Synopsis voor een kort verhaal. Deel 3: Crash

Vlak voor vertrek van de Colemans is de hittegolf voorbij en heerst er eindelijk absolute, weldadige stilte in La Divina. Shanti uit hierover haar verbazing. De Nederlandse hippies, Fons en Imre heten ze, hadden immers aangepapt met de Duitse veganiste, Helke, die leuke kunstjes deed met 'Chucky'. Het drietal werd min of meer gedoogd, behalve door het oudere – Franse – echtpaar, dat hun afkeuring door liet schemeren over de naakte zwart-kampeerders in omfloerste conversatie op het terras. Coleman zegt dat hij alleen maar dankbaar kan zijn dat hij op zijn minst één dag van zijn vakantie, al is het de laatste, mag doorbrengen in de hem in het vooruitzicht gestelde kindvrije omgeving. Maar dan, als de Colemans voor de laatste keer in hun vertrouwde stoelen aan de infinity pool plaatsnemen, en hij zachtjes, met duim en wijsvinger, haar nek masseert, terwijl zij doorleest in haar Murakami, komt de manager van het luxe oord aanzetten met Imre en 'Chucky' in haar kielzog. Ze lopen over de parkeerplaats naar de landweg erachter en staren de diepte in. De Hollandse hippie-familie is die nacht de heuvel afgehobbeld, dwars door de wijngaarden, om tegen een oude pijnboom tot stilstand te komen. Fons heeft zijn schouder gebroken en is naar het ziekenhuis overgebracht. Met zijn dochtertje, dat in shock uit haar hoogslaper stortte, gaat het wel weer. Imre is ongedeerd. Terwijl de manager lunch voor hen laat aanrukken, komt Irme op Shanti's strandstoel uithuilen, met het meisje op schoot, over de kapotte kampeerbus. Hij stond niet op de handrem. Helke stelt voor geld in te zamelen; anders maakt ze graag glutenvrije cupcakes voor het goede doel. Shanti wil daar niets van weten. Ze belooft dat haar man de investment banker voor een gulle donatie zal zorgen. 'Ja, toch, Josh?' Maar Coleman is niet al meer te bekennen bij het zwembad. In de baby-villa pakt hij zijn koffers.

Synopsis voor een kort verhaal. Deel 2: Monsters

Nadat Joshua en Shanti Coleman twee keer 's ochtends vroeg zijn gewekt in hun baby-villa, een keer door een luide schreeuw gevolgd door een plons, en een keer door gestamp op de voordeur van hun baby-villa, (het kleine meisje bleek op zoek te zijn naar haar vader), stapt Coleman opnieuw naar de manager van La Divina, een gracieuze dame met grijze slapen. Die hoort de bezwaren over de overlast van de Hollandse hippies en 'that Chucky-like monster' welwillend aan, maar er gebeurt niets. Want als de Colemans terugkeren van een copieuze lunch op een dorpsplein in de buurt, ziet hij de kampeerbus alweer staan. Er komt nu ook muziek uit, hippiemuziek. Het meisje danst bloot met haar bijna blote, aantrekkelijke, maar vroegoude moeder op de parkeerplaats; de dreadlocks vliegen in het rond. Nog steeds vindt Coleman zichzelf te goed en te belangrijk om de hippies rechtstreeks tot de orde te roepen. Als hij ziet dat de bijna blote moeder probeert aan te pappen met Shanti, sleept hij zijn vrouw mee naar hun privé-domein, en eist dat ze ieder contact met de vijand vermijdt. Die nacht, als de Colemans weer eens proberen de liefde te bedrijven, zoals het plan was, komen ze niet ver, omdat zijn wraakfantasieën steeds gewelddadiger worden.

Synopsis voor een kort verhaal. Deel 1: De Colemans zijn not amused

Joshua en Shanti Coleman uit New York, hij investment banker, zij toneelregisseur, besluiten een week hun hectische levens te ontvluchten om hun ietwat uitgebluste huwelijk nieuw leven in te blazen, vooral door minstens een keer per dag met elkaar naar bed te gaan, hebben ze zich – hij ernstig, zij lacherig – voorgenomen. Ze verblijven een week in La Divina, een 'kindvrij' luxe-oord in de heuvels van Toscane. Nu hebben ze er eindelijk de tijd voor, is de gedachte, en zal alles hoofdpijnloos en intiem zijn. Ze krijgen een pittoreske baby-villa toegewezen temidden van de wijngaarden en olijfboomgaarden, voorbij de lounge-area en het terras waar volmaakte jonge mensen klaarstaan om behalve cocktails te shaken en finger sandwiches uit te delen, ook een aardig woordje Engels te spreken. Ze blijken opmerkelijk goed op de hoogte te zijn van de laatste ontwikkelingen op welk gebied dan ook. Waar Joshua en Shanti Coleman niet op hebben gerekend is de hittegolf die op het moment door Italië woedt, en hen min of meer veroordeelt tot de 'infinity pool'. Ook 's nachts is het te heet voor hun agenda-seks; de ironie hiervan ontgaat haar niet. Als ze in de middag van dag drie opnieuw in de perfecte strandstoelen bij het zwembad liggen, hij bezig op zijn telefoon, zij verdiept in een roman van Murakami, tegenover een ouder echtpaar en een alleen-reizende, bovenmatig-getatoëerde Australische veganiste, klinkt opeens, uit het niets, de snerpende huil van een klein meisje dat water in haar ogen heeft gekregen. De Colemans zijn not amused. Het huilende meisje blijkt te horen bij twee Nederlandse hippies in een kampeerbusje op de parkeerplaats, die zich alle luxe laten aanleunen van La Divina zonder betaalde gast te zijn. Op dag vier, als de hippies weer hun meisje hebben meegebracht naar het zwembad, belooft Coleman zijn geliefde met gevoel voor drama, dat hij op alle hem beschikbare manieren een einde zal proberen te maken aan deze inbreuk op hun welverdiende vakantie-rust. Shanti draait zich hoofdschuddend op haar andere zij.

(Geen) lucht

Nadat de klerenkastvormige steward in het gangpad verveeld heeft uitgelegd hoe je het zuurstofmasker omdoet voor het geval de lucht wegvalt in de cabine, en de achtjarige naast mij uitvoerig de pictogrammen heeft bestudeerd op de veiligheidskaart uit de sleuf van de stoel voor hem, vraagt hij: 'Waarom moet je eerst het masker bij jezelf omdoen en daarna pas bij anderen?'
Goede vraag. Hier raakt de achtjarige aan een fundamenteel ethisch beginsel.
'Stel voor de lucht valt weg in de cabine en ik doe eerst een masker bij jou om, wat gebeurt er dan?' 'Dan krijg jij geen lucht, pappie.'
'Daarom moet ik het masker eerst bij mezelf omdoen.'
'Maar dan krijg  i k  toch geen lucht?'
'Nee. Maar als ik mijn eigen masker om heb kan ik jou beter helpen.'
'En zij dan?' De achtjarige wijst naar de driejarige die een stoel verder op een 'booster seat' aan de raamkant zit, niet om van het uitzicht te genieten, maar om het plastic luikje alsmaar omhoog en omlaag te doen.
'Als ik eerst mezelf en daarna jou help,' ga ik dapper verder, 'dan kunnen wij samen jouw zusje helpen het masker om te doen.'
Ik ben eigenlijk wel in mijn nopjes over de uitleg, maar de achtjarige blijft sceptisch.
'Weet je wat,' zegt hij na een tijdje, 'ik hou mijn adem wel in.'
Alsof de goden ons gesprek hebben afgeluisterd, krijgen we boven de Alpen te maken met flinke turbulentie. Ook de klerenkastvormige steward wordt vriendelijk verzocht zijn gordel om te doen. Halfschertsend roep ik tegen lieftallige: 'Alle royalties naar de gymnasiast.' De kleintjes naast mij echter hebben de grootste pret. Wat hen betreft kan er niet genoeg turbulentie zijn.

Afsluitend vuurwerk

San Giovanni, het volksfeest van Florence, heeft dit jaar voor het eerst in zijn geschiedenis een numerus clausus ingevoerd. Niet meer dan twintigduizend mensen mochten het afsluitende vuurwerk boven de Arno van dichtbij aanschouwen. Wij hadden al vroeg bedacht niet de stad in te gaan, maar juist de bergen, richting Fiesole, op te zoeken. Om negen uur, half tien viel de avond. Ik parkeerde spontaan bij een kluitje toeschouwers dat zich halverwege had opgesteld bij een riant palazzo van, naar later bleek, de familie Ferragamo. Die duldt elk jaar wel wat gepeupel op zijn oprit, en anders hebben ze altijd nog de hond. In de aanloop naar il fuoco wilde de achtjarige berekenen hoe hoog de vuurpijlen zouden komen. 'Niet veel hoger dan de Dom vermoedelijk, want die is, weten we, 90 meter hoog,' doceerde ik, 'en wij kijken naar beneden,' maar ik wilde zijn hooggespannen verwachtingen niet vergallen. Het knallen en vuurspuwen nam een aanvang. Van deze afstand zag het er reuze imposant uit voor wie nog nooit zoiets heeft gezien. 'Dit wil ik ook op mijn verjaardag,' zei de driejarige. Wij vroegen ons af of de burgemeester van Florence nog met een boodschap voor zijn volk zou komen. 'Probeer dit jaar eens wat belasting te betalen.' Of: 'Maakt u geen zorgen over de rookontwikkeling, wij hebben alles onder controle.' Wat een sluwe, lugubere grap was het geweest als terroristen het vuurwerk zouden hebben gegijzeld en wij live naar een aanslag keken.

Il poeta è un fingitore

Ik zit aan een tafeltje in Pasticceria Cesare (spreek uit: TJEEzaree, en dus niet, bijvoorbeeld, seeZAre) achter mijn tweede cappuccino en probeer een gedicht te schrijven. Dit koffiehuis van de oude stempel is een perfecte plek om te proberen de dichter uit te hangen. Als je het even niet meer weet, kun je je laven aan het theatrale schouwspel om je heen; de mini-operette die wordt opgevoerd door de barrista's, drie in aantal, eentje kaal, eentje met een hipster/terroristenbaard en een dikke met een snor, alledrie echter in smetteloze zwarte bretels en stropdassen. Ik hou ervan om naar ze te kijken. Net zoals naar de te zwaar aangezette dames in vergelijkbaar uniform die de taartjes, petits fours, croissantjes, etc. uitdelen. Maar het mooist is nog de keizerin die troont achter de kassa, de eigenaresse. Aan haar vertel je wat je hebt geconsumeerd, dan rekent zij het af. Ik hou van dat systeem. Door haar keurig gecoiffeerde zilvergrijze haardos heen kun je haar schedel bewonderen. Maar zover is het nog niet. Eerst nog dichten. Mijn oog valt op een verbodsbordje aan de muur, dat ik het liefst in het Italiaans zou weergeven maar ik ben vergeten het over te schrijven. De strekking luidt dat er een boete van €27,50 à €275 staat op roken. De hoogte van de boete is afhankelijk van de aanwezigheid van zwangere vrouwen, de aanwezigheid vrouwen die borstvoeding geven en de aanwezigheid van kinderen onder de twaalf. Waarom nog dichten, met al die poëzie om me heen?

Regel uit Pessoa's Autopsicografia, in het Italiaans. Hier uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens. Mooi gedicht. Ik kwam er op toen Google mijn woorden il poeta è un afmaakte.

Warmte-management

Warmte-management in een palazzo, was ons door de eigenaren van te voren op het hart gedrukt, bestaat uit het gedurende de hele dag dichthouden van de houten luiken en deuren, om de hitte buiten te houden, en gedurende de hele nacht juist alles open te zetten – behalve de hor, die moet altijd dicht.
Maar die hor is het hele punt, want die trek je makkelijk omlaag aan een koord, als een nauwsluitend rolgordijn, en klik je aan de onderkant onzichtbaar vast, maar hoe krijg je hem weer open, bijvoorbeeld om de luiken te sluiten aan het eind van de nacht om niet alleen de hitte buiten te sluiten maar ook het ochtendgloren, opdat er nog wat kan worden doorgeslapen?
'Fikkie, weet jij hoe die hor werkt?' was lieftallige's eerste vraag dienaangaande, vanuit een van de slaapkamers, terwijl ik in de zeer royale tuin probeerde te lezen met mijn voeten in een kinderbadje. 'Ik krijg hem niet open.'
'Kantelen,' riep ik terug, 'en dan komt ie vanzelf los, en dan laat je hem rustig vieren.'
Stilte.
'Het lukt niet. Wil je even komen?'
Ik stuurde mijn achtjarige omhoog om het hor-probleem op te lossen. Ik leefde in de veronderstelling dat hij wel wist wat kantelen was en hoe dit te bewerkstelligen, maar ook hem lukte het niet om de hor los en omhoog te krijgen. Er zat niets anders op dan op te staan en het voor te doen. Dus dat deed ik. 'Kijk,' zei ik, op die geïrriteerde toon die elke vakantie vroeg of laat aanvreet, de onderkant van de hor 45 graden naar mij toe trekkend, 'kantelen, dan komt ie los. Dan laten vieren en het ding gaat omhoog.' De hor deed wat hem gevraagd werd, maar lieftallige lukte het niet, ook niet na herhaalde pogingen. 'Kantelen!' riep ik. 'Beter kan ik het niet uitleggen.' Gefrustreerd ging ik weer in de tuin zitten.
Op zulke momenten verlang ik naar A/C.

Slimey

Een driejarige en een achtjarige meesjouwen door het centrum van Florence bij dertig-plus graden om een tentoonstelling van Bill Viola in het Palazzo Strozzi te bezoeken, is een ongeveer even goed idee als een bad nemen met je ouders in tobbe gevuld met appelstroop. Maar we deden het. De driejarige begon dertig seconden uit de bus – die haar nog wel kon bekoren – te roepen: 'Tillen!' en zou hier niet meer mee ophouden, behalve als ze aan een ijsje likte. De achtjarige hield zich sterk, maar nadat ik had geweigerd voor hem een slimey te kopen van een straatverkoper bij de Galleria degli Uffizi, kon hij alleen nog maar heel sip kijken, en zelfs af en toe een huilbui hebben (of veinzen) vanwege dit grote gemis. 'Wat is Bill Viola?' vroeg hij tenslotte. 'Tizie kijken,' zeiden wij. 'Heel veel tizie kijken, dus dat gaan jullie leuk vinden.' En die voorspelling kwam ook uit. Zelfs de 34 minuten durende installatie Il Delugio werd door hen voor het belangrijkste deel uitgezeten, echter niet zonder elke twee minuten te informeren of er nog iets ging gebeuren. 'Jawel,' zei ik. 'Nog even wachten. Bill Viola test ons geduld.' Omdat de driejarige nu ook zeker wist dat ze een slimey nodig had om gelukkig te worden, hebben we op de terugweg nog gezocht naar de straatverkoper met de slimey's, zonder resultaat.

Florence

Florence ligt er majestueus bij, als we uit de heuvels naar beneden rijden langs uitbundig bloeiende hortensia's, citroenbomen en weet ik wat voor flora. Zeven jaar geleden waren we er ook, twee weken zelfs, maar toen was ik doodziek; voor mijn gevoel heb ik de meeste tijd op de wc doorgebracht. Nu gaan we op de avond van aankomst al meteen de deur uit om dat fantastische restaurant te vinden, met die heerlijke bediening, zonder vooraf huiswerk te hebben gedaan. Dat lukt dus niet. Bekaf en uitgehongerd na eindeloos te hebben rond gesjokt langs dichte trattoria's en treurig stemmende dronkemansbarretjes in de buurt van een aftands voetbalstadion, plant ik mijn kinderen achter een formica tafeltje bij "FC Kebab" en bestel friet met mayonaise en veel cola. Iets is beter dan niets, dacht ik, maar lieftallige is nijdig een supermarkt in geschoten om in ons geleende palazzo alsnog een fijne pasta in elkaar te draaien. Om 10 uur 's avonds hebben we ons huiswerk wel gedaan en eten we amandelijs en saffraanijs in een ambachtelijke gelateria. Likkende bambini bij neonlicht. Een brutaal joch met een One Direction-kuif en het bovenste knoopje dichtgeknoopt van zijn hagelwitte hemd, steekt af en toe plagerig de punt van zijn ijsje in de wang van zijn vriendin, en schept tegen ons op over de 4 die hij kreeg voor Engels. 'You know why? Because my mother,' hij gebaart druk naar een vrouw verderop die driftig nee schudt, 'told me to play instead of study.' Het had een scene uit Carlo Collodi's vrolijk-wrede kinderboek Pinokkio kunnen zijn, of een broeierige film van Visconti.

'Have you tried working?'

A friend from New York was in town and told me to meet her at the Hampton Inn, 'near Rembrandt Square'. I jumped on my bike, figuring I'd find it easily, but on my way there I began to doubt. I passed the Waldorf Astoria. Very New York, but not the Hampton Inn.
Since when does downtown Amsterdam have a 'Hampton Inn', I wondered. Hampton Inn sounds New Jersey to me, airporty, Econolodge-y. If I had a working smartphone I could have looked it up. Nobody on or near Rembrandt Square would know anything – except perhaps, it dawned to me, a receptionist at a hotel – so I parked in front of one, and when I walked in, my friend walked out. Quelle coïncidence! It turned out to be the Hampshire Hotel.
We hadn't seen each other in nine years. I had had two kids in the meantime. She had lived in Mexico and then moved back to Philadelphia, the city she grew up in.
'You look great,' I said.
'I gained 30 pounds,' she quipped.
We walked along the river, sat down on a bench and started discussing our lives. Almost immediately a man approached us, a man of my age, a disheveled looking man, with bad teeth and varicose veins on his calves. He wanted to shake our hands. 'Do you speak Dutch?'
We said no. That didn't prevent him from begging. Begging is a universal language. There are no linguistic restrictions for begging, even a dog knows how to do it. I didn't feel like giving him change, but my friend from New York was already going through her handbag.
'Have you tried working?' I asked the beggar. It came out awkward, but I meant it.
The beggar shook his head indignantly and walked away.
'Did you just say: have you tried working?' my friend from New York asked.
I nodded.
We laughed.

Negende werkdag

Ik dacht de oud-bibliothecaresse een plezier te doen door een volvette haring voor haar mee te brengen, met augurk, op een pistoletje, van haringkar 'Gigant'.
'Hou ik niet van,' zegt ze.
'Eitje dan maar weer?'
'Graag. Hardgekookt. Met alleen zout. Geen peper.'
Twee noviteiten: er staat een tafeltje met een stok kaarten voor haar vaste stoel. 'Patiencen,' verklaart ze, met toch nog wel iets van gêne, 'als ik echt niets meer weet.' Maar nu heeft ze wel wat te doen, – en dat is de andere noviteit –, want ze is haar eigen zorg-dossier aan het doornemen: een map met groene vellen waarop iedereen die iets met haar te maken heeft aantekeningen bijhoudt, naar haar verwijzend met Mw, als in: 'Mw ligt in bed, geen zin om op te staan'.
'Kun je het lezen?'
'Nee. Al dat gekrabbel. Vreselijk.'
Ik vind een gebonden uitgave van Poesjkin in haar boekenkast, vertaald door Aleida Schot, met het alleszins leesbare verhaal De doodkistenmaker. Een doodkistenmaker, die ook kisten verhuurt ('Getverdemme, graven ze die dan op voor hergebruik?'), verhuisde met tegenzin naar een nieuwe woning. Zijn nieuwe buurman, een Duitse schoenmaker, kwam zich voorstellen. Ze bespraken de handel. De schoenmaker meende dat de doodkistenmaker in de betere business zat. 'Een levende kan zonder schoenen nog wel lopen, maar een dooie kan zonder kist niet leven,' riep de schoenmaker uit. Om die uitspraak kunnen wij hartelijk lachen. Op een buurtfeest waar veel gedronken werd, ook door de doodkistenmaker, begon de Duitser op van alles en nog wat te toasten, en ook en vooral op de klant, want zonder klanten waren ze nergens. Maar u kunt natuurlijk niet op de klant toasten! maakten de gasten de doodkistenmaker belachelijk, want die zijn allemaal dood! Dezelfde nacht had de doodkistenmaker een vreselijke droom, waarin hij werd bezocht door iedereen aan wie hij in het verleden een kist had verkocht (of verhuurd). Een ervan, een sergeant, die hij een vurenhouten kist had verkocht voor de prijs van eikenhout, bestond alleen nog uit een wankel skelet, dat de doodkistenmaker probeerde aan te vallen en uiteindelijk voor hem op de vloer in stukken uiteenviel. Een mooi beeld, vinden wij.




Onthulling

Het is enige tijd geleden dat ik geroerd werd door poëzie, maar gisteren, bij de onthulling van Remco Camperts dichtregels Verzet op de zijgevel van de uitgeverij, was dat toch echt onmiskenbaar het geval. Dat kwam niet alleen door Remco Camperts dichtregels, en het op zichzelf poëtische gebaar van het met een gigantisch gelegenheidsgordijn onthullen van een tekst (niet meer, maar zeker ook niet minder, dan een groepje op bepaalde wijze gerangschikte Nederlandse woorden op een bakstenen muur), maar vooral ook door de verschijning van de dichter zelf. Hij is tien dagen jonger dan mijn vader. Beter ter been, maar bijna even krom. Met zijn wandelstok deed hij me nog het meest aan een oude cowboy denken die alles al gezien heeft en daarom zijn wapens kan thuislaten. Voordat Campert zijn dichtregels voordroeg, met die teder-melancholische stem van hem, keek hij met geknepen ogen en een vertrokken gezicht, alsof hij net een citroen had uitgezogen, over de verzamelde menigte heen. Het late zonlicht flikkerde door de boombladeren. In de verte twinkeleerden gevederde, en ongetwijfeld katholieke, vrienden. De omstandigheden konden niet beter zijn. Een AT5-cameraman volgde Campert terwijl hij wegliep van de microfoon. Ik liep de andere kant op, om te voorkomen dat hij mijn ontroering vastlegde, want dat wilde ik zelf doen.

Bericht van de cramping IV: Vrijheid

Porth Ysgaden Colour of Water Llyn Peninsula Wales
The colours of water
Ik float. Dat wil zeggen, ik zwem, maar met de ogen dicht, zonder te weten waar naartoe. Mijn enige oriëntatie is de zon die door mijn oogleden heen schijnt en het geluid van de golven, maar er zijn nauwelijks golven. Er zijn altijd golven, er moeten golven zijn, maar vandaag zijn de golven zeer bescheiden. Rimpelingen. Er zijn ook geen mensen in het water aan wie ik me vast zou kunnen klampen.
Zwem ik richting Engeland, Noorwegen? Is dit dobberende vrijheid, niet weten welke kant je op gaat? Dat het niet uitmaakt? Dat je, zonder je te bekommeren om navigatie, 'voort' beweegt? Moet je, met andere woorden, een zoveel mogelijk controle opgeven om vrij te kunnen zijn? En hoe lang duurt het eigenlijk voordat ik van uitputting zou bezwijken?
De wind suist zachtjes, het water kabbelt, druppelt, spettert om me heen. Ik zou dit ambient geluid willen opnemen, bedenk ik me, als dat kon, maar ik weet niet waarom. Ik open mijn ogen en zie dat ik schuin terug naar de kust zwem. Een overscherende meeuw maakt een geluid dat nog het meest op uitlachen lijkt.

Leporello

Alles wordt marketing – als het al geen marketing was –, als je manuscript zo goed als af is, zoals het mijne, dus ik loop al een tijdje door de stad met een stapeltje door de uitgeverij vervaardigde leporello's (leporelli) over Het dispuut, mijn forthcoming roman. Een leporello, zoek maar op, is een harmonica-achtig drukwerkje. Die van mij vouw je uit tot een folder, met aan de buitenkant omslag en flaptekst inclusief de auteur als Pretty Boy – te verwachten als je getrouwd bent met een fotograaf die een schurftige bultenaar nog sexy neerzet –  en aan de binnenkant een fragment.
Allemaal voor de hand liggend zou je denken, maar toen ik gisteren voornoemde leporello overhandigde aan een bevriende moeder van het schoolplein, nam zij hem beleefd aan, bekeek het kleurrijke pakketje van alle kanten, en zei: 'Dat ziet er goed uit'. Ze kwam niet op het idee (of ze had er geen zin in of geen tijd voor, dat kan ook) om hem open te maken. Dus deed ik het voor haar en gaf hem weer terug. Nu bleef haar blik steken bij de auteursfoto op de achterkant. 'Zo,' zei ze, 'dat had ook iedereen kunnen zijn, hè?' 'Ja,' adremde ik, 'totale inwisselbaarheid is mijn handelsmerk.'

Captive snake

Prosper Luizinga werd midden in de nacht wakker met plastic folie over zijn neus en mond, terwijl een naakte vrouw bezig was met een soeplepel honing uit een glazen kom over zijn borstkas uit te gieten. 'What the?' riep hij, maar het geluid kwam niet ver, het verliet zijn stembanden nauwelijks. Prosper mocht blij zijn dat hij onder deze omstandigheden nog kon ademen. Hij wilde opstaan, maar de naakte vrouw hield hem tegen. 'What have you done?' zei ze, keer op keer, als een bezwerende formule. 'What you have done, is done.' En: 'To lull hatred to sleep, like a captive snake, and tell fear to give up'. Het ging maar door, tot het niets meer betekende. Luizinga vroeg zich af of dat laatste, over die 'captive snake', een citaat van Shakespeare was, uit King Lear bijvoorbeeld, maar dat was allemaal academisch. Hij werd afgeleid door de borsten van de vrouw die als kwallen op haar bovenlijf lagen. Ondertussen begon het een behoorlijke plakboel te worden, in bed, op zijn buik, tussen zijn benen. Er leek geen eind aan te komen. Hij protesteerde opnieuw tegen zijn behandeling, maar al minder overtuigend, de naakte vrouw hoefde niets te doen om hem tegen te houden. Toen legde ze de kom met honing weg, pakte een andere kom gevuld met donzen veertjes en begon de veertjes over hem uit te strooien, precies op de plekken waar het plakte, terwijl ze een klaagzang afstak in een taal die leek op Chinees. Mooie boel, dacht Prosper.

Met dank aan Derreck Ryan Claude Mitchell

'Attempts to embrace'

De performance 'Attempts to embrace' door Pierre Audi in het kader van het Holland Festival gisterenavond in de Zuiveringshal op het Westergasfabriekterrein was beslist statisch te noemen, maar dat was juist onderdeel van de charme. Het was onnadrukkelijk, subtiel, kabuki-achtig theater, wat hij ons tweeënhalfuur lang voorschotelde. Er gebeurde niet veel, zeg maar gerust bijna niets, en er werd niets gecommuniceerd, maar dat gaf het geheel juist een zekere mystiek. Hij zat daar maar, eigenlijk, met zijn jas op schoot en met zijn rug naar ons toe. Af en toe keek hij op zijn Apple-watch, hetgeen ons in staat stelde zijn profiel goed te bestuderen. Pierre Audi's hoofd ziet eruit alsof er een panty overheen is getrokken.
Meteen in de eerste acte al sloeg hij een arm om zijn – toegegeven: ravissante – vriendin, en dat was dan. Theatraler, dramatischer, en romantischer zou het niet worden, afgezien van dat moment laat in de voorstelling, dat de vriendin haar hoofd tegen zijn schouder te rusten legde (en gelijk had ze, op dat punt aangekomen).
Ik vond het vooral spannend om te zien hoe lang die arm daar zou blijven liggen. Zo'n arm ligt niet lekker, dat is algemeen bekend. Voor de omarmer niet, maar ook niet voor de omarmde, die het gevoel heeft beklemd te raken, maar misschien moest dit minimalistische armenballet worden geïnterpreteerd als een uitdrukking van de onmogelijkheid tot liefde in het huidige tijdgewricht.
Er was weinig tekst. De tekst die er was bleek onverstaanbaar (een boventiteling zou, zeker gezien de prijs van de kaartjes, geen overbodige luxe zijn geweest). Pierre Audi smiespelde wat tegen zijn vriendin. Wilde hij weg? Wilde hij weten of zij weg wilde? Wilden ze samen weg? Dat zou een statement zijn, maar ze bleven zitten. Wij ook.
Toen Pierre Audi in de vierde acte voor de laatste keer een arm om zijn vriendin sloeg prikte hij in het voorbijgaan enkele malen met zijn elleboog in mijn knie. Een Holland Festival-performance was nog nooit zo  f y s i e k  geweest.

Den Haag

Het eerste dat me opviel in Den Haag was de dame die dwars een drukke straat overstak en het verkeer tegenhield door een opgerolde krant omhoog te houden. Dat vond ik Haags. Daarna zag ik een man op een fiets met een golfclub in zijn hand. Dat vond ik ook Haags.
Niet typisch Haags, denk ik, maar wel opmerkelijk, vond ik het hoofdkantoor van de vrijmetselarij, dat we passeerden, en de Berlage-kerk. Ik wist dat Berlage het Gemeentemuseum had ontworpen, maar die kerk kende ik nog niet.
'Waar zijn de parkeermeters?' vroeg ik aan de barman van café Gember, ter linkerzijde van het Gemeentemuseum, waar ik voornemens was met een driejarige en een achtjarige een Mondriaan-tentoonstelling te bezoeken.
'Zijn er niet.'
'Dus het is gratis parkeren hier?'
Hij knikte. Ik juichte. Den Haag kon wat mij betrof niet meer stuk.

Achtste werkdag

O, de veerkracht der tachtigplussers! Nu eens denk je: die haalt de avond niet, en dan weer sta je versteld van hun wederopstanding. Vandaag tref ik de oud-bibliothecaresse bijvoorbeeld aan in een stoel aan bij het raam, in plaats van bij de kachel, met een boek in plaats van de krant en in kleurige, schone kleding.
'Aan het lezen?'
Ze kijkt me verbaasd aan. 'Altijd.'
Jammer, want ik had zin om haar oude Russen voor te lezen. Ik voel me overtollig. Maar na een straffe bak koffie en een hardgekookt ei legt ze haar boek graag terzijde voor 'Kinderen' en 'Schatje' van Tsjechov. Het mooie aan de verhalen van Tsjechov is dat ze zonder moraal zijn, in tegenstelling tot die van Tolstoj. Misschien komt dat omdat Tsjechov arts was.
Het eerste verhaal gaat over een groepje kinderen dat 's avonds laat aan tafel 'lotto' speelt. Zonder ouderlijk toezicht. Voor kopeken en roebels. Vechtend tegen de slaap. Op een gegeven moment roept de achtjarige Grisja uit: 'Een kakkerlak! Sla hem dood!' Dan roept een ander: 'Niet doen, misschien heeft hij kinderen!' Daar moet mijn toehoorster hartelijk om lachen. 'Dat zeiden wij vroeger ook.'
Het verhaal 'Schatje' gaat over een vrouw van wie iedereen houdt, en die het niet kan laten van iedereen te houden. Eerst wordt ze weduwe van een misantrope theaterdirecteur, en vervolgens van een doodsaaie houthandelaar. Tenslotte wordt ze verlaten door een eerder gescheiden vee-arts, wiens zoon ze opvoedt als was hij de hare. Olenka, de vrouw uit het verhaal, huilt dat het een aard heeft, is het niet uit droefenis, dan wel uit blijdschap, en ook bij ons springen bijna de tranen in de ogen bij zoveel onverdiend leed.
'Wat kunnen die Russen toch goed huilen,' zeg ik.
'Ja,' zegt de oud-bibliothecaresse. 'En thee drinken. God, wat drinken die lui veel thee!'

Monnikskapspier

We vonden dat we een massage hadden verdiend. Het was een nieuw tentje. We gingen één voor één omdat simultaan niet kon (de voordelen van een simultane massage moeten ook niet worden overdreven). Ik werd onderhanden genomen door een ex-kunstenares uit Philadelphia met een kettinkje van een drukbenerft boomblaadje om de hals. 'Voor mij komt masseren en schilderen op hetzelfde neer,' zei ze, terwijl ze een elleboog in mijn monnikskapspier plantte en die daar voorlopig niet meer weghaalde. Ik probeerde te knikken, wat nog niet meevalt met je hoofd in een gat, maar ik begreep eigenlijk niet wat ze bedoelde. Ik wilde zeggen: 'In beide gevallen probeer je indruk te maken?' maar dat was onzin, hooguit een flauw woordgrapje. Misschien dat beide met hun handen werken, of zoiets, maar verder zag ik geen overeenkomsten. Ze maakte me ook een compliment, namelijk dat haar massage op mijn lichaam zo goed lukte, dat ik kennelijk precies de juiste tegendruk gaf. 'Is het een soort dans?' vroeg ik. Ja, het was een soort dans. Voor haar.

Winner takes all

Mijn schoonbroer, een Brit, wil niet verklappen wat hij gestemd heeft by mail voor de verkiezingen in Groot Brittannië. Ook niet aan zijn vrouw, trouwens. Ik vind dat ongelooflijk Brits, om over je stemgedrag te zwijgen, maar omdat ik van vrijwel alles houd dat Brits is, houd ik hier dus ook van. Waarom ook meteen kleur bekennen? Wat gaat anderen dat aan? En als je weet wat iemand stemt is het toch veel minder spannend om te discussiëren? Affijn. Ik vermoed overigens wel dat hij op May heeft gestemd, al was het maar omdat hij, zoals zovelen, een intense dislike voor Corbyn blijkt te hebben. Hij legt me nog eens uit dat het districtenstelsel in zijn land fundamenteel afwijkt van het systeem van proportionele representativiteit hier te lande. Districtenstelsel is winner takes all; proportionele vertegenwoordiging is all inclusive. Vandaar dat derde of vierde partijen maar nauwelijks uit de verf komen, noch in VK noch in VS. Is het districtenstelsel democratischer? Hangt van je definitie van democratie af. Het is in een bepaald opzicht kapitalistischer.

Dit vind ik ook heel Engels: a proper scrum.

Informatieverwerking

Ik ben nu twee etmaal zonder telefoon en het bevalt me uitstekend. 'Lekker rustig' is het woord.

NB: Dit is een bericht aan al mijn 'contacten'. Als ik niet reageer op telefoontjes, smssen, app'jes en instagram-notificaties, weet je waardoor het komt.

De oorsprong van mijn telefoonloosheid in 5 stappen.

1. Hij viel op straat. Volkomen onnodig. Met het glas naar beneden. Een iPhone 5. Met een 'bumper' erop. Maar die bumper bleek dus niet afdoende. De kapotte iPhone 5 verdween in een la voor 'toekomstige reparaties'.

2a. Ik ging op zoek naar mijn oude telefoon, een iPhone 4, die ik niet naar Afrika had gestuurd opdat een heel dorp zich zou kunnen aansluiten op de moderne tijd, zoals ik me had voorgenomen, maar die ik had bewaard.

  b. Ik werd kwaad toen ik dat ding vrij snel vond. Waarom werd ik kwaad? Omdat ik er enige maanden geleden ook naar op zoek was omdat ik hem weg wilde geven (alweer niet aan een Afrikaans dorp), en hem niet kon vinden, nergens, en niemand in huis ergens iets van af zei te weten.

3. Toen ik uitgeraasd was en de oude iPhone in gebruik nam, verbaasde ik me over de traagheid van het apparaat. Dat ik ooit genoegen nam met dit tempo informatieverwerking!

4. Tegelijkertijd was ik 'blij' verlost te zijn van de innovatie-dwang, die inhoudt dat mensen die innovaties waar ze niet om gevraagd hebben in de maag worden gesplitst, dwangmatig gaan gebruiken, zoals een junkie. Zo was ik verslaafd aan de slow motion functie op de camera van de iPhone 5. Een volstrekt onnodige, tijdverslindende onzin-optie, maar ik deed op een gegeven moment niet meer anders, ging de wereld anders zien, in casu opdelen, namelijk in momenten die zich wel dan wel niet leenden voor de slomo optie. Ook verkwistte ik veel tijd met GoogleMaps en Wikipedia. Het eerste is niet goed voor je geheugen en het tweede is ook niet goed voor je geheugen (denk digitale dementie).

5. Totdat lieftallige haar leen-iPhone 6 (haar eigen iPhone 5 was in reparatie) in de wc-pot liet vallen en mijn iPhone 4 opeiste voor een spoedklus.

Voilà. Tot u spreekt een vrije slaaf. iPhone-junkies aller landen, verenigt u en werpt uw telefoon van u af.


Bericht van de cramping III: Visite

Omdat we logés hebben, of eigenlijk: omdat wij onszelf als logés hebben aangeboden, slapen we iets krapper dan normaal in het tenthuisje. Ik lig op het hoogste bedje in de kinderkamer. Als ik op mijn rug lig, prikken mijn tenen in het dak, als ik iets te enthousiast op mijn zij draai, stort ik bovenop vrouw en kinderen. Maar krapte of vertigo is niet de belangrijkste reden dat ik niet kan slapen. Achter de wand in de grote mensenslaapkamer ligt de gastheer slash logé, eerst zachtjes, één kant op, maar allengs harder, twee kanten op: in- en uitademend dus, te snurken. Ik vind het moeilijk om na het overdadige maal van eerder die avond, niet aan een varken te denken. Als ik er iets van zeg tegen mijn één verdieping lager gelegen echtgenote, fluistert ze: 'Wat wil je dàn?' Goede vraag. Maar zie, de echtgenote van de snurker heeft mijn klacht ook opgevangen, dat moet wel, want niet veel later – ik weet niet wat ze heeft moeten doen maar het lukt, zelfs zonder hapering of protest – is het stil. Net als ik me nog eens omdraai en me verkneukel over de geheel tot rust gekomen cramping, hoor ik uit de verte een groep nachtbrakers aankomen. Zul je net zien. Pinksterweekend; ja, dan zijn er natuurlijk evenementen, voor jong en oud, de goegemeente moet bezig gehouden worden, ntuurlijk, wat wil je, drank erbij, en dan krijg je dit. Ze komen dichterbij, ik voel bij mijzelf een klaagzang opkomen, de neiging zelfs om er iets van te gaan zeggen, iets door het tentzeil heen te roepen, en dan ineens besef ik: ze zijn boven me, ze vliegen over me heen, naar andere oorden.

Zevende werkdag

De oud-bibliothecaresse, in haar vaste stoel bij de kachel, heeft haar kopje laten hangen. Ze draagt een smoezelig, vrolijk bedoeld T-shirt en haar benen zijn omzwachteld. Nadat ik haar een straffe bak koffie heb gegeven, een hardgekookt eitje en een bakje met druifjes, leeft ze op. Begint zelfs te stralen als ik haar uitnodig om naar mijn aanstaande boekpresentatie te komen.
'Dan moet je niet in de tussentijd doodgaan, hè?'
'Nee.'
Uit Tolstojs Verzameld Werk, deel 2, lees ik Heeft een mens veel land nodig? voor. De oud-bibliothecaresse luistert aandachtig, rolt zelfs geen shaggie uit angst iets te missen. Het verhaal gaat over Pachom, een man die steeds meer land wil hebben. Hij reist alsmaar verder, op zoek naar gouden bergen. Uiteindelijk komt hij bij de Basjkieren, die hem koemis schenken, en heel veel desjatinen land in het vooruitzicht stellen.
'Weet jij wat een desjatine is?' vraag ik aan de oud-bibliothecaresse. Nee, dat weet ze ook niet. Volgens Google is het een oude Russische maat die ongeveer overeenkomt met een hectare. 'Wel eens van Basjkieren gehoord?' Nee, evenmin. Blijkt een Russisch volkje te zijn op de grens met Turkije. En koemis, dat is paardenmelk. 'Gatverdamme,' zegt de oud-bibliothecaresse.
Pachom hoort van de Basjkiren-hoofdman dat hij voor duizend roebel zoveel land kan krijgen als hij in één dag kan lopen. Is hij niet voor zonsondergang terug bij zijn vertrekpunt, dan is hij al zijn geld kwijt.
's Nachts kan de landverzamelaar niet slapen van de opwinding. De volgende ochtend gaat hij vroeg op pad onder toeziend oog van de hoofdman, die op een berg zit, en alvast zijn buik vasthoudt van het lachen (daarvan heeft Pachom even tevoren trouwens ook gedroomd). Pachom loopt vijftien werst (ruim vijftien kilometer) en slaat dan linksaf. Opnieuw loopt hij vijftien werst, verlekkerd uitkijkend over al het land dat spoedig van hem zal zijn, maar dan ziet hij de zon langzaam ondergaan en vreest dat hij het niet haalt. Hij moet afsteken, anders is hij zijn geld kwijt, maar hij kan eigenlijk niet meer. Hij werpt zijn tas af, dan zijn jas en op bebloede voeten komt hij aan bij het beginpunt – nog net op tijd –, om vervolgens dood neer te vallen.
De oud-bibliothecaresse kijkt me verschrikt aan. Dan ontspant ze.
Een bijbels verhaal, zeg ik.
'Ja. Mooi.'

De kleine boekhandel

Meteen bij binnenkomst in de hoge, kleine boekhandel, vroeg de boekhandelaar, veilig verschanst achter zijn met stapels boeken opgetaste balie: 'Kan ik ergens mee helpen?' De schrijver schrok enigszins; hij was gewend dat hij met rust werd gelaten, of eigenlijk genegeerd, dat kwam op hetzelfde neer. Hij dacht: ik kan eerst rondneuzen, de titels die ik wil hebben niet vinden maar wel andere, en me daarmede eindeloos onledig houden, of ik kan meteen informeren of de boekhandelaar de titels in huis heeft. Hij koos, niet alleen uit efficiëncy, maar ook om de boekhandelaar iets te doen te geven, voor het laatste.
De boekhandelaar, pijp in de mond, bril scheef op de neus, kwam achter zijn vesting vandaan, en rukte in één moeiteloze beweging de eerste van de twee titels uit de bakken. Dat was geen prestatie, omdat het een recente bestseller betrof, maar toen de boekhandelaar een trap besteeg en ook titel 2 uit de kast plukte, kon het geluk niet op. (Titel 2 was ook een bestseller, maar geen recente, en alleen in Polen.)
'Als je mijn boek nu ook nog op voorraad hebt, dan kan mijn dag niet meer stuk,' zei de schrijver. Dit bleek niet het geval, maar de boekhandelaar had er toch maar drie exemplaren van verkocht, zag hij op zijn zo te zien vooroorlogse computer.
Waar blijft de oud-uitgever in dit verhaal? Hier: op een stoel met iets te lezen op schoot. Hij had het baardje van een magiër, een priemende oogopslag en een oudemannenbuikje. Te oordelen naar de wederzijdse, liefkozende plagerijtjes, waren de boekhandelaar en de oud-uitgever op vriendschappelijke voet met elkaar. De schrijver toonde, op zijn mobiel, het omslag van zijn forthcoming titel aan de boekhandelaar. 'Verschrikkelijk!' riep de boekhandelaar over de typografie. 'Afschuwelijk!' riep de oud-uitgever over de verknipte foto. 'Jullie lijken mijn moeder wel,' zei de schrijver, 'die vond het omslag ook niet om aan te zien.'
Het werd nog een geanimeerd gesprek, daar in de boekhandel, over omslagen, uitgeven, boekverkopen en oplagen. Opeens schreed er een luchtig gekleed meisje binnen met een rugzak. Ze bliefde niet geholpen te worden. Ze struinde/grasduinde tussen de boeken door, om even later ergens te gaan zitten lezen.
Alleen al voor dit meisje, dacht de schrijver, moet deze boekhandel blijven bestaan.

Onttovering

De meeste junkmail gaat meteen in de papierbak, maar dit keer bleef mijn oog haken bij de flyer van Mister Mady, die niet alleen oplossingen had tegen geldgebrek, examenvrees, seksuele problemen, depressies en dergelijke, maar ook tegen onttovering.
'Hallo?'
'Spreek ik met Mister Mady, het medium?'
'Daar spreekt U mee. Hoe kan ik U helpen. Bent U uw baan kwijt, uw geliefde of uw huis?'
'Nog niet.'
'Dan kampt U met een gat in uw begroting.'
'Dat hebt u goed gezien, maar daar bel ik niet voor. Dat ga ik proberen op andere manieren te dichten. Co-financiering door een medium wordt door de meeste fondsen niet geaccepteerd.'
'Dan belt U zeker omdat U hem niet meer omhoog krijgt. Dat hoor ik steeds vaker, ik heb op dit gebied veel ervaring, met Mister Mady's wonderolie –'
'Nee, ik krijg hem nog wel omhoog. Het duurt wel steeds langer, dat is waar, maar dan heb ik er ook meer plezier van, denk ik dan altijd... Waar ik voor bel is onttovering.'
'U wenst onttovert te worden? Door wie of wat bent U betoverd, als ik vragen mag?'
'Nee, dat is het hem nu juist: ik wil betoverd worden.'
Stilte.
'Meneer Mady?'
'Ja.'
'Wat kost dat, een betovering?'
'Ligt eraan. Wilt u een betovering die ik ook weer ongedaan kan maken?'
'Liefst wel. Straks ben ik betoverd en dan zit ik daar maar. Dat gaat mijn vrouw niet goed vinden.'
'Ik begrijp het. Wilt u het standaard pakket betovering, of betovering extra?'
'Betovering extra. Ik bedoel, als je dan eenmaal kiest voor betovering, kun je het beter meteen goed doen.'
'Groot gelijk heeft u, meneer...?'
Enzovoorts, enzoverder, tot in de eeuwigheid amen.




Een mooie, weggegooide dag

Je was bezig met een schutting voor je tuinhuisje omdat je niet wil dat iedereen zomaar kan zien wat jij daar allemaal uitvoert, en nu had je je zinnen gezet op een haag van bamboe. Veel beter, eleganter ook, dan een slap hekje van nephout, bijvoorbeeld. Je had je al een paar weken, maanden misschien, verdiept in de ins en outs van bamboe, en dat waren er nogal wat; zo ontdekte je bijvoorbeeld dat er zoiets bestaat als een bamboe-plaag, maar die wetenschap was niet relevant voor dit project. Toen hoorde je dat iemand in zijn nieuwe huis buiten de stad bamboe in de tuin had staan en daar vanaf wilde. Ha, zei jij, als ik die bij jou mag weghalen, dan ben jij van je bamboe af en heb ik een schutting voor mijn tuinhuisje. Je superhandige en dito bereidwillige schoonvader ging mee. Het was een mooie dag. Jullie togen aan het werk met een schop, een bijl en zagen, maar er was een probleem: de bamboeplant wilde niet mee. Hij liet zich niet uitgraven. Hij had zich diep, heel diep vastgegrepen met zijn lange, lenige wortels in de Hollandse bodem en op geen enkele wijze zou hij zich laten bevrijden. Zeer tegen de gewoonte van de schoonvader in moesten jullie na een paar uur opgeven. De bamboe bleef waar hij was en jullie gingen met lege handen naar huis. Op de terugweg belandde je in de file.

Literair experiment

'Ik heb nou toch iets gelezen,' zegt mijn moeder over de telefoon, 'een roman bestaande uit een zin. Eén zin! Titel: Nu ik. Geschreven door Rutger Pontzen. Wel eens van gehoord? Thomas Rosenboom heeft het aangeprezen. Zei dat het op meesterlijke wijze toewerkt naar een apotheose of zoiets. Maar ik vond het niets. Vreselijk! Eén zin. Dat is toch niks?'
Ik zeg tegen mijn moeder dat ik alleen al het idee toejuich dat een schrijver iets anders probeert dan altijd maar weer hetzelfde, en dat de moderne Nederlandse literatuur opvallend conservatief is. Ook al bevat Ulysses veel, zo niet alle literaire fratsen die je zou willen uithalen, dan betekent dat nog niet dat er alleen maar naturalistische romans geschreven zouden moeten worden.
'Ja, maar één zin! Ik heb een stukje geprobeerd, maar het was niet vol te houden. Ik heb het boek meteen weer naar de bibliotheek teruggebracht.'
Het is inderdaad moeilijk vol te houden, zo'n experiment, zowel voor de lezer als voor de schrijver. Ik doe het ook wel eens, maar dan in korte stukjes. Ik geloof dat het langste verhaal uit één zin een tirade tegen vakantie was voor het 'Vakantiedoeboek' van Hans Ubbink, maar daar heb ik nooit ook maar een reactie op gekregen, ook niet van mijn moeder.
Pontzens roman in één zin doet me denken aan The Interrogative Mood: A Novel?, een roman bestaande uit alleen maar vragen. Ook gewaagd. En vermoeiend.
Opnieuw neem ik me voor vaker het experiment op te zoeken, al was het alleen maar om mijn moeder op de kast te krijgen.

Schriftsteller

'We hebben gehoord dat je Schriftsteller bent. Zijn er boeken van je vertaald in het Duits of in het Engels? Zo ja, kun je ons vertellen bij welke boekhandelaar we je boeken kunnen kopen?'
Een jong stel uit Hamburg. Geen 'intelluelen'. Maar wel lezers, dus. Zij, fitness-trainer, en hij leraar muziek. ('Je bent dus muzikant,' zei ik in mijn Schwere Wörter-Duits omdat ik weiger Engels te spreken met Duitsers. [Engels spreken met Duitsers is zoiets als wortels bestellen voor een konijn in een driesterrenrestaurant.] En daarnaast geef je les.' Hij knikte, glunderde.)
Ik hoorde mezelf uitleggen dat nee, mijn boeken niet vertaald zijn, noch in het Duits, noch in het Tuvalees, for that matter.
'Maar we hebben wel een stuk over je laatste boek gelezen in Die Welt. Lukt het met de sollicitaties bij de Polizei?'
Nu was het mijn beurt om te knikken.
Zij glunderen. Ik glunderen.
'We hopen dat je boeken gauw worden vertaald.'
Knikken. Glunderen.
Ik memoreerde nog een New Yorkse kennis die, toen hij een internationale bestseller had, de ene na de andere vertaalde editie kreeg opgestuurd, uit alle hoeken van de wereld. 'Dat is iets om heel erg jaloers op te zijn,' zei ik.
De Duitsers knikten. Het werd tijd om afscheid te nemen.

Bericht van de cramping II: faits divers

1. Als we van de overvolle stad naar de overvolle cramping zijn gereden, moeten we van de overvolle cramping naar het overvolle strand en als we eenmaal op het overvolle strand zijn, moeten we stoelen bij de overvolle strandtent bezetten om daar te kunnen eten, 'anders is het vakantiegevoel niet compleet'. 'Ga jij die stoelen maar bezetten, als je dat zo graag wilt, voor mij hoeft het niet. Ik lig hier prima.' 'Ik heb alles geregeld, wil jij dat dan niet even doen? Dat is toch een kleine moeite?' 'Dat geeft me nieuwe stress, ik kom juist om te de-stressen.' Enzovoort, enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Uiteindelijk zitten we natuurlijk toch in de felbegeerde stoelen, en land ik met een hand in de zoetzure saus.

2. Een blond jochie zegt tegen zijn zus: 'De volgende keer sla ik je een bloedneus.' De moeder probeert te sussen. Lukt niet. Later probeert de vader het. Zelfde type. Verloren zaak.

3. Een yogalerares uit Stuttgart beweert om morele redenen niet op Facebook te zitten. Die kende ik nog niet.

4. Alle kippen, en de meeste konijnenjongen in de cramping-kinderboerderij zijn in een paar nachten door een vos en een boommarter kapotgebeten. Een kalkoen hebben ze ook meegenomen. Dat was jammer, want die broedde net op een stel eieren.

5. Een man doemt ineens halfnaakt uit de duinen op vraagt om een vuurtje.

6. Een meisje op de fiets draagt een T-shirt met natte plekken.

7. Uit de dennenbomen daalt stuifmeel neer. Bosvreugd!

Uitzitten

Een vriend die ik al lang niet meer heb gesproken belt opeens. Ik vraag hoe het met hem gaat. Hij klaagt dat zijn vrouw haar onzekerheid vertaalt in woede, en dat hij daar hoorndol van wordt. 'Iemand wees me daarop. Ik had haar gedrag zelf nog nooit zo geanalyseerd, maar het is waar. Ik word gek van die woede. Het enige wat ik wil is af en toe de liefde bedrijven en een goed gesprek. Wat ik nu krijg is dag in dag uit toorn... Zij belaagt me met haar argumenten... Ze wil in alles gelijk hebben... Ik krijg natuurlijk de volle laag... Wij passen gewoon totaal niet bij elkaar. Dat wist ik al vanaf het begin, maar goed, we hebben de kinderen... Als we het nog een paar jaar uithouden met elkaar... Als. Ik weet niet eens of we dat wel redden...' Ik vertel hem over een andere vriend, net zoals hij getrouwd met kinderen, die het polyamoureuze experiment aan is gegaan. De klagende vriend zucht diep. 'Wauw. Nou. Ik weet niet. Dat staat allemaal ver af van me. Ik moet dit huwelijk uitzitten, ben ik bang, en dan hopen dat er tegen die tijd nog een nieuw hoofdstuk voor mij in zit.'

Massale opsluiting + paniek = de hel

De hel zoals ik me die voorstel – toegegeven, er zijn meerdere varianten, maar dit is een die telkens terugkeert: – een grote ruimte, gevuld met duizenden mensen die in paniek raken en die, in hun ijver om te ontsnappen, elkaar vertrappen. De eerste keer dat ik me goed van dit scenario bewust werd, was bij de ramp in het Heizel-voetbalstadion in 1985. Ik kijk nooit naar voetbal, maar toen was ik aan het beeld gekluisterd. Je kon live zien hoe mensen werden verdrukt.
Ik zag een filmpje langskomen van twintig seconden uit Manchester. Gillende mensen. Een vrouw die eerder was vertrokken, las ik in The Guardian, zag lichaamsdelen rondvliegen en vond later bloedspatten in haar haar. Er zullen meer films zijn. Ik hoef ze niet te zien.
Elk mens is tot op zekere hoogte claustrofobisch, maar zoekt tegelijkertijd afgesloten ruimten op – Middas Dekkers muntte die laatste neiging thigmofilie – en wil sociaal zijn. Bij mij wint de claustrofobie het dikwijls van de andere neigingen.
Het is moeilijk, maar niet onmogelijk, om je een toekomst voor te stellen waarin populaire gelegenheden alleen nog virtueel kunnen worden bijgewoond. Ook een hel.

Uit

We gingen uit. Dat wil zeggen, ik had blind kaartjes gekocht voor een concert van Torgeir Waldemar in Cinetol, waarop we ons wegens tijdnood, en gebrek aan voorkennis, nauwelijks konden verheugen, maar toen het concert zou beginnen zat ik in de kinderkamer met het handje van een driejarige aan mij vastgeklampt. Ik stelde mezelf gerust met de gedachte dat rockconcerten nooit op tijd beginnen, maar misschien was dat ook allang achterhaald.
'Ga jij maar alvast,' zei lieftallige, 'laat maar weten of het iets is.'
Twee minuten later was ik ter plaatse. Niet alleen wordt alles persoonlijk, alles wordt ook lokaal – of is dat allang, maar dit was er voor mij nog een bewijs van.
Het concert was in volle gang. Torgeir Waldemar bleek een Herman Brusselmans-lookalike, met lange baard, die extreem luid en traag gitaar speelde en zong (toch wel een heel klein beetje vals maar misschien was dat de bedoeling). Ik had geen gehoorbescherming in. Ik stond tegen de bar geleund, de geur van het eten van de barjuffrouw achter mij drong mijn neusgaten in.
'Best leuk,' berichtte ik aan lieftallige. 'Kom maar.'
Lieftallige arriveerde. 'Ik voel me niet zo lekker,' zei ze. Speelde Torgeir Waldemar ineens minder luid, en gevoeliger,  een mooi liedje, of leek dat maar zo? 'Hoe vind je dat nou,' zei ik, 'zo'n Noorse band die enorm zijn best doet om Texaans te klinken, en daar ook behoorlijk goed in slaagt?'
'Jammer dat hij niet één liedje in het Noors doet,' zei ze.
Torgeir begon weer luider te spelen. 'Als ik nu niet wat frisse lucht krijg, val ik flauw,' zei lieftallige.
We gingen buiten op het terras zitten. In de verte klonk de gedempte muziek van de Noorse Texaan.
Niet veel later waren we weer thuis. Maar we waren uit geweest, dat kon niemand ons meer afnemen.

Zesde werkdag

Ik ben aan het spijbelen. Ik was gisteren ook al aan het spijbelen. En eigenlijk is mijn aanwezigheid op kantoor ernstig gewenst, ben ik zo onbescheiden om te denken. De oud-bibliothecaresse verkeert in shock. Nou ja, shock, haar is verstaan gegeven dat ze haar huis uit moet, en daarop heeft zij gezinspeeld op zelfdoding.
Die zelfdoding houdt me bezig. Hoe zou ze dat doen, gesteld dat ze het deed, zonder Pil van Drion? Moest ik haar helpen? Hoe zou mijn werkdag er dan uit zien? Moest ik voor haar op internet een Chinese Pil van Drion bestellen? Maar gezien haar aversie tegen pillen slikte ze die waarschijnlijk ook niet, als puntje bij paaltje kwam. En trouwens, waar bemoei ik me mee?
Ik heb het antwoord op deze vragen voor me uitgeschoven door niet naar kantoor te gaan en thuis te werken. Spijbelen is ook laf, maar het is lafheid van een andere orde.
Inmiddels geloof/hoop ik dat er van die shock niet zo veel meer over is, als ik haar weer zie. Een van de voordelen van lichte Alzheimer. Ik heb zo'n gevoel dat ze wel nog precies weet waar we zijn gebleven in Gogol's Dagboek van een krankzinnige. Anders ik wel.

The Girl from Nova Scotia

One could say a few things about the girl from Nova Scotia.
First of all, that she was by herself, and not restless.
Further, that she was petite, except for her shoes, her gums and her mammalian protuberances (carefully wrapped in a tight dress). She wore no make up to speak of.
Also, that she was talkative, both in French, and in English, although she spoke softly and never felt the need to interrupt. Her French sounded peculiar, perhaps a bit sloppy, as if she was drunk or stoned, or both, but she was neither. She hadn't gone shopping coffee, and she did not drink much wine.
Her English – New Scottish? – was interesting, especially at the end of words. Her slight accent was apparent in the pronunciation, for instance, of 'out'. The 'ou' didn't sound like American or English, and the 't' didn't cut off the word, but extended it a little. If this sounds coquettish, it wasn't.
She did have a sense of humor, although, like with some women, you had to feed it.
On a map she pointed out her habitat and explained that driving to her parents took her eight hours. She also showed pictures, of what I thought was her house, but turned out to be the view from her window.
The place looked desolate.
She seemed perfectly fine with it.

Royalty

De snelste manier om een schrijver uit zijn schrijversbubbel te halen is hem zijn royalty-overzicht te sturen.
Toen ik nog bij Meulenhoff zat, kreeg ik jaarlijks mijn royalty-afschrift in een brief die zodanig was gevouwen dat het totaalbedrag niet in één oogopslag zichtbaar werd. Ik moest eerst nog een flapje terugduwen, voordat de waarheid zich in al haar getalsmatigheid aan mij openbaarde.
Waarschijnlijk was de gedachte van de uitgever dat de waarheid op deze manier minder hard bij de royalty-houder aankwam. De royalty-houder had een paar seconden extra tijd gekregen om te beseffen dat ook zijn laatste meesterwerk geen bestseller was. Dat wist hij natuurlijk allang, of hij had het kunnen vermoeden, maar beseffen is iets anders dan weten.
Tegenwoordig stuurt mijn agent me een lieve email met mijn royalty-overzicht. De zalvende woorden in het bijgaande briefje zeggen genoeg. Dan hoef ik al niet meer te kijken. Als ik flink zou verkopen, zijn zalvende woorden niet nodig, in zekere zin misplaatst.
Ik kijk toch. Mijn nieuwsgierigheid, gedreven door hoop (wat anders?) is groter dan mijn angst voor teleurstelling.
Ik word niet teleurgesteld in mijn teleurstelling.
Een dag later zit ik op de fiets en goochel in gedachten met mijn verkoopcijfers en denk: hm, nog helemaal zo slecht nog niet. En: er zit een stijgende lijn in.
Een schrijver is net een hondje.

Transactie-consult

Dat ik mijn postrondes niet meer loop *snotter* betekent niet dat de transacties met de tijdschriftverslindende zenuwarts geen doorgang kunnen vinden, dus vandaag tijg ik weer (met mijn driejarige aan mijn been) naar zijn – nieuwe, smetteloze – praktijkruimte om mijn opgespaarde New Yorkers te ruilen voor een stapeltje New York Review of Books.
De afgelopen keren gingen de tijdschrifttransacties vergezeld van een consult. Ik dacht: als ik toch naar mijn zenuwarts moet... Maar omdat ik thans mijn zenuwen min of meer onder controle lijk te hebben, heb ik de consulten gestaakt.
De zenuwarts leek dat een beetje jammer te vinden.
Als ik in zijn wachtkamer zit, met de driejarige als een kromgetrokken plank op schoot, komen de wezenlijke kwesties als vanzelf aan de orde. De zenuwarts hoort de beschrijving van mijn gemoedstoestand welwillend aan, met zijn armen over elkaar, leunend tegen een grote houten tafel, glimlacht en adviseert me met mijn prachtige kindje de gezonde buitenlucht op te zoeken.

De Grote Verjaardag

De 7-jarige werd 8.
Waarschijnlijk is de verjaardagsbeleving, de magie van de verjaardag op deze leeftijd op zijn hoogtepunt, zo vlak voor de definitieve ontmaskering van Sinterklaas, voor het cynisme langzaam zijn geest binnensijpelt, maar toen het moment was aangebroken waarnaar hij al weken had afgeteld, gedroeg hij zich niet bijzonder opgewonden en nam hij de cadeautjes waarop hij zich al maanden had verheugd, in mijn ogen nogal zakelijk – je zou kunnen zeggen: professioneel – in ontvangst.
Uiteraard hebben wij  a l l e s  in het werk gesteld om het hem naar de zin te maken, daartoe ben je als ouder in dit infanticentrische tijdsgewricht moreel verplicht, maar een dag later vraag ik me af hoeveel hiervan bij hem blijft hangen. Ik weet bijvoorbeeld  n i e t s  van mijn eigen achtste verjaardag, maar 42 jaar geleden was dit ook nog niet zo'n ding, geloof ik, zo'n ouderlijk Gesamtkunstwerk voor het kind. Er werd gezongen, je mocht trakteren en je kreeg een pak viltstiften, daarna ging men over tot de orde van de dag. De gedachte alleen al dat mijn vader destijds tot diep in de nacht aan de voorbereidingen van mijn Grote Verjaardag zou hebben gewerkt, komt me als absurd voor.
'Word je 8?' vroeg een moeder op het schoolplein aan de jarige. Hij knikte, trots.
'Maar dat is heel bijzonder,' vervolgde ze, 'die verjaardag kan ik me nog heel goed herinneren.'
'Echt waar?' vroeg ik.
'Ja, want toen zijn mijn ouders gescheiden.'

Moederdag

Zit ik daar rustig op mijn nest met mijn jonkie, oké, zo rustig is het ook weer niet aan die godvergeten Amsteldijk met al dat zieke sluipverkeer en die a-sociale schijtscooters met hun koleregassen waar je helemaal de vliegende tering van krijgt, maar goed, ik zit daar dus, ik heb mijn jonkie onder mijn vleugel, hoe oud is ie nu, ik ben niet goed in tellen, ik houd dat soort dingen niet bij, een paar dagen of een paar weken, ach dat doet er ook niet toe, het gaat erom dat lil' kleine er nog niet in zijn uppie op uit kan gaan, dat begrijp je, hij ziet er wel snoezig uit en zo, met dat sigarettenasgrijze vachtje van hem, maar pas op, een lel van zijn vleugel en je praat wel anders, maar goed hij dus, eigenlijk moet ik zeggen zij, want het is een meisje, een flink meisje mogen we wel zeggen, gezien haar eet- en vechtlust, gister hadden mijn man en ik, ja, mijn man doet ook zijn best hoor, die kun je niet zomaar uitvlakken, hij heeft goed meegeholpen met het nest, de ligging had beter gekund maar ja, je kunt niet alles hebben, nog een kleine altercatie op de Prinsengracht ja mooi woord hè had je niet gedacht hè van een simpele zwaan dat ze zulke dure woorden zou gebruiken, maar goed, we hadden dus een altercatie met een van die zuighoentjes, die overal alles voor je neus wegpikken, ja dat doen die fokking meeuwen ook, dat weet ik ook wel, maar van hen kan ik het hebben, die hoentjes zijn zo irritant met hun penetrante pieptoontje, maar goed toen zag je Chardy toch ineens van zich afbijten, dat was voor het eerst, weg jij, blijf af van dat algje, dat algje is van mij, enzovoorts, en ik was me er toch een partij trots op, ja echt mooi, maar goed wat zie ik vandaag, vlak voor mijn ogen, zittend op de stoep, nee, geen Google-medewerker die ons komt opvoeden in de privacy die ze zelf helpen om zeep te brengen, nee, een of andere vederloze tweevoeter, een beetje zielig is hij wel, met zijn camera en fotografenjack, hij wacht vast op het moment dat mijn kuiken weer onder me vandaan komt, nou dan kan ie lang wachten want ik ga mijn nest niet meer af, en Chardy ook niet, ik steek mijn snavel achter mijn schouders en iedereen kan de kanker krijgen.

Vijfde werkdag

Bij binnenkomst zat de oud-bibliothecaresse zoals gebruikelijk bij de kachel, maar ze keek bedrukt. 'Ik ben tegen een kastje gevallen,' zei ze. 'Ik heb een rib gekneusd en nu kan ik nauwelijks meer bewegen. Ik kan niet eens opstaan om naar bed te gaan. Als ik ook maar iets voel schreeuw ik het uit van de pijn.' Haar benen zagen eruit als in worstvorm gedraaide ballonnen.
'Wat u nodig hebt,' improviseerde ik ter plekke, 'is een verstelbare stoel. Dan hoeft u niet op te staan, kunt u gewoon achteroverleunen, en uw benen omhoog doen, en dan kunt u zo slapen.'
'Als ik jou geld geef wil je dan zo'n stoel voor me kopen?'
Ik knikte, maar eerst maar eens de huisarts bellen, dacht ik. Die zei via veel omwegen, dat ze op de hoogte was van 'mevrouw' haar problematiek, maar dat ze wel degelijk op kon staan, zolang ze haar pijnmedicatie maar innam.
'Neem je je pijnmedicatie?' vroeg ik.
Ze zoog aan haar shagje en antwoordde met haar oogleden.
De pillen bleken buiten haar actieradius te liggen, op tafel. Ik brak een tablet door midden en overhandigde haar de brokstukjes, met een glas water. 'Allemachtig,' zei ze.
De oud-bibliothecaresse, die trouwens een eeuwigheid geleden een paar jaar medicijnen had gestudeerd, leed aan pil-aversie. 'Als je je pijnstillers nou net hebt genomen, dan moet je daarna naar de WC gaan of naar bed, want dan doet het nog niet zo'n pijn. Als je te lang wacht is het uitgewerkt.'
Ik had huisarts moeten worden. Hoewel, troosten gaat me beter af. Ik las de oud-bibliothecaresse voor uit Dagboek van een krankzinnige van Gogol, een prismapocket die ik in de afdeling Russen in haar imposante boekenkast had gevonden. Dat verhaal loopt al meteen uit de hand met de ik-persoon die via de diefstal van de correspondentie van twee hondjes meer te weten probeert komen over de dochter van zijn baas op wie hij . Ik weet dat de oud-bibliothecaresse luisterde want ze lachte op de goede momenten. Het hardst trouwens bij een woord waarvan ik de betekenis niet kende.


Sehnsucht

'Wat ben jij allemaal van plan,' wilde lieftallige weten toen ze me in pak rond zag stappen.
'Ik ga vandaag een stichting oprichten.'
'Zo zo.'
'Een man moet zijn glorie ergens vandaan halen.'
De dag was mooi. De bestuursleden waren op tijd. Mijn notaris bleek gehuisvest in hetzelfde pand als waarin de firma Caransa is gevestigd. Ik wist niet of dit een goed of slecht teken was. Waarschijnlijk betekende het helemaal niets, zoals de meeste dingen (bijvoorbeeld de enorme plastic pad met dito koptelefoon op in de ontvangstruimte).
Mijn notaris verzuimde de enige vrouw in het gezelschap – de penningmeester van het stichtingsbestuur – de hand te schudden of behoorlijk aan te kijken.
In de statuten die hij voor onze neus legde ontwaarde ik meteen al een spelfout, zij het een minieme.
'Moet ik uw boeken kennen?' vroeg hij aan mij, toen hij zag dat ik schrijver was.
'U moet helemaal niets,' antwoordde ik en ik sprak de titel van mijn laatste boek uit.
'Ik zal mijn vader vragen,' beloofde de notaris.
'Die kan wel lezen?'
Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.
Hoe dan ook: Stichting Sehnsucht was opgericht. De champagne kon worden ontkurkt op de (gratis) parkeerplaats.

Eat that frog

In New York kan ik me herinneren was een mecenas, een kapitaalkrachtige dame, die elke twee jaar aan tien kunstenaars in wie zij geloofde ongezien en ongevraagd en zonder enige tegenprestatie te verlangen 25.000 dollar schonk.
Stel dat je op een doordeweekse donderdag je saldo checkt, omdat je een dwangbevel hebt ontvangen wegens achterstallige belastingen, en KLABANG! in plaats van 7.548 zie je staan 17.452. Plezierig.
In Nederland gaat het anders. Gisteravond deed ik mijn eerste serieuze subsidie-aanvraag, van wie niet alleen ik, maar ook een handvol anderen plezier zou gaan hebben. Hieraan gingen weken, dagen, uren van totale ontreddering vooraf. De lijst van eisen waar een aanvrager aan moet voldoen is schier oneindig. En waarom zou een schrijver zich onledig houden met het schrijven van projectplannen, communicatieplannen en aanbiedingsbrieven? Aanvragen is een industrie, weet ik inmiddels en ik hoopte daarom even dat ik het hele zwikje kon overlaten aan een no cure no pay fondsenwerver.
Nope. Misschien als ik Amron Gluurborg heette.
Eat that frog, adviseerde iemand. Een goed advies. Mijn gesprekspartner sinds '83, die ervaring heeft met gratis geld, adviseerde: doe het niet alleen. Ook een goed advies, want zonder de hulp van Nieuwe Vriend P., die zo vriendelijk was met mij mijn aanvraag door te lopen, had ik mezelf gesuïcideerd, en suïcide kan van subsidie de bedoeling niet zijn.

Forthcoming



We hebben er geen woord voor, maar mijn volgende roman, Het dispuut, is toch echt forthcoming. Ligt 17 augustus in de winkel. Midden in de zomervakantie inderdaad, maar midden in de zomervakantie moet men ook wat te lezen hebben.

Ontmaagd

Het verzameld werk van Conny van den Bos is uitgebracht, las ik. Dat feit, die naam en 'Ik geef je een roosje, mijn roosje' voerde mij terug naar 1978, toen ik door Conny werd ontmaagd in de Stadsschouwburg te Eindhoven.
Moeder had het een goed idee gevonden om mij en mijn vriendjes voor mijn elfde verjaardag mee te nemen naar Conny van den Bos. Ik weet niet wat haar bezielde, – dat weet ik nog steeds niet en dat houdt het spannend – maar hoezo zouden elfjarigen zich vermaken bij deze chansonnière?
Conny, gezeten op een barkruk, zette tussen twee liedjes een ernstig gezicht op, en sprak door de microfoon: 'Ik weet dat iemand in de zaal zijn verjaardag viert.'
Stilte.
'Viktor?'
Geroezemoes.
'Viktor, wil je even naar voren komen?'
Nee, toch, dacht ik, het zou toch niet waar zijn? Maar het was wel waar; daar had moeder wel voor gezorgd, want nu gebaarde ze dat ik on-mi-del-lijk naar voren moest komen.
Conny was lief. Ze probeerde een gesprekje aan te knopen, maar uit mij kwam geen geluid. Ik was met stomheid geslagen. En toen gebeurde het: Conny pakte me bij de arm, en gaf me een dikke zoen. Naast mijn mond. De lippenstiftafdruk was enorm.
Mijn leven zou nooit meer hetzelfde zijn.

'Achteraf bekeken zal de mensheid hooguit een rimpeling zijn geweest in de kosmische dataflow.'

Yuval Noah Harari stelt op talrijke manieren, soms dacht ik: al te talrijke manieren, maar toch ook voor mij soms nieuwe, – onverwachts poëtische – manieren, dat de mens hard op weg is overtollig te worden. Homo deus, de titel van zijn boek, getuigt dus van behoorlijk sarcasme, want in het beste geval blijft er in zijn scenario een kleine elite van supermensen over, die voor het Internet van Dingen nog wel enig nut zou kunnen zijn, terwijl het overgrote deel langzaam over de rand wordt geduwd, of gewoon geruisloos naar de achtergrond verdwijnt.
Harari is niet de eerste die dit beweert, maar ik had het argument aanvankelijk als science fiction afgedaan, borrelpraat van futuristen, of op zijn minst een voorspelling die ver, ver weg ligt, te ver om je over druk te maken, maar deze Israëlische historicus toont overtuigend aan dat het proces allang in gang is gezet en waarschijnlijk niet meer valt te stoppen.
Wat dat met je doet, zo'n mantra van 400+ pagina's waarin je telkens opnieuw wordt ingepeperd dat je niets voorstelt, niet eens een kruimel op de rok van het universum, hooguit een algoritme, maar dan een gebrekkig algoritme, terwijl er allang veel betere algoritmes bestaan, is eerst zoiets van: verdomd, als dit waar is, waarom zou ik dan überhaupt mijn nest nog uitkomen, laat staan mijn kindjes met lichte dwang voortduwen op het lange, al te lange pad naar volwassenheid, als een boer een kudde koeien naar het volgende stukje grond (of beter gezegd: het volgende station in de volledig geautomatiseerde melk-productie)?
Vervolgens denk je: oké, er bestaat toch geen vrije wil, we klooien maar wat aan, we zitten onze tijd uit hier. We zijn ruis. Altijd geweest ook. Dit inzicht geeft een bepaalde troost. Maar niet voor lang. Daarna ga je toch weer verlangen, tenminste dat doe ik, naar een idylle ver weg van hier en nu, waar de imperfecte mens nog ongestoord mens mocht zijn, maar maar dat zal wel weer mijn hopeloos romantische inborst wezen.

Stilte

'O, het is bijna zover,' zegt lieftallige terwijl ze onze borden met sushi rangschikt rondom de zitbank, 'dodenherdenking.'
Verdomd. Ik sta op en zet de cd van PJ Harvey op pauze. Andere muziek had misschien nog gekund, John Cage 4'33'' bijvoorbeeld, maar niet To bring you my love.
'Mag je wel eten?' vraag ik me nog hardop af, maar lieftallige heeft het antwoord al gegeven. Ze neemt een sojaboontje uit het kommetje, knijpt het boontje leeg in haar mond, kauwt, legt het lege peultje terug in de kom, pakt haar kopje misosoep, slurpt (niet heel hard maar toch een klein beetje), kauwt op een blokje soja uit die misosoep, slikt een blaadje groente uit dezelfde soep door, zet haar kopje misosoep terug op de rand van de bank, raapt haar eetstokjes van haar bord, grijpt met haar eetstokjes een sushi-rolletje, doopt dat rolletje in een bakje wassabi en sojasaus, en steekt het vervolgens in zijn geheel in haar mond.
De twee minuten zijn voorbij. Ik ga ook eten. De doden zijn dit jaar weer niet herdacht.

Ongelegen

Hoe komt dat plantje hier? Daar weet ik niks van, en in het boek staat ook niks... Ik lag diep te slapen – denk ik, want van dat slapen was ik me niet bewust, alleen van het wakker worden, geloof ik – toen er aangebeld werd. Ik opende mijn ogen. Wie kon dat nou weer zijn? Wie belde op dit onmogelijke uur? Iedereen die mijn dagritme ook maar enigszins kent, die ook maar een heel klein beetje op de hoogte is van mijn status, weet dat ik op dit uur slaap en dus niet gestoord wens te worden. Het was pikdonker in mijn kamer, (hetgeen niet verwonderlijk was, want ik herinnerde me zelf de dikke gordijnen te hebben dichtgetrokken), op een spleet licht na. Ik werkte mezelf uit bed. Gelukkig had ik wat kleren aan. Niet mijn meest representatieve outfit, maar ik verwachtte dan ook niemand. Ik schuifelde naar de deur en opende deze. Er stond een man voor mijn neus die me vaag bekend voorkwam. Hij had twee kinderen bij zich, een ervan droeg een fel gekleurde jas die mijn aandacht trok. 'Dag tante,' zei de man. 'Komen we gelegen?' De vraag stellen was hem ontkennend beantwoorden, maar ik manoeuvreerde mijn gezicht in een beleefde plooi, terwijl ik hen binnenliet. Hij trok meteen de gordijnen open ging thee zetten. De jongen met de felle jas nam plaats in mijn bureaustoel en giechelde om mijn verstrooidheid, wat mij weer deed giechelen. Knipperend met mijn ogen, en voorzichtig proberend met mijn lippen, nipte ik van de hete thee. Ik wou dat ze weggingen, die lui, en dat deden ze eindelijk ook. Hij hielp me terug in bed, sloot de gordijnen en was weer verdwenen.

Stoten

Met mijn gymnasiast stel ik voor te gaan biljarten. Dat lijkt hem wel wat. 'Poolen, toch?' Ja, poolen, verzeker ik hem.
Ik denk terug aan de jaren dat ik biljartte met A. in rokerige café's in de achtergebleven gebieden toen ik zo oud was als mijn zoon nu. Nee, zo treurig als bij Dimitri Verhulst waren die café's niet, maar toch treurig genoeg, hoewel je daar als jonge biljarter weinig van meekrijgt. Dat biljarten was eigenlijk te hoog gegrepen voor pubers als wij. We deden maar wat. Urenlang moeten we om de tafel hebben gelopen in ijdele afwachting an een combinatie.
Het poolen in het poolcentrum gaat me na een stroeve start verrassend goed af. Mijn ballen laten zich maar wat graag in gaten stoten en de witte gaat zelden mee.
Mijn gymnasiast heeft minder ervaring, zijn keu beweegt nog wat stroef, maar ik weet niet of hij op mijn adviezen zit te wachten.

'Alleen glijhoudingen toegestaan die zijn gecomminiceerd.'

Maandagochtend in het De Mirandabad. Dit zijn niet mijn favoriete coördinaten, maar verzin maar eens betere voor een zevenjarige met vakantie. Alleen al de opwinding vooraf – we gaan zwemmen en we mogen de driejarige er niets over vertellen anders wil ze mee – is... ontroerend. Bij aankomst blijkt alles weer eens mede te vallen. De zevenjarige vindt zelf zijn weg in het nog vrijwel lege zwembad; ik mag van hem op een plastic terrasstoel een boek lezen. Om niet helemaal een afwezige vader te zijn, gaan we samen de familie-glijbaan af, een brede la die steil maar niet te steil, een halve meter of wat boven het bassin eindigt. Op een bord lees ik: 'Alleen glijhoudingen toegestaan die zijn gecomminiceerd.' De glijhouding waarbij de vader op de buik met de kop naar beneden naar beneden glijdt is niet toegestaan (want niet gecomminiceerd). 'Dat mag niet, pap,' wijst mijn zevenjarige mij terecht, maar de toeziend badmeesteres, die in een Russisch kuuroord niet zou misstaan, heeft denkelijk nog geen zin om in te grijpen.

Bericht van de cramping I: 'Je weet dat je fout zit.'

We hebben een nieuw plekje op de cramping. Dat plekje is kleiner, maar, zo leg ik uit aan belangstellenden, het biedt meer privacy. Verlangen naar privacy op de cramping is zoiets als verlangen naar de Noordpool in de tropen, maar je moet wat. Het probleem met je plekje afbakenen middels manshoge hekken, is dat de privacy weliswaar toeneemt, maar de vijandigheid ook. Dus onze nieuwe buurvrouw had al een opmerking over ons hek gemaakt – met een tamelijk goed argument bovendien: 'Als je dat hek weghaalt hebben we allebei een halve meter meer grond.'
Bij de pingpong-tafel had ik alweer mijn eerste woordenwisseling te pakken, nadat ik de aldaar pongende kindjes, na een poosje te hebben gewacht, vriendelijk had verzocht of ik even met mijn mijn zevenjarige een paar ballen mocht slaan. Dat mocht. Een ongeschoren figuur, die net met een pakje sigaretten aan kwam sloffen, sprak er op luide toon zijn afkeuring over uit. 'Jij jaagt gewoon die kinderen weg, man! Dat kan toch niet! En je wéét dat je fout zit. O, o, o.' Gelukkig kreeg hij de aanwezige afwassers niet mee in zijn verontwaardiging. Wordt nog een leuk seizoen, dit.

Vierde werkdag



De oud-bibliothecaresse zat bij de kachel toen ik binnenkwam en keek tisie – dat had ik haar nog niet eerder zien doen.
'Ik wist niet dat je een televisie had,' zei ik, nadat ik voor ons beiden een straf bakje koffie had gezet.
'Ja hoor. Jij niet, dan?'
Ze begon de Volkskrant die ik van beneden had meegenomen grondig te lezen, terwijl de tisie doorkwebbelde. Op de achtergrond suisde ook nog een oeroude radio.
Ik vertrok naar de zolder om te werken.
Toen ik aldaar uit verveling een ladder beklom naar de bergruimte, stuitte ik op een tweede druk van Mandarijnen op zwavelzuur. Uitgegeven door mijn uitgever! Ik begreep niet goed wat dat boek daar deed, want de boekenkasten waren beneden. Misschien had een van de opruimers/verzorgers/ gedacht: dat is misschien wat waard.
Beneden bij de oud-bibliothecaresse mocht ik een biertje uit de ijskast nemen en de tisie uitzetten. Ik las een stukje. Ik had me op dit boek verheugd, maar eigenlijk is het onleesbaar. Misschien zijn er nog wat geniale citaten uit te destilleren, maar het hele ding van voren af aan lezen is een straf, en niet alleen omdat het gedateerd is. Onwillekeurig vraag je je af waarom Hermans, die kennelijk zo weinig op had met de Nederlandse literatuur, er een heel cahier over vol typte. De collages zijn eigenlijk nog het leukst.
Ik zette me achter de piano en pingelde een stukje. Het viel nog niet mee om de vastzittende toetsen te negeren. 'Je hebt een mooi touché,' zei de oud-bibliothecaresse.

Brullen

De koning en ik zijn even oud. Al jaren, eigenlijk. Maar nu zijn we eindelijk geleveld. We waren lang geleden al eens bijna geleveld, toen we beiden op het punt stonden – hij iets meer dan ik –, om naar het Atlantic College te gaan. Hij ging. Ik bleef thuis. De rest is geschiedenis.
Maar nu is hij tragisch geworden (ik was het al). Een tragische held? Dat moet nog blijken, maar tragisch in elk geval.
De koning, vertelde de buurvrouw geïmpressioneerd, heeft in zijn interview 'twee keer bijna gehuild'. Jammer van dat bijna. Hij had moeten brullen, de koning. Hij had zijn hele hofhouding, met zijn moeder (de tragische prinses) erbij, en zijn vrouw (ook een klein beetje tragisch) en dochters, bij elkaar moeten brullen. Het hele land. Dat was op zijn plaats geweest. Het volk apprecieert zoiets; we leven in een emo-cratie. Als Obama een paar camera-ready tranen kan plengen om gun violence,  dan moet onze koning – mijn koning – er toch toe in staat zijn te brullen om Nederland, om de wereld, om alles?
Ik adviseer hem in deze gaarne.

'Verveeld'

We wilden met zijn tweeën weg. Eerst dachten we Antwerpen. Dat bleek vol te zitten. Toen werd het Gent. Maar op weg naar Gent dachten we waarom niet Maastricht? Minder ver, meer stad, en wat zou het, als je in bad zit? In Maastricht aangekomen stuitten we op 'hippe tentjes', en vonden we ook nog een 'heel leuk hotelletje' tegen een 'alleszins redelijke prijs' – met bad. Maar 's avonds, in een – alweer 'bijzonder sfeervol eetcafé' – aan het eind van de met asperges overladen dis, vroeg lieftallige ineens: 'Verveel je je?'
Ik: 'Hoezo?'
Zij: 'Je kijkt zo verveeld. Je doet zo verveeld. Je zit er zo verveeld bij.'
Ik: 'Hoezo? Ik zit gewoon een beetje uit te buiken.' Nu was het wel waar, dat ik nogal onderuitgezakt in mijn stoel hing, met een stukje plastic speelde, en al een tijdje niets gezegd had. Maar als ik zwijg, is dat wel zo rustig. Ook voor mezelf, trouwens.
Zij: 'Je bent snel verveeld.'
Ik: 'Dat wel, geloof ik. Maar jij bent ongeduldig. Misschien komt het op hetzelfde neer.'
In die argumentatie wenste zij niet mee te gaan. Ze was ervan overtuigd dat ik was verveeld, dus de avond was verpest. Daar veranderde ook een wandelingetje langs de Maas niets meer aan.
De volgende ochtend bij de koffie op het 'mooiste terras van Nederland' was alles weer koek en ei, en dat kon ook moeilijk anders.

Cougar

'Wat vind je van die Franse verkiezingen?' vraag ik aan mijn moeder over de telefoon. Zij moet er toch een mening over hebben, zou je denken, als francofiel en soort van française. Maar wat moet je ervan denken? Die Macron had nog nooit iemand van gehoord, en Marine le Pen en haar Front wil je liefst zo snel mogelijk vergeten, als een slechte ervaring bij een goed restaurant.
Ik weet ook niks over Macron, behalve dat hij een econoom is, noch links noch rechts is (hetgeen me een sine qua non lijkt voor een econoom), en een vrouw heeft die twintig jaar ouder is – maak daarvan vijfentwintig jaar. Hij is 39, zij 64.
'O, dat lijkt me ook wel wat,' zegt mijn moeder, 'zo'n veel jongere geliefde. Dat houd je scherp. Nu zit ik in de mantelzorg.'
'Ja, als je cougar was geweest,' kan ik niet nalaten tegen te werpen, 'zat je geliefde in de mantelzorg. Vroeg of laat zit de een of de ander in de mantelzorg.'


Project Kansloos

'De doden hebben het goed voor mekaar,' verzuchtte ik.
'Hoezo dat dan?' wilde lieftallige weten.
'Die hoeven niet te leven.'
Reden voor mijn moedeloosheid was het project dat ik onderhanden had genomen: het vervangen van de vertiefte spiegeldeurtjes van het badkamerkastje. Het demonteren was tot daaraan toe, maar toen ik al te voortvarend met mijn zojuist aangeschafte glassnijder te keer ging in het door mijn schoonouders royaal ter beschikking gestelde spiegelglas, ging de boel aan diggelen. Symbolisch?
Kan wezen, maar ik moest naar de Jamma voor nieuwe spiegels. Thuis maakte ik met een glasboor (waarvan ik het bestaan tot dan toe niet afwist, maar ik het met terugwerkende kracht wel kon vermoeden) een gaatje van 5 mm voor het kastdeurknopje.
Pang! daar barstte de spiegel van het linkerdeurtje, die ik tot mijn eigen verbazing zo mooi op maat had weten te snijden. Ik vloek niet vaak, maar hier was het terecht. Ik besloot de Jamma te ontwijken, en deze barst te accepteren. (Leven is barsten accepteren.) Ik begon de barst zelfs charmant te vinden, jeugdig, inspirerend.
Een nieuwe vloekpartij galmde door de badkamer toen bij de montage bleek dat ik een van de deurknopjes diametraal verkeerd had gesitueerd: rechtsboven in plaats van linksonder.
Dit foutieve, nutteloze kastdeurknopje zou de gebruiker van de spiegel steeds opnieuw herinneren aan de onhandigheid van de monteur.
Soit!
Pas toen de spiegel van het andere deurtje ook barstte tijdens het, tot nieuwe vloekpartijen aanleiding gevende vastschroeven, kon niet langer van een doe het zelf klus, maar alleen nog van een not so ready made kunstwerk worden gesproken.
De vraag die mij alleen nog bezighield was hoeveel stomende douchebeurten de lijm aan zou kunnen, waarmee de spiegels aan de deurtjes waren bevestigd. De tijd gaf hier uitkomst.
'Dit  k a n  jij gewoon niet!' luidde het lieftallige commentaar toen ik haar had uitgenodigd een kijkje te komen nemen. 'Dat is niet erg, maar  d o e  het dan ook niet!'



Bestelling

Als schrijver kom ik graag bij de mensen thuis. Een bestelling van DVEP via mijn webshop bracht me naar Eyckestein, Amstelveen – 38 minuten fietsen. Googlemaps stuurde me dwars door het Amsterdamse Bos; ik ontdekte delen, waar je je nog helemaal alleen kan wanen. (Niet iedereen is daarnaar op zoek.) Ik fantaseerde over de vrouw die mijn boek had besteld – woonde ze in een villa? Had ze kleren aan? – de wedergeboorte, kortom, van Eduard P. Restante. Alsof de duivel ermee speelde bereikte ik mijn doel, een vreugdeloos flatgebouw, tegelijk met de postbezorger van dienst. Ik zei niks. Hij had oortjes. Tijdens de lift naar boven dacht ik: ze trekt me naar binnen en slaat me dood met een tosti-ijzer. Of ze dwingt me mijn boek voor te lezen en elke voorgelezen bladzijde op te eten. Maar niets van dat alles. Ik kreeg cola, zij rookte een sigaret. Mijn aandacht werd getrokken door een stoffige sanseveria in de vensterbank, met roze punten.

Dialoog

Sport verbroedert, hoewel slechts ten dele en op onvermoede manieren. Vanochtend zat ik op een bank in de zon op de voetbalclub naast de vader van, zo bleek, de topscorer van de tegenpartij van mijn zevenjarige. De man droeg een casual jasje, had een pleister om zijn vinger en een soul patch onder zijn onderlip. Als u hieruit afleidt dat hij een Nederlander is met een migratie-achtergrond, dan heeft u goed gegokt. Ik gokte verkeerd door een gesprek aan te knopen met: 'En, voor Erdogan gestemd?'
'Ik ben van Marokkaanse afkomst,' antwoordde de man, terwijl hij ging staan om het eerste doelpunt van zijn zoon te bejubelen.
Ik putte me uit in excuses over mijn blunder, maar hij wuifde die weg, en begon aan een mini-college over het Ottomaanse rijk, dat damals strekte tot aan Marokko, en daarna over het Moorse rijk, dat zo'n beetje de hele Maghreb besloeg en nog tot in de middeleeuwen de baas mocht spelen over de Spanjaarden. 'Daaruit is het huidige Marokko ontstaan,' vatte hij vergenoegd samen.
Stiekem hoopte ik dat hij geen moslim was. Maar hij was wel moslim, zij het een verlicht moslim, werd hij niet moe uit te leggen.
Ik wilde hem geloven.
'Bent u christen?' vroeg hij mij. Ik antwoordde dat het weinig zin had te ontkennen dat ik dat was, dat de vraag of ik wel of niet gelovig ben, er nauwelijks toe doet, omdat ik de normen en waarden van de christelijke cultuur alleen al door mijn opvoeding heb geïnternaliseerd. Dat antwoord beviel hem.
Toen zijn zoon drie keer had gescoord, en zijn team onverslaanbaar bleek, stond hij op en zei: 'Mooi, nu kan ik koffie halen.' Hij bood niet aan ook voor mij te halen. Ik vroeg me af of dit een kwestie was van opvoeding, cultuur, karakter of toeval.

Derde werkdag

Mijn derde werkdag op de zolderkamer verliep rimpelloos, als je de verrassingsbezoekjes van zich half verontschuldigende makelaars met potentiële kopers voor het onderhavige investeringsobject niet meetelt.
'Ik ga er niet uit hoor, ik blijf hier wonen!' zei de oud-bibliothecaresse hoofdschuddend.
Vannacht had ze mijn boek uitgelezen, vertelde ze me met grote ogen. 'Heel goed. Heel interessant. Heel amusant.' Ik was gestreeld door het compliment, maar nog meer door het idee dat ik haar slapeloosheid iets dragelijker had gemaakt.
We maakten een wandelingetje. Toen we langs het terras kwamen van Het bruine paard, waar bier werd gedronken, stelde ze voor even te gaan zitten.
'Wil je ook een biertje?' vroeg ik.
'Ja,' antwoordde ze. 'Dat ben ik al de hele tijd van plan.'
Ik bestelde twee bier, ook al wist ik dat haar mentor haar eigenlijk op advies van de huisarts geheel nuchter wil houden. Ik zag verzachtende omstandigheden. Ze genoot ervan, vanonder de fleece-deken die ik over haar heen had gedrapeerd.
'Kijk, Bas Heijne,' zei ik, wijzend op de publicist, die druk pratend voorbij kwam. 'Ach, die heb ik nou nog nooit gezien,' zei de oud-bibliothecaresse. Wat ze ook nog nooit had gezien: zes toeristen die langs zeilden op Segway's. Dat was een nog groter spektakel. 'Nu kun je sterven,' schertste ik, maar misschien was dat teveel scherts.
Thuis warmde ze zich bij de kachel. Haar mentor kwam binnen en maakte koffie. Ik zei dat we stout waren geweest en bier hadden gedronken. De mentor nam het sportief op.
'Jij bent toch nooit getrouwd omdat je geen kinderen wilde?' vroeg de mentor, toen de oud-bibliothecaresse haar sigaretje had gerold.
'Nee.' Ze wees op een kleine, versleten teddybeer in zijn eigen schommelstoeltje naast de kachel. 'Dat is Beerie. Man en kind ineen.'

Ik wachtte op mijn vernedering, maar die bleek mee te vallen.

Hangende mijn sollicitatie bij de pojisie ben ik mijn licht gaan opsteken bij Uber, want ik heb inderdaad altijd al gedroomd van een bestaan als taxichauffeur. Die droom werd enigszins bevuild door krantenberichten over Ubers die zich als snorders gedragen op Schiphol om extra ritjes bij elkaar te harken, maar voor de rest wilde ik maar wat graag deelnemen in de brave nieuwe wereld die Travis Kalanick voor ons, freelancers in de gig-economie, bezig is te creëren.
Je downloadt een appje voor chauffeurs en KLABANG! de afspraak voor de 'informatie-bijeenkomst' is gemaakt. Onwillekeurig of niet zo onwillekeurig moest ik terugdenken aan de groepssollicitatie bij PostNL waarover ik schreef in mijn dagboek.
Ik liep de receptie binnen van het bedrijfsverzamelgebouw aan de Vijzelstraat en vroeg naar Uber. Vierde verdieping wist een dame. Ik naar de vierde. Daar kreeg ik van weer een dame te horen: 'Informatiebijeenkomst? Derde.' Ik naar de derde. Ik betrad een frisse ruimte met een groot UBER-logo waar de radio hard aanstond op een populaire zender, en, opmerkelijker wellicht, een half dozijn personen die mijn kinderen (kleinkinderen bijna) hadden kunnen zijn, zitten op idioot hoge bureaustoelen achter, u raadt het al, idioot hoge bureau's, met daarop idioot grote Apple-beeldschermen. Ik wachtte op mijn vernedering, maar die bleek mee te vallen. Ik mocht meekomen naar een klein kamertje. Daar kreeg ik alleszins redelijke en interessante informatie. Uberen blijkt bij drukte €30 en bij luwte €25 per uur op te kunnen opleveren. De catch? Uber verlangt dat ik 2 mille investeer in mijn chauffeursdroom, en ik heb geen 2 mille.

Kijkdoos

Hoewel ik van plan was mijn kinderen categorisch de toegang te ontzeggen tot mijn werktempel in de tuin, moet ik mijn zevenjarige wel binnenlaten omdat hij een doos bij zich heeft, een hele grote doos, een doos voor mij, roept hij, pappa.
Ik doe de deur open en laat hem binnen.
De doos, groot genoeg om een keukenmachine in te verpakken, is een kijkdoos, legt hij uit. Op de tuintafel nodigt hij me uit een kijkje te nemen door het kijkgat in de bovenkant. Dit is nieuw voor mij, ik kom nog uit de tijd dat kijkdozen een kijkgat van voren hadden, maar goed, dat is bijzaak. Ik kijk naar binnen en zie een poppetje bungelen aan wat toch onmiskenbaar een touw is, boven iets wat op een soort vuur lijkt.
'Ben ik dat?' vraag ik.
'Da's een skalet!' roept hij. Geen antwoord op de vraag, maar ik laat de kwestie rusten.
Uit zichzelf somt hij de klasgenootjes op, met wie hij de kijkdoos gemaakt heeft. Maar de ophanging was van hem.

Afscheid van Haarlem

Op mijn laatste dag in Haarlem passeer ik voor de Hema een kalende man in een regenjas die een boekje op de grond laat vallen. Ik raap het op. Het boekje heeft een gele kaft en op die kaft staat 'Het marktplaatsmeisje'. Ik overhandig het boekje aan de Haarlemmer, die me wat besmuikt, of moet ik zeggen beschaamd, toeknikt.
Als u nu denkt, is dat alles, dan kan ik u verzekeren van niet. Want er is ook nog een 'gevonden fiets'. Dit moet ik uitleggen. Op mijn eerste dag in Haarlem vond ik voor de deur van mijn pied à terre een fiets met 21 versnellingen. Dat leken mij 21 versnellingen teveel, maar hij stond niet op slot. Dit vatte ik op als een teken van de God van Haarlem. Ik stalde hem op het balkon. Gisteren maak ik dan eindelijk een rondje. Blijkt het zadel los te zitten, de rem nauwelijks te werken en de ketting te ratelen. Ik besluit de fiets terug te schenken aan Haarlem.
Daarna volgt het Echte Afscheid, te weten het stofzuigen van het appartement en het aanschaffen ener attentie voor de vriendelijke eigenares. Eerst denk ik: stofzuigen? Hoeveel kruimels verspreidt een eenling? Maar er blijkt wel degelijk wat te zuigen, en omdat ik daarmee te vroeg begin, blijf ik aan de gang, omdat ik telkens nieuwe kruimels maak. Tenslotte de attentie. Voor mij is dit appartement priceless, zoals dat heet, maar voor de eigenares waren de kosten van mijn verblijf te overzien. Wat te doneren? Ik kies voor een fles tawny port, met name vanwege dat woord, tawny. Zo voel ik me ook.

Gebruikte postzegel

In een verhaal van Tsjechov getiteld Een ambtenaarsexamen moet een postbode voor zijn promotie tot 'college registrator' een examen afleggen in allerlei vakken, maar met name in de Wetenschap der postboden, namelijk aardrijkskunde. Maar de aardrijkskundeleraar, Galkin, heeft de pik op hem, weet de postbode zeker, omdat hij hem een keer zijn plaats wees in het postkantoor.
Op zich een weinig opzienbarend negentiende eeuws verhaal, behalve dan die heerlijke toevoegingen, zoals dat Galkin, toen hij dronken was, met zijn biljartkeu uit het raam hing van een café en naar de postbode riep: 'Kijk eens heren naar die gebruikte postzegel, daar gaat-ie.'
Ook geestig is het aardrijkskunde-examen zelf, waarvoor hij dus zogenaamd moet zakken. Eerste vraag: 'Wat voor regering is er in Turkije?' Antwoord van de postbode: 'Een Turkse.' (Fout. Moet zijn: 'een constitutionele'. ) Tweede vraag: 'Welke bijrivieren heeft de Ganges?' Antwoord: 'De Ganges, dat is een rivier ergens in India, die uitmondt in de oceaan...' 'Dat vraag ik u niet. Welke bijrivieren heeft de Ganges?' Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Natuurlijk zet de postbode het op een huilen: dit kunnen ze hem niet aandoen, hij gaat bijna met pensioen, hij heeft de speciale pet voor de gepensioneerde al besteld... En hij zakt ook niet voor zijn examen, omdat het louter een formaliteit is. Tsjechov is genadeloos voor zijn personages, maar nooit onnodig cru.

Gijzeling

'We gijzelen elkaar,' liet ik mij ontvallen, tijdens het Paasweekend. Dit was geen gezellige opmerking, maar hij was wel waar.
'Hoezo?' vroeg lieftallige. 'Wie gijzelt jou dan?'
'De kinderen. Jij.'
Dat ik door de kinderen werd gegijzeld was evident. Als de een niet op mijn krant sprong en mijn kin haar richting op trok, ging de ander wel aan mijn nek hangen of greep me in mijn kruis. Vaak, gebiedt de eerlijkheid me te zeggen, vroeg ik er ook om.
De gijzeling door de echtgenote geschiedde subtieler, maar had daarom niet minder effect.
Misschien is dat wel de definitie van liefhebben: gijzelen. Wie niet gegijzeld wordt, is waarschijnlijk niet geliefd. En wie niet gijzelt, heeft waarschijnlijk niet lief. Maar vermoeiend is het wel.

Tweede werkdag



Niet zomaar naar binnenstormen, na het kloppen even wachten, anders schrikt de oud-bibliothecaresse zich een ongeluk, luidt de instructie, en geef haar de tijd om naar de deur te komen, dus dat doe ik. Maar er gebeurt niks en ik hoor niks, dus ik open de deur. Een lege stoel bij de kachel. Is ‘mevrouw’ op pad, even naar buiten? Onwaarschijnlijk. Ik zie een onaangeroerde kop koffie op tafel staan en een gepeld, hardgekookt ei ernaast, op een schoteltje. De koffie is nog warm. Ik voel me een inbreker, daarna een privé detective. Maar na een tijdje komt de mantelzorger in mij naar boven. Is mevrouw, eh… dood? schiet het door me heen, maar ook dat is onwaarschijnlijk. Waarschijnlijker is, mede gezien de kwalijke geuren die ik bespeur, dat ze op de WC zit. Maar het waarschijnlijkst is dat ze in bed ligt, ook al is het in de middag. Ik bel de mentor en vraag wat ik moet doen. ‘Gewoon aankloppen op de slaapkamerdeur en jezelf aankondigen,’ antwoordt deze. Als ik dit doe, klinkt een zacht ‘ja’. Ik open de deur. Mevrouw ligt inderdaad in bed, de gordijnen dicht, met een lamp aan. Ze lijkt begraven onder de spullen. ‘Weet u nog wie ik ben?’ ‘Ja,’ antwoordt ze, glimlachend, meen ik, ‘die man met die hoed.’ Ik kan weer naar huis, mijn werk voor vandaag zit erop.

Stichting

Gisteren een stichting opgericht. Dat moest, ik kwam er niet meer onderuit. Ik had al veel eerder een stichting moeten oprichten, maar het kwam er niet van, en om eerlijk te zijn zag ik er tegenop. Wat moet een mens met een stichting. En ik ken bijvoorbeeld geen notarissen. Ik ken veel advocaten, te veel advocaten zelfs, maar notarissen – nee. Dus wat doe je dan? Dan kijk je op 't interweb en voordat je het weet zit je te chatten met Fenna bij Ligo die je vragen stelt als: 'Ben je van plan incidenteel werknemers uit te lenen?' Ik bedacht een gewichtige naam voor mijn stichting, maakte €422 (€349 + BTW) over en  K L A B A N G !  mijn stichting was in oprichting en binnen twee dagen zou ik worden gebeld door... een notaris in de Bijlmer, die de boel gaat 'passeren'. Het gedeelte waar ik trouwens het meest tegenop zag bleek achteraf het makkelijkst: de samenstelling van het bestuur. Dit kostte me 2 telefoontjes en 1 appje. Toen ik zo soepeltjes mijn stichtingsbestuur bij elkaar had, begon ik me in ernst af te vragen of de door mij benaderde personen het wellicht  l e u k  vonden om in mijn bestuur zitting te nemen, en, in het verlengde daarvan, of ik het wellicht l e u k  vond om een stichting te hebben. Ik vrees het.

'Visioenen achter de ogen'



Tijdens mijn ochtendwandeling rond de Grote Markt – men was druk bezig een kermisje op te zetten – stuitte ik onverwachts, maar niet helemaal, want zolang ik in Haarlem zit te schrijven moet ik af en toe aan hem denken, op een buste van Mulisch. Een bronzen gezicht eigenlijk meer, van een jonge Mulisch, die zich, met de ogen dicht, aan de zon lijkt te warmen. Geen slecht beeld. Hooguit een beetje klein, in vergelijking tot dat andere bronzen beeldhouwwerk op de Grote Markt, dat nergens op lijkt en de immense Bavo-kerk. Maar de beeldhouwster, Jikke van Loon, had het ook nodig gevonden haar poëzie in de zijkant van de zuil te bikken, en dat deed pijn. Iemand had haar moeten tegenhouden. Mulisch kon dat zelf niet, anders had hij het zeker gedaan.

Tegenspraak

Bij het afscheid van de gezins- en relatietherapeut – men kan in dit leven denkelijk niet genoeg therapie ontvangen – krijg ik, toch nog, een compliment. Voor mijn hoed. 'Heeft ie van z'n moeder gekregen,' zegt mijn vrouw. Ik knik. 'Over mijn moeder geen klachten,' flap ik er Freudiaans uit.
Die avond tijg ik naar Haarlem om op mijn geheime pied à terre een brief van mijn moeder te gaan oppikken die ze iets te voortvarend naar dat adres heeft gestuurd. Het is een mooie, ontroerende brief, die bovendien is voorzien van een zelfgemaakte tekening, dus daar ben ik blij mede. Maar ze had me die avond ook een mail geschreven, waarin ze me aanraadde om na mijn volgende roman, die in augustus uitkomt (en waarover later hopelijk meer), mijn schrijverette 'op een lager pitje' te zetten. Ik reageerde als een wesp gestoken. 'Lieve moeder, je kunt er van op aan dat ik, ook na mijn volgende roman, met volle kracht vooruit zal pogen te gaan in de Litteratuur, want daarvoor ben ik, of je het leuk vindt of niet, nu eenmaal in de wieg gelegd. Zoals ik altijd zeg tegen mijn vrouw w.b. de muizen in de keuken: live with it.' Nu denk ik: ik had haar gelijk moeten geven. Mensen van een bepaalde leeftijd moet je niet meer tegen willen spreken, en al helemaal je moeder niet.