij uit het water gevist. Of hij was natgeregend, dat kon ook.
Het verbaasde mij dat het lijk niet was geruimd. Maar ik had zelf ook geen stappen ondernomen tot lijkruiming, dan wel -bezorging. Het schijnt me toe, dat de lijkbezorging bij ratten beter kan.
Hoe dan ook, vandaag fietsten we weer langs de rat. Nu was er iets nieuws: hij was kapot, zijn buik lag open. Het leek alsof er iemand overheen was gereden, bijvoorbeeld een scooter. Op een of andere manier leek het me waarschijnlijker dat een scooter hem had overreden, dan een fietser.
De vader sprak tot zijn kinderen: 'Ook wat. Lig je daar dood te zijn, word je nog eens overreden, alsof gewoon dood niet dood genoeg is. Mooie boel. Leuke wereld.'
De kinderen voor en achter wilden weten hoe het nu verder moest met de rat. Ik zei dat ik het niet wist. Het lijkruimen/-bezorgen werd er ondertussen niet aangenamer op. Misschien dat nog verder en langer platrijden, tot het lijk als het ware versmelt met het fietspad, nog de mooiste uitvaart is voor de rat.

Frauenkalender

'Ik ben blij dat hier nog wat bloot hangt,' zeg ik tegen mijn nieuwe garagist, terwijl ik knik naar een grote Würth-kalender met een geheel ontkleed, maar toch decent poserend wichtje. Mijn oude garagist voerde geen bloot op de werkvloer of in kantoor, en mijn bandenman heeft ook alleen maar keurige, blootvrije kalenders aan de muur hangen, en sowieso wordt bloot in het openbaar met uitsterven bedreigd – hetgeen wonderlijk is, gegeven de voortschrijdende ontbloting in de privésfeer.
'Ja, prima toch?' zegt de garagist, terwijl hij mij voorrekent hoeveel honderden euro's ik nu weer kwijt ben.
'Het hoort bij een garage.'
'Zo is dat. In al die jaren dat ik hier werk heb ik één keer een afkeurende opmerking gekregen. Van een vrouw. Zo van tsk-tsk-tsk. Toen heb ik gezegd: ik heb er geen problemen mee. Als u er wel problemen mee heeft, is dat uw probleem.'
Ik word tijdens zijn tautologische argumentatie nog eens afgeleid door al het gewassen vrouwenvlees aan de muur, dat zo'n contrast vormt met de troep in de garage en de monteurs die onder het smeer zitten. Oogsnoep, vermoedelijk, om ze te herinneren waarvoor ze het ook allemaal weer doen.
'Men vindt dat het niet meer kan,' zeg ik. 'Bloot op de werkvloer.'
'Wie? Waarom, in vredesnaam?'
'Weet ik ook niet.'
'Ik snap niet waarom het zo'n issue is,' drijft mijn nieuwe garagist zijn reeds gemaakte punt verder, alsof hij een bout vastdraait. 'Ik weet niet beter, ik  z i e  het niet eens meer.'
Als ik thuis achter de computer de Frauenkalender nog eens doorneem, strictly for research purposes, valt me op dat Würth ook braver is geworden, althans vergeleken met de jaren negentig, toen er nog volop werd geposeerd op en rond auto's en garages, met hier en daar zowaar een borst  i n c l u s i e f  tepel.

Psychologe

Ik zit met mijn peuter op een terrasje aan de koffie en raak in gesprek met de moeder van een peuter aan een belendend tafeltje; de peuters raken ook in gesprek. Ik was eigenlijk van plan me te verdiepen in De Gids, die must read voor literair angehauchten, maar het koffiegesprek gaat dieper dan verwacht (de moeder blijkt psycholoog).
Dan komt een grote man aangelopen met lichtbruine tanden die schots en scheef in zijn mond staan. Hij gaat op de vrije stoel aan mijn tafeltje zitten en speelt met het blauwe GVB-kaartje in zijn handen.
'Gaan jullie naar het strand?' vraagt hij opeens. De psychologe draagt een korte rok en teenslippers, dat heeft hem mogelijk op een idee gebracht. Helemaal niet zo'n rare vraag ook. Aan de andere kant is het wel een rare vraag. Ik sluit niet uit dat als ik ja had geantwoord, hij zou hebben gezegd: 'Mag ik mee?'
'Gaat u naar het strand?' vraagt de psychologe.
'Misschien,' antwoordt de man.
'Ik ga altijd misschien naar het strand,' breng ik naar voren. Waarmee het onderwerp strand lijkt te zijn afgerond.
De psychologe en ik pikken ons gesprek weer op, totdat de man ons opnieuw onderbreekt, nu dwingender, met de vraag: 'Horen jullie bij elkaar?'
Wij schudden van nee.
Hij bekijkt de pschologe nog eens goed en zegt: 'Jij bent anders wel mooi.'

Bericht van de cramping: Haiku (vrij naar Nescio)

Richtingloos drijf ik
Gods richting is de stichting
Van de inrichting

Nietzsches Schreibmashine


Stuitte ik op in een oud monografietje. Een ontroerend apparaat. Aanvankelijk liet Nietzsche zijn werk uitschrijven door zijn vriend Peter Gast omdat die zo'n mooi handschrift had, that's what friends are for, zou ik zeggen, maar deze machine heeft het pleit gewonnen. Op zo'n ding kun je haast niets anders filosoferen met de hamer. Je zou medelijden krijgen met het papier, als Nietzsche niet zo rigoureus korte metten had gemaakt met dat concept.

Op zoek naar het kasteel

Nu ik eraan terugdenk bevatte mijn bezoek aan het kasteel toch wel enkele slapstick elementen.
'Kan ik mijn sandalen aanhouden naar het kasteel?' vroeg ik aan lieftallige voordat ik vertrok. Zij vond van wel. 'Het enige dat telt is dat je schone kleren draagt en niet stinkt.' Geur lijkt me iets subjectiefs, maar het linnen pak dat ik boven mijn sandalen droeg was vlekkeloos, of zo goed als vlekkeloos.
Het fysieke van het slapstick-achtige – zonder fysiek geen slapstick – bestond er uit dat ik met mijn auto keurig de route naar het kasteel volgde die Google aangaf, maar bij de oprijlaan was ik op mezelf aangewezen en raakte ik dus het spoor bijster. Ik reed een grindpad af dat  r o n d   het kasteel bleek te voeren, in plaats van ernaar  t o e . Ik zag, stapvoets, het kasteel ter rechterzijde in mijn blikveld opdoemen, maar ik zag het er ook weer langzaam uit verdwijnen. Ik stopte bij een wit hek waarop de naam van het kasteel prijkte. De artiesteningang? Ik parkeerde, klom over het hek en liep op een drafje door de tuinen, waar een robotje bezig was het gazon kort te houden, naar de voorzijde, de kasteelheer tegemoet. 'Je bent helemaal fout,' zei hij. 'Je moet bij de voordeur zijn.'
Ik holde terug naar mijn auto maar wist nog steeds niet hoe bij de voordeur te geraken. De kortste route, leek mij, was dwars door de landschapstuin, en dan over een paadje rechtsom naar de oprit van het kasteel. Dus dat deed ik. Toen ik het witte hek opende, kwam er net iemand uit de bossen aanlopen. Ik deed alsof ik precies wist waar ik mee bezig was.
Toen ik eindelijk de auto voor de voordeur had geparkeerd en aanbelde, werd er niet opengedaan, dus telefoneerde ik opnieuw de kasteelheer.
'Is die bel ook kapot?' zei hij niet heel, maar toch wel enigszins geïrriteerd door alle door mij meegebrachte onhandigheid.
Voor mij langs reikte hij nog eens naar de deurbel en drukte hem in.
Hij rinkelde.

Allebei bijna onder de tram

De eerste keer was, o ironie, toen lieftallige moest uitwijken voor mij, omdat ik uit een zijstraat kwam aanfietsen (ik dacht een kortere route te weten). Ze fietste de trambaan op terwijl lijn 4 van achteren aan kwam denderen. Hevig getingel, en het boven op de rem staan van de tram was het gevolg. Ik zag het allemaal gebeuren, omdat ik schuin achter haar fietste, op veilige afstand van de tram. Je moet er toch niet aan denken dat je niet alleen  g e t u i g e  bent van het onder de tram komen van je geliefde, maar ook nog dat je hiertoe de  a a n z e t  hebt gegeven (ook nog met een zekere hoeveelheid alcohol in je bloed).
Ik wilde naast haar gaan fietsen, voor het onderling contact, maar ook om haar duidelijk te maken aan welk onheil zij zojuist was ontsnapt. Maar toen ik haar inhaalde was het mijn beurt om bijna onder de tram te komen, want wie schetst mijn verbazing, nou, laat ik dat zelf dan maar doen: er kwam  n o g een tram. Ook al lijn 4, want dat is de enige lijn op dat traject. Weer hevig getingel en hevig op de rem trappen.
Samen sterven, het is een zwart-romantisch ideaal, maar ik zou het nog even uitstellen, en als het dan zonodig moet, dan graag onder dezelfde tram.

Lifter

Tenzij ze een bomgordel dragen, neem ik alle lifters mee. Dat is een principe van me dat nog stamt uit mijn eigen lifterstijd. Dus nadat ik gisteren koffie had gedronken bij een tankstation langs de A1 op weg naar Twente en er opeens een sprietige jongen voor mijn neus stond met een smoezelig T-shirt aan waarop slordig met viltstift HAMBURG was gekalkt, opende ik mijn raampje en zei: 'Ik kan je tot Almelo meenemen.'
Almelo zei hem niks, maar hij wilde wel mee.
Toch nog even schrikken toen hij de achterklep op eigen initiatief opende en zijn bomgordel, ik bedoel zijn rugzak, erin detoneerde, herstel deponeerde, en naast me plaatsnam. Filip heette hij en hij was scholier en hij kwam uit een Pools plaatsje op de grens met Rusland, legde hij uit in Engels met een zwaar accent. Amsterdam had hij erg druk gevonden. Het had hem vijf uur op de liftplek langs de A2 gekost om er vandaan te komen.
'Waar heb je geslapen?' vroeg ik.
'Buiten,' zei hij. 'Ik werd om 6 uur gewekt door een politieman, maar die was heel aardig.'
Het was een tijdje stil in de auto. Ik dacht na over de vrijheid die je hebt als je je door niemand iets in de weg laat leggen. Toen vroeg ik, om iets te vragen te hebben: 'Wat vind je van Rusland?'
'Het mooie is dat je daar nog voor minder dan een euro een pakje sigaretten kunt krijgen,' antwoordde hij. 'Alleen moet je dan wel eerst een visa aanvragen en dat kost driehonderd euro.'
Ik zette Filip af bij een oprit naar de snelweg. Hij was er heel blij mee, net zoals met het restje koffie dat ik hem had meegegeven. Benieuwd hoever hij komt.

Pony

De driejarige komt terug van de peuterspeelzaal zonder pony. Die heeft haar hartsvriendin afgeknipt. Ik zie dat ze zich schaamt over deze inbreuk op haar lichamelijke integriteit – en dat ze er trots op is, tegelijkertijd. Herkenbaar. Ik had nog wel wat vragen, zoals: wat doet een driejarige met een schaar op een peuterspeelzaal? Wat gaat de hartsvriendin met de schaar de volgende keer bij haar afknippen?
In de peuterspeelzaal, een dag later, beantwoorden de leidsters mijn vragen wel enigszins, en ze lijken zich ook enigszins te verontschuldigen voor het voorval. (Een vriendin vertelt over een moeder die bij de overdracht kreeg te horen dat het geweldig was gegaan de hele dag met de kleine, om thuis te constateren dat er een gat in zijn oor was gebeten.)
Ik bekijk de nieuwe coupe van mijn dochter nog eens goed. Door een ene bril bekeken doet ze denken aan white trash, door de andere aan een punk meisje, en als ze niet zo blond was zou je haar ook nog voor een orthodox joods jongetje kunnen houden.
Als vader, en ook als mens, doe ik alsof er niets aan de hand is, want er is ook niets aan de hand, maar als mijn gekortwiekte dochter bij haar judo-examen bespot wordt door andere ouders, vind ik die andere ouders stom, en voel ik een lichte steek in mijn eergevoel. Een kind is een verlengstuk van jezelf.

Vluchtelingen

Ik had hem al eens afgeblaft, de jongen die belde namens UNHCR, toen hij vroeg of hij gelegen belde. 'Nee,' had ik geblaft, onnodig streng, maar hij belde ook ongelegen, al weet ik niet meer waarom; het was niet dat hij me wakker belde. Gisteren rond 8 uur 's avonds belde hij opnieuw. Nu zat ik met een wijntje aan tafel en had ik alle tijd van de wereld. Vooral ook voor de vluchtende medemens. 'Allereerst hartelijk dank voor uw donaties...' 'U gaat me vast vragen om meer donaties,' onderbrak ik hem, niet blaffend, maar geamuseerd, 'en mijn antwoord daarop moet luiden dat ik me dat helaas niet kan veroorloven. Bovendien geloof ik dat de vluchtelingencrisis wel over zijn hoogtepunt – dieptepunt – heen is.' De jongen van UNCHR leek mijn interruptie niet gehoord te hebben; hij draaide rustig zijn scriptje af. 'Hartelijk dank voor uw donatie, ik zal u zo vertellen wat we allemaal bereikt hebben...' Zelfs mijn 'graag gedaan' kreeg ik er niet tussen. Toen hij klaar was met zijn scriptje, konden we het eindelijk ergens over hebben. Hij zei dat het een misverstand was te denken dat de vluchtelingencrisis over zijn hoogte- dan wel dieptepunt heen was. Integendeel, het ergste moest nog komen. Immers: 'er heerst op diverse plekken ernstige droogte die ook vluchtelingenstromen tot gevolg gaan hebben'. 'Afrika,' zei ik, en nipte aan mijn Pesquié. 'Tegen de tijd dat die Afrikanen de droogte en masse ontvluchten en mij in de Amsterdamse Rivièra komen vergezellen, moet u maar weer eens zo'n leuk meisje langssturen zoals u de vorige keer ook deed, de kans is groot dat ik dan weer een meervoudige, structurele donatie toezeg, ook al kan ik dat helemaal niet betalen.' De jongen, die licht stotterde, en daardoor extra sympatie opwekte, wenste mij nog een fijne avond toe, ik hem succes, en het gesprek was ten einde.

Staken

Een stakende schrijver. Een schrijver die staakt. Stopt met schrij –. Ja, daarover zijn veel flauwe grappen te maken. Mij doet de schrijver die staakt nog het meest denken aan een Pakistaanse polaroidverkoper die staakt. Om zo'n polaroid heb je ook niet gevraagd, gezeten aan tafel in een restaurant, maar als je in de stemming bent, laat je er toch een maken. Als de Paki pola-verkoper een dagje overslaat, omdat hij het oneens is met de gang van zaken, dan merken we daar niets van.
Het verschil tussen een schrijver als zeg, Adriaan van Dis en een Paki pola-verkoper, is dat een Paki pola-verkoper geen organisatie achter zich heeft staan en doorgaans ook geen petities ondertekent met mede pola-verkopers om opheldering te eisen over het vertrek van een gewaardeerde leidinggevende.
Echter! Uit solidariteit met de VBK-collega's zal ook ik mijn schrijfmachine opbergen (mijn vulpen hoef ik niet op te bergen want die heeft zichzelf een tijdje geleden al opgeborgen) en mijn laptop dichtklappen.
U, trouwe volger van dit blog, gaat hiervan natuurlijk wel iets merken. Als u niets merkt, kunt u er van uitgaan met een abjecte stakingsbreker van doen te hebben. Dan zit er niets anders op dan te staken met lezen.

Elfde werkdag

De oud-bibliothecaresse zat met een jas aan, maar zonder broek, bij de kachel. Ze had geen koffie in huis, en ook geen eitjes, dus ik bood aan boodschappen te doen. 'Heb je ergens geld?' Ja, dat had ze wel ergens, maar waar? Er lagen twee portemonnées op het dressoir, maar ik moest de grote hebben. Deze waren al groot, maar er was dus nog een grotere, die op de piano bleek te liggen. Overigens waren ze allemaal leeg. Er zaten pasjes in, maar daarvan wist ik de code niet, en zij ook niet, dus ik besloot maar voor te schieten.
Toen ik terugkwam, ik had behalve koffie en eitjes ook mandarijnen gehaald, zette ik koffie, en pelde een mandarijntje voor haar. 'O, lekker,' zei ze. 'Wat een ontzettend lekker mandarijntje.' Het is goed sloven voor een dankbaar mens.
Ik vertrok naar de zolder om daar mijn belangwekkende correctiewerkzaamheden voort te zetten. Ik opende het schuifraam, voor wat broodnodige frisse lucht, maar toen waaide mijn drukproef weg. Gelukkig niet de Jordaan in, want wat zouden voorbijgangers er wel niet van vinden? Vast iets. Toen ik weer beneden kwam had de oud-bibliothecaresse haar broek aan, en haar ogen dicht. Ik vroeg of ze zin had in een verhaal, of in een stukje piano. Ze opende haar ogen en zei: 'Het laatste.' Gelijk had ze. Muziek wast de ziel makkelijker schoon dan proza, ook als zij imperfect wordt gespeeld.

Eigenaardige dieren

Wat een eigenaardig dier is de mens toch, dacht ik toen ik op het vreetplein van het North Sea Jazz Festival aan een kibbeling zat te knagen en het voorbij stiefelende, overigens wonderlijk gemêleerde publiek aanschouwde, dat hij met duizenden opeengepakt naar muziek gaat zitten 'kijken' die hij thuis veel beter – en vrijwel gratis – tot zich kan nemen.
Het gaat om de beleving, wist Gesprekspartner sinds 1983, deskundig op dit terrein, want zelf podiumartiest en meermalen te gast op North Sea.
Ik was er omdat Broer de Miljonair mij royaal twee kaartjes had doen toekomen, voor mij en LT, en heel lang zou LT ook meegaan, totdat ze een andere afspraak bleek te hebben en ik haar ervan had overtuigd dat dit fest te massaal voor haar zou zijn. Dat was het moment waarop mijn gesprekspartner sinds 1983 in het vizier kwam – een natural fit, zogezegd. (Zíjn geliefde zag een complot.)
Omdat ik de kaartjes had, dacht ik dat ik de voorwaarden kon scheppen, maar mijn voorwaarde – per openbaar vervoer – werd op het laatste moment overruled door Sinds '83. We vertrokken om half vijf en belandden meteen in de file; op de terugweg, midden in de nacht op de A4, hadden we een bijna-botsing. Afgezien van de muziek, nu eens groovy (Usher en the Roots), dan weer verstild (Avishai Cohen), bleef mij het meest bij het wandelingetje van de straat in Charlois waar we geparkeerd hadden, naar Ahoy. De term achterstandswijk leek hier gerechtvaardigd. 'Kijk, daar gaat het proletariaat,' zei Sinds '83, wijzend op een moeder met kind en kleinkind, die me deden denken aan die beroemde Amerikaanse zwart-wit foto's uit de depressie.

Bericht van de cramping: Blote bast

Een aantal zomers geleden schreef ik een vlammend betoog tegen de blote bast voor de opiniepagina van NRC Handelsblad. Mijn fillipica werd afgedrukt als ingezonden brief, maar de impact was er niet minder om.
Nu fiets ik echter in mijn zwembroek door de duinen op weg naar het strand, terwijl ik af en toe in mijn pens knijp en naar mijn meelijwekkende 'moobs' kijk.
Wat is er in de tussenliggende tijd gebeurd? Zijn de zeden veranderd? Zijn mijn zeden veranderd? Ik geloof het niet. Hooguit zijn er meer mannen met inkt op, dan wel en ijzer in, hun huid bijgekomen, hetgeen leidt tot meer exhibitionisme. Maar dat geldt dus niet voor mij. De enige reden die ik kan bedenken is dat het heet is, maar niet eens zo heet, en trouwens, als het heet is, blijft het verstandiger je niet aan de zon bloot te stellen.
Ik plof in een strandstoel. Rechts van me zit een grijsbehaarde hangbuik die me nog het meest aan Ugly Fat Bastard doet denken uit Austin Powers, links een strak gebronzeerde watermeloen met een petje op. Volgende keer toch maar weer een hemd aan.

Bericht van de cramping: Muizenhuis

De vloer van het tenthuisje is totaal bespikkeld, alsof iemand een pak hagelslag heeft leeggegoten. Een slecht opgeborgen reep chocola is helemaal weg. Een pak koffie is links en rechts doorboord. Een stuk zeep is van alle kanten aangevroten, waardoor toch een soort kunst is ontstaan; muizenkunst zo je wilt.
Verrassend wordt het in de 'kinderkamer': daar hebben ze geprobeerd zich door een matras heen te knagen, een beetje zoals IS door Syrië – overigens met even weinig succes.
In mijn ooghoek zie ik een muis in een houten bakje stappen. Leuk diertje, zo'n bosmuis, leuker dan een huismuis, die zijn toch saaier. Een doek erover en naar buiten ermee. Dat is de humane en ook effectieve methode. Maar dan zie ik nog een muis, een ander, hoger bakje in stappen. Dat blijkt dienst te doen als urinoir: het bakje is doordrenkt met muizenpis. Ik verplaats beide woonlagen naar buiten en stuur de knagers het bos in; veel haast om te reïntegreren lijken ze niet te hebben.
'We moeten vaker komen,' zeg ik tegen LT tijdens de Grote Muizenzuivering. 'We komen te weinig. We moeten er voor zorgen dat wij een groter probleem voor hen vormen dan zij voor ons.'

Prosper Luizinga bij de uitgeverij

Uitgever: 'Zo, Prosper, welkom bij uitgeverij Heller.'
Prosper: 'Dank je, het is erg fijn om hier te zijn.'
Redacteur: 'Prosper, we zijn erg blij met je manuscript.'
Uitgever: 'En we willen het graag uitgeven. Ons algoritme zegt dat het een bestseller zou kunnen worden. Dat wil zeggen: géén worstseller, wat in zekere zin op hetzelfde neerkomt.'
Prosper: 'Een hele geruststelling. Een worstseller heeft niemand iets aan.'
Uitgever: 'Zo is dat... we moeten aan onze bottom line denken... Er is alleen een klein dingetje, Prosper.'
Prosper: 'En dat is?'
Uitgever: 'De titel.'
Redacteur: 'Ja, de titel, Prosper. Bloedmaan is niks.'
Prosper: 'Ik vond het wel een pakkende titel. En een mooi woord.'
Redacteur: 'Natuurlijk is het een mooi woord, Prosper, maar hij wekt de verkeerde verwachtingen.'
Uitgever: 'Ons algoritme sloeg op tilt. Voorspelde een nothing-at-all-seller.'
Redacteur: 'Vergeet niet: een titel van een boek, zeker een debuut, is een merk.'
Uitgever: 'Van een nieuw produkt. Denk aan een nieuw speciaalbiertje in de schappen bij de Appie. Bloedmaan zou een nieuwe tripel kunnen zijn. Maar geen boek dat wij willen uitgeven.'
Prosper: 'Oké, ik zal erover nadenken. Ik heb al een ideetje.'
Redacteur: 'Mooi.'
Uitgever: 'Anders verzint het algoritme wel iets.'
Redacteur: 'En dan nog iets, Prosper.'
Prosper: 'Het contract? Ik heb een standaardcontract gezien, maar daar zou ik graag...''
Redacteur: 'Gaan we het nog over hebben. Komt allemaal goed. Nee, we bedoelen iets anders.'
Prosper: 'Ik luister.'
Redacteur: 'Je naam.'
Prosper: 'Mijn naam?'
Uitgever: 'En je biografie.'
Prosper: 'Mijn naam en mijn biografie?'
Redacteur: 'Juist. Als we een andere titel kiezen dan Bloedmaan, dan kunnen we ook in een moeite door je naam veranderen. En bij een andere naam hoort vanzelfsprekend ook een andere biografie.'
Uitgever: 'Airing Zeros Pulp is wat ons anagram-algoritme bedacht, maar we hoeven ons uiteraard niet aan jouw letters te houden.'
Prosper: 'Airing Zeros Pulp? Dat vinden jullie een veelbelovende naam?'
Redacteur: 'Geboren te Brooklyn uit Thais-Joodse ouders. Schaakgrootmeester op haar achtste. Airing werkt thans aan haar eerste libretto voor Robert Wilson.'




Feestmutsen

Op de dag dat mijn vader zijn 88ste en mijn moeder haar 83ste verjaardag zou vieren, verordonneerde de driejarige: 'We moeten feestmutsen maken. Maar dan wil ik er ook een.' Aldus geschiedde. Lieftallige, die kunstacademie heeft gedaan, wierp zich op als leider van Project Feestmuts. Ik knipte zwaar papier in repen, die LT aan elkaar niette, daarbij mijn schedel als mal gebruikend. 'Nietjes met de puntjes naar buiten!' gilde ik, nog net op tijd, anders blijft het haar van de (bijna)jarige, – indien aanwezig –, er aan hangen, en dat wil je niet. De driejarige was ondertussen halve cirkels vouwpapier getooid met "83", "88" en "3 3/4" aan het inkleuren. Bezigheidstherapie, met dank aan het kinderopvang-industrieel complex.
Bij aankomst op het feest gingen de mutsen meteen op, en het leek wel, maar zoiets kun je nooit bewijzen, alsof hiervan een sfeerverhogende werking uitging. In elk geval werd er gedanst (door de 83-jarige, de 3 3/4-jarige, en mijzelve, op 'Revolution'), dus het feest was geslaagd.

Vreselijke droom

‘Ik had een verschrikkelijke droom vannacht.’
‘O ja, wat dan?’
‘Ik werd huilend wakker.’
‘Je droomde dat je huilde of je huilde omdat je droomde?’
‘Ik werd huilend wakker.’
‘En waarover ging je droom dan?’
‘Ik had kanker. Ik stond bij de balie van het ziekenhuis, zonder schoenen, want die was ik in de haast vergeten. Ze zouden me pas over een half jaar kunnen behandelen omdat er voor die tijd geen plaats was.’
‘Wat verschrikkelijk.’
‘En mijn moeder had alle bloemen in mijn tuin afgeknipt.’
‘En ik had zeker ook iets vreselijks gedaan.’
‘Nee. Jij kwam in het hele verhaal niet voor. Jij bestond niet.’


Tiende werkdag

In de gang bij de voordeur ligt alleen de middagkrant; geen ochtendkrant. Dat is slecht nieuws voor deze mantellezer, want dat betekent dat er al iemand is. En inderdaad klinkt als ik op de deur klop niet de wat gebarsten stem van de oud-bibliothecaresse maar de opgewekte stem van, naar blijkt, de jongere vriendin van de oud-bibliothecaresse, die zelf trouwens ook oud-bibliothecaresse is, maar die, om volgens mijn oud-bibliothecaresse onnaspeurbare redenen, de stad heeft ingeruild voor een gehucht in het Oosten. Nu is ze in de stad voor een feestje (van wéér een andere oud-bibliothecaresse), en staat op het punt te vertrekken, maar niet dan nadat ze mij koffie heeft geserveerd op zolder, waar ik de drukproeven van Het dispuut doorneem, aangestaard door twee identieke kastanjebruine katten aan de overkant van de straat.
Er is ook nieuws: mijn oud-bibliothecaresse heeft eindelijk haar verstelbare ligstoel. Een reusachtig zwart ding.
'Weet je hoe hij werkt?' vraag ik.
'Nee.'
Op de afstandbediening zitten twee knoppen: één voor naar beneden en één voor terug omhoog. De complexiteit van dit systeem lijkt me zelfs voor een ietwat mistige octogenarian nog wel te behappen, maar ze staart me schaapachtig aan als ik een en ander uitleg. Ik doe de leuning naar achter. Ze schrikt even van de beweging, maar ontspant dan.
'Zal ik wat voorlezen?'
'Ja.'
Na twee bladzijden Poesjkin wordt mijn voordracht overstemd door haar hevige ademhaling. Met wijd open mond ligt ze te ronken. Mijn werk zit erop.

Synopsis voor een kort verhaal. Deel 3: Crash

Vlak voor vertrek van de Colemans is de hittegolf voorbij en heerst er eindelijk absolute, weldadige stilte in La Divina. Shanti uit hierover haar verbazing. De Nederlandse hippies, Fons en Imre heten ze, hadden immers aangepapt met de Duitse veganiste, Helke, die leuke kunstjes deed met 'Chucky'. Het drietal werd min of meer gedoogd, behalve door het oudere – Franse – echtpaar, dat hun afkeuring door liet schemeren over de naakte zwart-kampeerders in omfloerste conversatie op het terras. Coleman zegt dat hij alleen maar dankbaar kan zijn dat hij op zijn minst één dag van zijn vakantie, al is het de laatste, mag doorbrengen in de hem in het vooruitzicht gestelde kindvrije omgeving. Maar dan, als de Colemans voor de laatste keer in hun vertrouwde stoelen aan de infinity pool plaatsnemen, en hij zachtjes, met duim en wijsvinger, haar nek masseert, terwijl zij doorleest in haar Murakami, komt de manager van het luxe oord aanzetten met Imre en 'Chucky' in haar kielzog. Ze lopen over de parkeerplaats naar de landweg erachter en staren de diepte in. De Hollandse hippie-familie is die nacht de heuvel afgehobbeld, dwars door de wijngaarden, om tegen een oude pijnboom tot stilstand te komen. Fons heeft zijn schouder gebroken en is naar het ziekenhuis overgebracht. Met zijn dochtertje, dat in shock uit haar hoogslaper stortte, gaat het wel weer. Imre is ongedeerd. Terwijl de manager lunch voor hen laat aanrukken, komt Irme op Shanti's strandstoel uithuilen, met het meisje op schoot, over de kapotte kampeerbus. Hij stond niet op de handrem. Helke stelt voor geld in te zamelen; anders maakt ze graag glutenvrije cupcakes voor het goede doel. Shanti wil daar niets van weten. Ze belooft dat haar man de investment banker voor een gulle donatie zal zorgen. 'Ja, toch, Josh?' Maar Coleman is niet al meer te bekennen bij het zwembad. In de baby-villa pakt hij zijn koffers.

Synopsis voor een kort verhaal. Deel 2: Monsters

Nadat Joshua en Shanti Coleman twee keer 's ochtends vroeg zijn gewekt in hun baby-villa, een keer door een luide schreeuw gevolgd door een plons, en een keer door gestamp op de voordeur van hun baby-villa, (het kleine meisje bleek op zoek te zijn naar haar vader), stapt Coleman opnieuw naar de manager van La Divina, een gracieuze dame met grijze slapen. Die hoort de bezwaren over de overlast van de Hollandse hippies en 'that Chucky-like monster' welwillend aan, maar er gebeurt niets. Want als de Colemans terugkeren van een copieuze lunch op een dorpsplein in de buurt, ziet hij de kampeerbus alweer staan. Er komt nu ook muziek uit, hippiemuziek. Het meisje danst bloot met haar bijna blote, aantrekkelijke, maar vroegoude moeder op de parkeerplaats; de dreadlocks vliegen in het rond. Nog steeds vindt Coleman zichzelf te goed en te belangrijk om de hippies rechtstreeks tot de orde te roepen. Als hij ziet dat de bijna blote moeder probeert aan te pappen met Shanti, sleept hij zijn vrouw mee naar hun privé-domein, en eist dat ze ieder contact met de vijand vermijdt. Die nacht, als de Colemans weer eens proberen de liefde te bedrijven, zoals het plan was, komen ze niet ver, omdat zijn wraakfantasieën steeds gewelddadiger worden.

Synopsis voor een kort verhaal. Deel 1: De Colemans zijn not amused

Joshua en Shanti Coleman uit New York, hij investment banker, zij toneelregisseur, besluiten een week hun hectische levens te ontvluchten om hun ietwat uitgebluste huwelijk nieuw leven in te blazen, vooral door minstens een keer per dag met elkaar naar bed te gaan, hebben ze zich – hij ernstig, zij lacherig – voorgenomen. Ze verblijven een week in La Divina, een 'kindvrij' luxe-oord in de heuvels van Toscane. Nu hebben ze er eindelijk de tijd voor, is de gedachte, en zal alles hoofdpijnloos en intiem zijn. Ze krijgen een pittoreske baby-villa toegewezen temidden van de wijngaarden en olijfboomgaarden, voorbij de lounge-area en het terras waar volmaakte jonge mensen klaarstaan om behalve cocktails te shaken en finger sandwiches uit te delen, ook een aardig woordje Engels te spreken. Ze blijken opmerkelijk goed op de hoogte te zijn van de laatste ontwikkelingen op welk gebied dan ook. Waar Joshua en Shanti Coleman niet op hebben gerekend is de hittegolf die op het moment door Italië woedt, en hen min of meer veroordeelt tot de 'infinity pool'. Ook 's nachts is het te heet voor hun agenda-seks; de ironie hiervan ontgaat haar niet. Als ze in de middag van dag drie opnieuw in de perfecte strandstoelen bij het zwembad liggen, hij bezig op zijn telefoon, zij verdiept in een roman van Murakami, tegenover een ouder echtpaar en een alleen-reizende, bovenmatig-getatoëerde Australische veganiste, klinkt opeens, uit het niets, de snerpende huil van een klein meisje dat water in haar ogen heeft gekregen. De Colemans zijn not amused. Het huilende meisje blijkt te horen bij twee Nederlandse hippies in een kampeerbusje op de parkeerplaats, die zich alle luxe laten aanleunen van La Divina zonder betaalde gast te zijn. Op dag vier, als de hippies weer hun meisje hebben meegebracht naar het zwembad, belooft Coleman zijn geliefde met gevoel voor drama, dat hij op alle hem beschikbare manieren een einde zal proberen te maken aan deze inbreuk op hun welverdiende vakantie-rust. Shanti draait zich hoofdschuddend op haar andere zij.

(Geen) lucht

Nadat de klerenkastvormige steward in het gangpad verveeld heeft uitgelegd hoe je het zuurstofmasker omdoet voor het geval de lucht wegvalt in de cabine, en de achtjarige naast mij uitvoerig de pictogrammen heeft bestudeerd op de veiligheidskaart uit de sleuf van de stoel voor hem, vraagt hij: 'Waarom moet je eerst het masker bij jezelf omdoen en daarna pas bij anderen?'
Goede vraag. Hier raakt de achtjarige aan een fundamenteel ethisch beginsel.
'Stel voor de lucht valt weg in de cabine en ik doe eerst een masker bij jou om, wat gebeurt er dan?' 'Dan krijg jij geen lucht, pappie.'
'Daarom moet ik het masker eerst bij mezelf omdoen.'
'Maar dan krijg  i k  toch geen lucht?'
'Nee. Maar als ik mijn eigen masker om heb kan ik jou beter helpen.'
'En zij dan?' De achtjarige wijst naar de driejarige die een stoel verder op een 'booster seat' aan de raamkant zit, niet om van het uitzicht te genieten, maar om het plastic luikje alsmaar omhoog en omlaag te doen.
'Als ik eerst mezelf en daarna jou help,' ga ik dapper verder, 'dan kunnen wij samen jouw zusje helpen het masker om te doen.'
Ik ben eigenlijk wel in mijn nopjes over de uitleg, maar de achtjarige blijft sceptisch.
'Weet je wat,' zegt hij na een tijdje, 'ik hou mijn adem wel in.'
Alsof de goden ons gesprek hebben afgeluisterd, krijgen we boven de Alpen te maken met flinke turbulentie. Ook de klerenkastvormige steward wordt vriendelijk verzocht zijn gordel om te doen. Halfschertsend roep ik tegen lieftallige: 'Alle royalties naar de gymnasiast.' De kleintjes naast mij echter hebben de grootste pret. Wat hen betreft kan er niet genoeg turbulentie zijn.

Afsluitend vuurwerk

San Giovanni, het volksfeest van Florence, heeft dit jaar voor het eerst in zijn geschiedenis een numerus clausus ingevoerd. Niet meer dan twintigduizend mensen mochten het afsluitende vuurwerk boven de Arno van dichtbij aanschouwen. Wij hadden al vroeg bedacht niet de stad in te gaan, maar juist de bergen, richting Fiesole, op te zoeken. Om negen uur, half tien viel de avond. Ik parkeerde spontaan bij een kluitje toeschouwers dat zich halverwege had opgesteld bij een riant palazzo van, naar later bleek, de familie Ferragamo. Die duldt elk jaar wel wat gepeupel op zijn oprit, en anders hebben ze altijd nog de hond. In de aanloop naar il fuoco wilde de achtjarige berekenen hoe hoog de vuurpijlen zouden komen. 'Niet veel hoger dan de Dom vermoedelijk, want die is, weten we, 90 meter hoog,' doceerde ik, 'en wij kijken naar beneden,' maar ik wilde zijn hooggespannen verwachtingen niet vergallen. Het knallen en vuurspuwen nam een aanvang. Van deze afstand zag het er reuze imposant uit voor wie nog nooit zoiets heeft gezien. 'Dit wil ik ook op mijn verjaardag,' zei de driejarige. Wij vroegen ons af of de burgemeester van Florence nog met een boodschap voor zijn volk zou komen. 'Probeer dit jaar eens wat belasting te betalen.' Of: 'Maakt u geen zorgen over de rookontwikkeling, wij hebben alles onder controle.' Wat een sluwe, lugubere grap was het geweest als terroristen het vuurwerk zouden hebben gegijzeld en wij live naar een aanslag keken.

Il poeta è un fingitore

Ik zit aan een tafeltje in Pasticceria Cesare (spreek uit: TJEEzaree, en dus niet, bijvoorbeeld, seeZAre) achter mijn tweede cappuccino en probeer een gedicht te schrijven. Dit koffiehuis van de oude stempel is een perfecte plek om te proberen de dichter uit te hangen. Als je het even niet meer weet, kun je je laven aan het theatrale schouwspel om je heen; de mini-operette die wordt opgevoerd door de barrista's, drie in aantal, eentje kaal, eentje met een hipster/terroristenbaard en een dikke met een snor, alledrie echter in smetteloze zwarte bretels en stropdassen. Ik hou ervan om naar ze te kijken. Net zoals naar de te zwaar aangezette dames in vergelijkbaar uniform die de taartjes, petits fours, croissantjes, etc. uitdelen. Maar het mooist is nog de keizerin die troont achter de kassa, de eigenaresse. Aan haar vertel je wat je hebt geconsumeerd, dan rekent zij het af. Ik hou van dat systeem. Door haar keurig gecoiffeerde zilvergrijze haardos heen kun je haar schedel bewonderen. Maar zover is het nog niet. Eerst nog dichten. Mijn oog valt op een verbodsbordje aan de muur, dat ik het liefst in het Italiaans zou weergeven maar ik ben vergeten het over te schrijven. De strekking luidt dat er een boete van €27,50 à €275 staat op roken. De hoogte van de boete is afhankelijk van de aanwezigheid van zwangere vrouwen, de aanwezigheid vrouwen die borstvoeding geven en de aanwezigheid van kinderen onder de twaalf. Waarom nog dichten, met al die poëzie om me heen?

Regel uit Pessoa's Autopsicografia, in het Italiaans. Hier uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens. Mooi gedicht. Ik kwam er op toen Google mijn woorden il poeta è un afmaakte.

Warmte-management

Warmte-management in een palazzo, was ons door de eigenaren van te voren op het hart gedrukt, bestaat uit het gedurende de hele dag dichthouden van de houten luiken en deuren, om de hitte buiten te houden, en gedurende de hele nacht juist alles open te zetten – behalve de hor, die moet altijd dicht.
Maar die hor is het hele punt, want die trek je makkelijk omlaag aan een koord, als een nauwsluitend rolgordijn, en klik je aan de onderkant onzichtbaar vast, maar hoe krijg je hem weer open, bijvoorbeeld om de luiken te sluiten aan het eind van de nacht om niet alleen de hitte buiten te sluiten maar ook het ochtendgloren, opdat er nog wat kan worden doorgeslapen?
'Fikkie, weet jij hoe die hor werkt?' was lieftallige's eerste vraag dienaangaande, vanuit een van de slaapkamers, terwijl ik in de zeer royale tuin probeerde te lezen met mijn voeten in een kinderbadje. 'Ik krijg hem niet open.'
'Kantelen,' riep ik terug, 'en dan komt ie vanzelf los, en dan laat je hem rustig vieren.'
Stilte.
'Het lukt niet. Wil je even komen?'
Ik stuurde mijn achtjarige omhoog om het hor-probleem op te lossen. Ik leefde in de veronderstelling dat hij wel wist wat kantelen was en hoe dit te bewerkstelligen, maar ook hem lukte het niet om de hor los en omhoog te krijgen. Er zat niets anders op dan op te staan en het voor te doen. Dus dat deed ik. 'Kijk,' zei ik, op die geïrriteerde toon die elke vakantie vroeg of laat aanvreet, de onderkant van de hor 45 graden naar mij toe trekkend, 'kantelen, dan komt ie los. Dan laten vieren en het ding gaat omhoog.' De hor deed wat hem gevraagd werd, maar lieftallige lukte het niet, ook niet na herhaalde pogingen. 'Kantelen!' riep ik. 'Beter kan ik het niet uitleggen.' Gefrustreerd ging ik weer in de tuin zitten.
Op zulke momenten verlang ik naar A/C.

Slimey

Een driejarige en een achtjarige meesjouwen door het centrum van Florence bij dertig-plus graden om een tentoonstelling van Bill Viola in het Palazzo Strozzi te bezoeken, is een ongeveer even goed idee als een bad nemen met je ouders in een tobbe gevuld met appelstroop. Maar we deden het. De driejarige begon dertig seconden uit de bus – die haar nog wel kon bekoren – te roepen: 'Tillen!' en zou hier niet meer mee ophouden, behalve als ze aan een ijsje likte. De achtjarige hield zich sterk, maar nadat ik had geweigerd voor hem een slimey te kopen van een straatverkoper bij de Galleria degli Uffizi, kon hij alleen nog maar heel sip kijken, en zelfs af en toe een huilbui hebben (of veinzen) vanwege dit grote gemis. 'Wat is Bill Viola?' vroeg hij tenslotte. 'Tizie kijken,' zeiden wij. 'Heel veel tizie kijken, dus dat gaan jullie leuk vinden.' En die voorspelling kwam ook uit. Zelfs de 34 minuten durende installatie Il Delugio werd door hen voor het belangrijkste deel uitgezeten, echter niet zonder elke twee minuten te informeren of er nog iets ging gebeuren. 'Jawel,' zei ik. 'Nog even wachten. Bill Viola test ons geduld.' Omdat de driejarige nu ook zeker wist dat ze een slimey nodig had om gelukkig te worden, hebben we op de terugweg nog gezocht naar de straatverkoper met de slimey's, zonder resultaat.

Florence

Florence ligt er majestueus bij, als we uit de heuvels naar beneden rijden langs uitbundig bloeiende hortensia's, citroenbomen en weet ik wat voor flora. Zeven jaar geleden waren we er ook, twee weken zelfs, maar toen was ik doodziek; voor mijn gevoel heb ik de meeste tijd op de wc doorgebracht. Nu gaan we op de avond van aankomst al meteen de deur uit om dat fantastische restaurant te vinden, met die heerlijke bediening, zonder vooraf huiswerk te hebben gedaan. Dat lukt dus niet. Bekaf en uitgehongerd na eindeloos te hebben rond gesjokt langs dichte trattoria's en treurig stemmende dronkemansbarretjes in de buurt van een aftands voetbalstadion, plant ik mijn kinderen achter een formica tafeltje bij "FC Kebab" en bestel friet met mayonaise en veel cola. Iets is beter dan niets, dacht ik, maar lieftallige is nijdig een supermarkt in geschoten om in ons geleende palazzo alsnog een fijne pasta in elkaar te draaien. Om 10 uur 's avonds hebben we ons huiswerk wel gedaan en eten we amandelijs en saffraanijs in een ambachtelijke gelateria. Likkende bambini bij neonlicht. Een brutaal joch met een One Direction-kuif en het bovenste knoopje dichtgeknoopt van zijn hagelwitte hemd, steekt af en toe plagerig de punt van zijn ijsje in de wang van zijn vriendin, en schept tegen ons op over de 4 die hij kreeg voor Engels. 'You know why? Because my mother,' hij gebaart druk naar een vrouw verderop die driftig nee schudt, 'told me to play instead of study.' Het had een scene uit Carlo Collodi's vrolijk-wrede kinderboek Pinokkio kunnen zijn, of een broeierige film van Visconti.

'Have you tried working?'

A friend from New York was in town and told me to meet her at the Hampton Inn, 'near Rembrandt Square'. I jumped on my bike, figuring I'd find it easily, but on my way there I began to doubt. I passed the Waldorf Astoria. Very New York, but not the Hampton Inn.
Since when does downtown Amsterdam have a 'Hampton Inn', I wondered. Hampton Inn sounds New Jersey to me, airporty, Econolodge-y. If I had a working smartphone I could have looked it up. Nobody on or near Rembrandt Square would know anything – except perhaps, it dawned to me, a receptionist at a hotel – so I parked in front of one, and when I walked in, my friend walked out. Quelle coïncidence! It turned out to be the Hampshire Hotel.
We hadn't seen each other in nine years. I had had two kids in the meantime. She had lived in Mexico and then moved back to Philadelphia, the city she grew up in.
'You look great,' I said.
'I gained 30 pounds,' she quipped.
We walked along the river, sat down on a bench and started discussing our lives. Almost immediately a man approached us, a man of my age, a disheveled looking man, with bad teeth and varicose veins on his calves. He wanted to shake our hands. 'Do you speak Dutch?'
We said no. That didn't prevent him from begging. Begging is a universal language. There are no linguistic restrictions for begging, even a dog knows how to do it. I didn't feel like giving him change, but my friend from New York was already going through her handbag.
'Have you tried working?' I asked the beggar. It came out awkward, but I meant it.
The beggar shook his head indignantly and walked away.
'Did you just say: have you tried working?' my friend from New York asked.
I nodded.
We laughed.

Negende werkdag

Ik dacht de oud-bibliothecaresse een plezier te doen door een volvette haring voor haar mee te brengen, met augurk, op een pistoletje, van haringkar 'Gigant'.
'Hou ik niet van,' zegt ze.
'Eitje dan maar weer?'
'Graag. Hardgekookt. Met alleen zout. Geen peper.'
Twee noviteiten: er staat een tafeltje met een stok kaarten voor haar vaste stoel. 'Patiencen,' verklaart ze, met toch nog wel iets van gêne. 'Als ik echt niets meer weet.' Maar nu weet ze wel wat, – en dat is de andere noviteit –, want ze is haar eigen zorg-dossier aan het doornemen: een map met groene vellen waarop iedereen die iets met haar te maken heeft aantekeningen bijhoudt, naar haar verwijzend met Mw, als in: 'Mw ligt in bed, geen zin om op te staan'.
'Kun je het lezen?'
'Nee. Al dat gekrabbel. Vreselijk.'
Ik vind een gebonden uitgave van Poesjkin in haar boekenkast, vertaald door Aleida Schot, met het alleszins leesbare verhaal De doodkistenmaker. Een doodkistenmaker, die ook kisten verhuurt ('Getverdemme, graven ze die dan op voor hergebruik?'), verhuisde met tegenzin naar een nieuwe woning. Zijn nieuwe buurman, een Duitse schoenmaker, kwam zich voorstellen. Ze bespraken de handel. De schoenmaker meende dat de doodkistenmaker in de betere business zat. 'Een levende kan zonder schoenen nog wel lopen, maar een dooie kan zonder kist niet leven,' riep de schoenmaker uit. Om die uitspraak moeten wij lachen. Op een buurtfeest waar veel gedronken werd, ook door de doodkistenmaker, begon de Duitser op van alles en nog wat te toasten, en ook en vooral op de klant, want zonder klanten waren ze nergens. Maar u kunt natuurlijk niet op de klant toasten! maakten de gasten de doodkistenmaker belachelijk, want die zijn allemaal dood! Dezelfde nacht had de doodkistenmaker een afschuwelijke droom, waarin hij werd bezocht door iedereen aan wie hij in het verleden een kist had verkocht (of verhuurd). Een ervan, een sergeant, die hij een vurenhouten kist had verkocht voor de prijs van eikenhout, bestond alleen nog uit een wankel skelet, dat de doodkistenmaker probeerde aan te vallen en uiteindelijk voor hem op de vloer in stukken uiteenviel. Een prachtig macaber beeld, vinden wij.




Onthulling

Het is enige tijd geleden dat ik geroerd werd door poëzie, maar gisteren, bij de onthulling van Remco Camperts dichtregels Verzet op de zijgevel van de uitgeverij, was dat toch echt onmiskenbaar het geval. Dat kwam niet alleen door Remco Camperts dichtregels, en het op zichzelf poëtische gebaar van het met een gigantisch gelegenheidsgordijn onthullen van een tekst (niet meer, maar zeker ook niet minder, dan een groepje op bepaalde wijze gerangschikte Nederlandse woorden op een bakstenen muur), maar vooral ook door de verschijning van de dichter zelf. Hij is tien dagen jonger dan mijn vader. Beter ter been, maar bijna even krom. Met zijn wandelstok deed hij me nog het meest aan een oude cowboy denken die alles al gezien heeft en daarom zijn wapens kan thuislaten. Voordat Campert zijn dichtregels voordroeg, met die teder-melancholische stem van hem, keek hij met geknepen ogen en een vertrokken gezicht, alsof hij net een citroen had uitgezogen, over de verzamelde menigte heen. Het late zonlicht flikkerde door de boombladeren. In de verte twinkeleerden gevederde, en ongetwijfeld katholieke, vrienden. De omstandigheden konden niet beter zijn. Een AT5-cameraman volgde Campert terwijl hij wegliep van de microfoon. Ik liep de andere kant op, om te voorkomen dat hij mijn ontroering vastlegde, want dat wilde ik zelf doen.

Bericht van de cramping IV: Vrijheid

Porth Ysgaden Colour of Water Llyn Peninsula Wales
The colours of water
Ik float. Dat wil zeggen, ik zwem, maar met de ogen dicht, zonder te weten waar naartoe. Mijn enige oriëntatie is de zon die door mijn oogleden heen schijnt en het geluid van de golven, maar er zijn nauwelijks golven. Er zijn altijd golven, er moeten golven zijn, maar vandaag zijn de golven zeer bescheiden. Rimpelingen. Er zijn ook geen mensen in het water aan wie ik me vast zou kunnen klampen.
Zwem ik richting Engeland, Noorwegen? Is dit dobberende vrijheid, niet weten welke kant je op gaat? Dat het niet uitmaakt? Dat je, zonder je te bekommeren om navigatie, 'voort' beweegt? Moet je, met andere woorden, een zoveel mogelijk controle opgeven om vrij te kunnen zijn? En hoe lang duurt het eigenlijk voordat ik van uitputting zou bezwijken?
De wind suist zachtjes, het water kabbelt, druppelt, spettert om me heen. Ik zou dit ambient geluid willen opnemen, bedenk ik me, als dat kon, maar ik weet niet waarom. Ik open mijn ogen en zie dat ik schuin terug naar de kust zwem. Een overscherende meeuw maakt een geluid dat nog het meest op uitlachen lijkt.

Leporello

Alles wordt marketing – als het al geen marketing was –, als je manuscript zo goed als af is, zoals het mijne, dus ik loop al een tijdje door de stad met een stapeltje door de uitgeverij vervaardigde leporello's (leporelli) over Het dispuut, mijn forthcoming roman. Een leporello, zoek maar op, is een harmonica-achtig drukwerkje. Die van mij vouw je uit tot een folder, met aan de buitenkant omslag en flaptekst inclusief de auteur als Pretty Boy – te verwachten als je getrouwd bent met een fotograaf die een schurftige bultenaar nog sexy neerzet –  en aan de binnenkant een fragment.
Allemaal voor de hand liggend zou je denken, maar toen ik gisteren voornoemde leporello overhandigde aan een bevriende moeder van het schoolplein, nam zij hem beleefd aan, bekeek het kleurrijke pakketje van alle kanten, en zei: 'Dat ziet er goed uit'. Ze kwam niet op het idee (of ze had er geen zin in of geen tijd voor, dat kan ook) om hem open te maken. Dus deed ik het voor haar en gaf hem weer terug. Nu bleef haar blik steken bij de auteursfoto op de achterkant. 'Zo,' zei ze, 'dat had ook iedereen kunnen zijn, hè?' 'Ja,' adremde ik, 'totale inwisselbaarheid is mijn handelsmerk.'

Captive snake

Prosper Luizinga werd midden in de nacht wakker met plastic folie over zijn neus en mond, terwijl een naakte vrouw bezig was met een soeplepel honing uit een glazen kom over zijn borstkas uit te gieten. 'What the?' riep hij, maar het geluid kwam niet ver, het verliet zijn stembanden nauwelijks. Prosper mocht blij zijn dat hij onder deze omstandigheden nog kon ademen. Hij wilde opstaan, maar de naakte vrouw hield hem tegen. 'What have you done?' zei ze, keer op keer, als een bezwerende formule. 'What you have done, is done.' En: 'To lull hatred to sleep, like a captive snake, and tell fear to give up'. Het ging maar door, tot het niets meer betekende. Luizinga vroeg zich af of dat laatste, over die 'captive snake', een citaat van Shakespeare was, uit King Lear bijvoorbeeld, maar dat was allemaal academisch. Hij werd afgeleid door de borsten van de vrouw die als kwallen op haar bovenlijf lagen. Ondertussen begon het een behoorlijke plakboel te worden, in bed, op zijn buik, tussen zijn benen. Er leek geen eind aan te komen. Hij protesteerde opnieuw tegen zijn behandeling, maar al minder overtuigend, de naakte vrouw hoefde niets te doen om hem tegen te houden. Toen legde ze de kom met honing weg, pakte een andere kom gevuld met donzen veertjes en begon de veertjes over hem uit te strooien, precies op de plekken waar het plakte, terwijl ze een klaagzang afstak in een taal die leek op Chinees. Mooie boel, dacht Prosper.

Met dank aan Derreck Ryan Claude Mitchell

'Attempts to embrace'

De performance 'Attempts to embrace' door Pierre Audi in het kader van het Holland Festival gisterenavond in de Zuiveringshal op het Westergasfabriekterrein was beslist statisch te noemen, maar dat was juist onderdeel van de charme. Het was onnadrukkelijk, subtiel, kabuki-achtig theater, wat hij ons tweeënhalfuur lang voorschotelde. Er gebeurde niet veel, zeg maar gerust bijna niets, en er werd niets gecommuniceerd, maar dat gaf het geheel juist een zekere mystiek. Hij zat daar maar, eigenlijk, met zijn jas op schoot en met zijn rug naar ons toe. Af en toe keek hij op zijn Apple-watch, hetgeen ons in staat stelde zijn profiel goed te bestuderen. Pierre Audi's hoofd ziet eruit alsof er een panty overheen is getrokken.
Meteen in de eerste acte al sloeg hij een arm om zijn – toegegeven: ravissante – vriendin, en dat was dan. Theatraler, dramatischer, en romantischer zou het niet worden, afgezien van dat moment laat in de voorstelling, dat de vriendin haar hoofd tegen zijn schouder te rusten legde (en gelijk had ze, op dat punt aangekomen).
Ik vond het vooral spannend om te zien hoe lang die arm daar zou blijven liggen. Zo'n arm ligt niet lekker, dat is algemeen bekend. Voor de omarmer niet, maar ook niet voor de omarmde, die het gevoel heeft beklemd te raken, maar misschien moest dit minimalistische armenballet worden geïnterpreteerd als een uitdrukking van de onmogelijkheid tot liefde in het huidige tijdgewricht.
Er was weinig tekst. De tekst die er was bleek onverstaanbaar (een boventiteling zou, zeker gezien de prijs van de kaartjes, geen overbodige luxe zijn geweest). Pierre Audi smiespelde wat tegen zijn vriendin. Wilde hij weg? Wilde hij weten of zij weg wilde? Wilden ze samen weg? Dat zou een statement zijn, maar ze bleven zitten. Wij ook.
Toen Pierre Audi in de vierde acte voor de laatste keer een arm om zijn vriendin sloeg prikte hij in het voorbijgaan enkele malen met zijn elleboog in mijn knie. Een Holland Festival-performance was nog nooit zo  f y s i e k  geweest.

Den Haag

Het eerste dat me opviel in Den Haag was de dame die dwars een drukke straat overstak en het verkeer tegenhield door een opgerolde krant omhoog te houden. Dat vond ik Haags. Daarna zag ik een man op een fiets met een golfclub in zijn hand. Dat vond ik ook Haags.
Niet typisch Haags, denk ik, maar wel opmerkelijk, vond ik het hoofdkantoor van de vrijmetselarij, dat we passeerden, en de Berlage-kerk. Ik wist dat Berlage het Gemeentemuseum had ontworpen, maar die kerk kende ik nog niet.
'Waar zijn de parkeermeters?' vroeg ik aan de barman van café Gember, ter linkerzijde van het Gemeentemuseum, waar ik voornemens was met een driejarige en een achtjarige een Mondriaan-tentoonstelling te bezoeken.
'Zijn er niet.'
'Dus het is gratis parkeren hier?'
Hij knikte. Ik juichte. Den Haag kon wat mij betrof niet meer stuk.

Achtste werkdag

O, de veerkracht der tachtigplussers! Nu eens denk je: die haalt de avond niet, en dan weer sta je versteld van hun wederopstanding. Vandaag tref ik de oud-bibliothecaresse bijvoorbeeld aan in een stoel bij het raam, in plaats van bij de kachel, met een boek in plaats van de krant en in kleurige, schone kleding.
'Aan het lezen?'
Ze kijkt me verbaasd aan. 'Altijd.'
Jammer, want ik had zin om haar oude Russen voor te lezen. Ik voel me overtollig. Maar na een straffe bak koffie en een hardgekookt ei legt ze haar boek graag terzijde voor 'Kinderen' en 'Schatje' van Tsjechov. Het mooie aan de verhalen van Tsjechov is dat ze zonder moraal zijn, in tegenstelling tot die van Tolstoj. Misschien komt dat omdat Tsjechov arts was.
Het eerste verhaal gaat over een groepje kinderen dat 's avonds laat aan tafel 'lotto' speelt. Zonder ouderlijk toezicht. Voor kopeken en roebels. Vechtend tegen de slaap. Op een gegeven moment roept de achtjarige Grisja uit: 'Een kakkerlak! Sla hem dood!' Dan roept een ander: 'Niet doen, misschien heeft hij kinderen!' Daar moet mijn toehoordster hartelijk om lachen. 'Dat zeiden wij vroeger ook.'
Het verhaal 'Schatje' gaat over een vrouw van wie iedereen houdt, en die het niet kan laten van iedereen te houden. Eerst wordt ze vrouw en daarna weduwe van een misantrope theaterdirecteur, en vervolgens van een doodsaaie houthandelaar. Tenslotte wordt ze verlaten door een eerder gescheiden vee-arts, wiens zoon ze opvoedt als was hij de hare. Olenka, de vrouw uit het verhaal, huilt dat het een aard heeft, is het niet uit droefenis, dan wel uit blijdschap, en ook bij ons springen bijna de tranen in de ogen bij zoveel onverdiend leed.
'Wat kunnen die Russen toch goed huilen,' zeg ik.
'Ja,' zegt de oud-bibliothecaresse. 'En thee drinken. God, wat drinken die lui veel thee!'

Monnikskapspier

We vonden dat we een massage hadden verdiend. Het was een nieuw tentje. We gingen één voor één omdat simultaan niet kon (de voordelen van een simultane massage moeten ook niet worden overdreven). Ik werd onderhanden genomen door een ex-kunstenares uit Philadelphia met een kettinkje van een drukbenerft boomblaadje om de hals. 'Voor mij komt masseren en schilderen op hetzelfde neer,' zei ze, terwijl ze een elleboog in mijn monnikskapspier plantte en die daar voorlopig niet meer weghaalde. Ik probeerde te knikken, wat nog niet meevalt met je hoofd in een gat, maar ik begreep eigenlijk niet wat ze bedoelde. Ik wilde zeggen: 'In beide gevallen probeer je indruk te maken?' maar dat was onzin, hooguit een flauw woordgrapje. Misschien dat beide met hun handen werken, of zoiets, maar verder zag ik geen overeenkomsten. Ze maakte me ook een compliment, namelijk dat haar massage op mijn lichaam zo goed lukte, dat ik kennelijk precies de juiste tegendruk gaf. 'Is het een soort dans?' vroeg ik. Ja, het was een soort dans. Voor haar.