Groningen

'Niemand steekt een lamp aan en bedekt die met een vat of zet haar onder een bed, maar hij zet haar op een standaard opdat wie binnentreden het licht mogen zien,' las ik op een willekeurig opengeslagen pagina van de hotelbijbel die ik, enigszins tot mijn verrassing, aantrof in het University Hotel, waar ik mocht overnachten van lieve literair dispuut Flanor, dat mij had uitgenodigd voor een lezing. De gratis verstrekte oordopjes op het hotelkamerbureautje verontrustten mij enigszins, maar het was pas zes uur, we zouden wel zien hoeveel overlast deze studentenstad mij ging bezorgen.
Voor het Javaans Eetcafé werd ik opgewacht door het lieve bestuur: vier prachtige studenten in de bloei van hun leven, en nog geïnteresseerd in literatuur ook – waar heb ik dit allemaal aan verdiend? Gelezen hadden ze mijn roman nog geen van allen, hoewel sommigen er in waren begonnen, maar dat was bijzaak.
'Wat doe ik hier eigenlijk, op deze planeet, of waar dan ook?' vroeg ik me af terwijl ik de Vegetarische Rijstschotel die ieder van ons had besteld naar binnen schoof, maar dat vraag ik me wel vaker af.
Spoorslags naar de Graanrepubliek, die op vijf minuten lopen bleek te liggen. Het met boeken bepakte, lieve bovenzaaltje vulde zich allengs met studenten/leden van Flanor, plus twee mystery guests. Een meisje vroeg of iemand trek had in een pannenkoek. Ik heb vaak trek in een pannenkoek, maar niet net na een rijstschotel, al was het een vegetarische.
'Hallo allemaal, nice dat jullie zijn gekomen,' sprak de voorzitter van Flanor, een lieve kunstgeschiedenisstudente, die ik wel mee naar huis had willen nemen, opgeruimd. 'En dan geef ik nu het woord aan Viktor.'
Ik had last van zenuwen, maar het waren goede zenuwen. Iedereen luisterde aandachtig naar het hoofdstuk De vergadering, waarin een sfeer wordt geschreven die niet verder af kon staan van de sfeer die thans in dit bovenzaaltje hing. Een niet-lieve sfeer, zou je kunnen zeggen.
Tijdens de discussie over de vernederingscultus van het corps bekende een blond meisje met springerige wenkbrauwen dat ze in therapie moest na een jaar lid te zijn geweest Vindicat.
'Ik moest ook in therapie,' zei ik, begripvol. Om er onmiddellijk aan toe te voegen: 'Het kan nooit kwaad om in therapie te gaan.'
Rond middernacht verheugde ik me op mijn University Hotel. Onderweg erheen stuitte ik op twee overlastgevende studentenhuizen, alsmede een groepje brallende studenten. Hun gedrag maakte dat ik mij enigszins ongemakkelijk voelde in mijn witte pak en mid life strohoed. Maar het 'Hé, kankerhomo, waar ga je naar toe?' bleef uit en ook de oordoppen konden in de verpakking blijven.

Zout is the least of my problems.

Eerst op mijn knieën in het natte zand. Daarna zitten op mijn voeten. Toen draaide ik me om en en zakte met mijn kont in het water. Het golfje dat van achter kwam en mijn lendenen omspoelde verraste me toch nog, hoewel ik het hoorde aankomen. Ik was voldoende gewend, meende ik, om het water in te lopen en nam een duik. Terwijl ik slagen maakte door de kalme nazomerzee, stelde ik me twee dingen voor. Het eerste was dat ik een hartaanval zou krijgen. Ik had er de leeftijd voor, en sommige harten, wellicht ook het mijne, hielden helemaal niet van kou; zo van: als je zo begint, hoeft het voor mij niet meer. Het tweede was dat ik me voorstelde dat ik een ocean swimmer was, en dat ik op weg was naar Dover, Bristol, of Newcastle of nog veel verder, zoals die ene vrouw, ik ben haar naam kwijt, die de Atlantische oceaan overzwom. Vreselijk. Was ik al lang genoeg in het water geweest om zonder gezichtsverlies terug te kunnen keren naar het droge? Ik vond van wel. Een meisje in een bikini stond te springen in het water, alsof ze in conversatie was met de golfjes. 'Zout, hè?' zei ze, toen ik boven water kwam. Ik knikte en dacht: zout is the least of my problems. Terwijl ik me uit het water hees, werd ik me bewust van mijn doorweekte herenslip. Waarom niet naakt gaan zwemmen? Ik heb niets tegen naaktzwemmen, zou het zelfs overal willen propageren, maar sommigen in mijn gevolg gaan gebukt onder plaatsvervangende schaamte. En waarom ook zo nodig op willen vallen? Opvallen of niet opvallen, dat is de vraag – niet dat ik dacht dat mijn mannelijkheid na kennis te hebben gemaakt met deze zee nog heel veel aanstoot zou geven.

Geheim paadje



'Toen jij zo oud was als ik,' zei ik tegen mijn vader, op een schaduwrijk bankje in het park, 'woonde jij ruim tien jaar in een kast van een huis dat je zelf had laten bouwen; je oudste twee zonen waren net op kamers en je had een zeilboot en een huisje in Frankrijk.'
Mijn vader wist niet wat hij daarop moest zeggen. Misschien viel er niets op te zeggen, het was meer een besef van mijn kant dan een uitnodiging tot commentaar.
Een bezoek aan mijn ouders is een bezoek aan de geschiedenis. Mijn moeder tovert schriftjes tevoorschijn van het gymnasium met opstellen van haarzelf ("slordig!" staat in de kantlijn) en van háár moeder, die niet alleen over een voorbeeldig handschrift bleek te beschikken, maar ook over een niet onaardige pen. (Ze putte inspiratie uit de praktijk van haar vader, een apotheker uit Groningen die huisarts werd in Eindhoven).
Ik beland in mijn eigen geschiedenis als ik min of meer toevallig mijn geheime paadje neem naar school. Het voert dwars door de bosjes, over een weg die geen snelweg is maar er erg op lijkt, bijvoorbeeld te oordelen naar de snelheid der automobilisten, linea recta naar het Lorentz Lyceum (thans Lorentz Casimir).
Het stille, lege schoolgebouw doemt op aan de overzijde van de Celebeslaan. Altijd opwindend om op een lieu de mémoire te stuiten waar je voor het eerst verliefd werd en probeerde iemand te zijn of te worden. Maar wat doet die waterpoel daar rechts? Van die poel kan ik me niets herinneren.
'Moet je je voorstellen,' zegt mijn moeder, 'wat voor angst ik uitsloeg als jij dat geheime paadje naar school nam vroeger!'
Zijnde vader van drie schoolgaande kinderen kan ik me daar inmiddels wel iets bij voorstellen.

Zestiende werkdag

De oud-bibliothecaresse zat op de bank met haar jas aan voor zich uit te staren. Radio4 sijpelde uit de vooroorlogse radio op de kast. Ze was blij me weer te zien. Het gevoelen was wederzijds. Nadat ik haar een kus had gegeven voor haar 86ste verjaardag, die vorig week plaatsgreep, liep ik door naar de keuken om koffie te zetten en pannenkoeken te bakken (lees: ouwe zemen op te warmen) in een steelpan zonder steel.
'Ik heb je boek uit,' riep ze vanaf de bank.
'En?'
'Een gruwelijk verhaal. Wat er gebeurt met die Mulder!'
'Je bent de eerste die dat zegt. En je hebt ook gelijk.'
'Is het waargebeurd?'
'Nee, maar ik beschouw het als een compliment dat je dat denkt. Wat wil je op je pannenkoek?'
'Niks.'
In twee stokoude, versleten kandelaars op tafel, viel me op, waren gloednieuwe kaarsen gestoken. Cadeau voor haar verjaardag, die kaarsen, van wie wist ze niet meer. Die kandelaars waren nog van haar moeder geweest.
Ik probeerde de kaarsen aan te steken, zonder succes.
'Er zit geen pit in,' zei ze, kauwend op haar pannenkoek.
Ik terug naar de keuken om de pit die er toch wel in bleek te zitten uit te graven met een mes.
Niet veel later stonden de kaarsen fel en vurig te branden alsof dat was wat ze het liefste deden.
'Willem vindt dit vast niet goed,' zei de oud-bibliothecaresse.
Ik wist dat ze eens een bijna-brand had veroorzaakt met de gaskachel en om die reden niet meer op gas mocht koken en geen vuur mocht hebben en dus eigenlijk ook niet meer mocht roken, en overwoog nu dat de pit in die kaarsen misschien opzettelijk was weggeknipt door Willem of een andere bezorgde verzorger.
'Leuk om naar te kijken toch?' vroeg ik naar de bekende weg. Wie in een goede bui is, zoekt geen informatie, maar bevestiging. Zij was ook in een goede bui.
'Doet me denken aan kerst,' mijmerde ze. 'Vroeger bij ons thuis.'
'Goede herinneringen?'
'Nee! Mijn broer wist niet hoe snel hij alle kaarsen moest doven tussen zijn vingertoppen. Alleen maar om te laten zien dat hij het kon, met speeksel.'
Ik laat ze nog maar even aan.

Kopkluiven



Een schrijver die is kopgekloven door Propria Cures kan drie, eigenlijk vier dingen doen. Hij kan gaan uithuilen bij zijn moeder. Hij kan een brandbom naar binnen gooien bij de PC-redactie (pas op voor de Groene!) en gaan uithuilen bij zijn moeder. Natuurlijk kan hij ook bij zichzelf een brandbom naar binnen gooien, gaan uithuilen bij de Groene en net doen alsof er niets gebeurd is. Maar er is nog een mogelijkheid. Een schrijver die is kopgekloven door Propria Cures kan in de spiegel kijken en zich afvragen of zijn haar nog goed zit. Als het antwoord luidt: ja, toch wel, op een bepaalde manier, dan kan het zijn dat het kopkluiven pretty-pretty onvoltooid is gebleven, dat de schedel nog aan een draadje hangt, dat de neocortex onbeschadigd is en dat er in principe prima doorgeschreven kan worden aan het oeuvre (wel even op tijd aankloppen bij het Letterenfonds).
In Angelsaksische landen bestaat de traditie van het roasten, het op speelse wijze afbranden van een gearriveerd persoon die dat toch wel kan lijen omdat hij nu eenmaal gearriveerd is. De arrivé laat zich de plaagstootjes 'sportief' welgevallen. Ik heb zulke roasting sessies nooit erg veel aan gevonden, omdat van te voren vast staat dat het allemaal niet gemeend is, dat ze maar een spelletje spelen, dat ze straks weer als vrienden enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid, amen.
Het doet, met andere woorden, geen pijn.
Doet het kopkluiven van Propria Cures dan wel pijn? Dat hangt af van de vraag of de tirade goed geschreven is. Dat was bij 'Fröbelaar' niet het geval, vond ik, en ik was niet de enige. Als iemand namen van personages uit een roman begint op te sommen en lukraak lappen tekst citeert (vooral uit het begin van het boek), dan weet je: die is haar stuk tot de vereiste lengte aan het oppompen omdat ze haar huiswerk niet heeft gedaan.
'Lui!' zou mijn moeder roepen. 'Gewoon: lui!'

Minnesota

Mijn vriend uit Minnesota geeft altijd hoog op over de levensstijl aldaar. Ik ben er nooit geweest; hij komt vaker in mijn buurt dan ik in de zijne. Het is er wel koud, begrijp ik, maar droog koud. Twee weken geleden was het nog 30 graden C. Er zijn veel meren. Iedereen is tall and blonde. (Veel mensen hebben Scandinavische voorouders.) Er wordt veel gefietst en gewandeld, de inkomensverschillen zijn te overzien, men is – over het algemeen – voorkomend en niet bezig elkaar, om maar iets te noemen, met zelfgemaakte mitrailleurs te beschieten vanuit een veilig hoge hotelverdieping tijdens een country concert.
'There are rules, certainly, you need rules in a society, but they are reasonable rules, and almost everyone abides by them,' zegt hij.
'Sounds like Holland,' reageer ik.
Hij knikt.
Gebeurt er wel eens iets in Minnesota?
Niet dat hij weet. Hoewel, jawel, er is eens iets gebeurd, niet lang geleden. Een man had geëjaculeerd in de koffie van een collega. 'Ik was verbaasd dat de lokale krant daar aandacht aan besteedde.'
Het is even stil.
'Nou ja,' probeer ik, 'het is... een verhaal.'
'Eigenlijk kan ik me er ook wel iets bij voorstellen,' gaat hij voort.
Later check ik het verhaal op internet. De man die ejaculeerde in de koffie van zijn collega verklaarde dat hij bij haar in de smaak probeerde te vallen. Dat is matig gelukt; de vrouw heeft een klacht tegen hem ingediend, hij is ontslagen, hij heeft 45 dagen werkstraf gekregen, en de politici in de staat Minnesota zijn gauw bijeengekomen om een wet te ontwerpen die de indirecte overdracht van bodily fluids onwettig verklaart (met name met seksuele bedoelingen en bij kinderen).
De getroffen collega, lees ik, vond haar koffie de laatste tijd al een raar smaakje hebben. Ze dacht dat de melk bedorven was.

A former colleague

You can't hide from the past. You can run, but you can't hide. The past will sooner or later catch up with you. Today I was reminded of that bromide when I caught a former postal colleague in the supermarket. That is, I saw him in the corner of my eye, and he saw me too, I thought, but I got the impression that he was avoiding me. A few minutes later, when I was standing in line, he walked right passed me towards the exit, carrying just one piece of grocery, but outside he had to wait in an alcove for the sudden shower to pass. I waved, he smiled. He let me join him in his shelter. 'So, you're still alive,' I said. He nodded. 'That's not true of our mayor.' 'I know. He got out of it.' The former postal colleague, who literally exuded bachelorhood, worked for the competition, and was more or less proud of the way he cheated the company by not doing everything properly (i.e. throwing mail in the waste that he deemed wastable, which was a lot) and still getting paid. He told me he didn't work there anymore, which slightly alarmed me, because I thought he might be sacked because of what I wrote about him in my Diary of a mailman. Turned out he could retire early without losing his benefits. 'A few more years of welfare, and I will get my state pension,' he said, matter of factly. 'So what are you doing all day?' I asked. He smiled. 'Nothing.'

Wildplakwapenwedloop



Gisteravond maar weer met plak, kwast en een stapeltje postertjes de straat op gegaan om mijn vrijheid van meningsuiting bot te vieren op een wildplakzuil, nadat ik eerder die dag met lede ogen had moeten aanzien dat mijn wildplakactie van eergisteravond alweer over was geplakt. Op deze wildplakzuil is een wapenwedloop tussen wildplakkers gaande. Wie kan het snelst de ander overplakken, oftewel het zwijgen opleggen, met zijn eigen – zonder uitzondering commerciële – boodschap? Maar de strijd is ongelijk. Ik voel me Noord-Korea tegenover de Verenigde Staten van Amerika. De wildplakkers waartegen ik ten strijde trek zijn zonder uitzondering professionele plakbureau's, die met groot materieel en geoefende plakkers, reusachtige posters en vooral heel veel plak (waar ik dan weer mijn voordeel mee doe, want de helft blijft onder de zuil liggen), mijn bescheiden advertisements for myself elimineren. Maar ik geef niet op. Natuurlijk geef ik niet op, al was het alleen maar omdat ik het  l e u k  vind.

(On)mogelijkheden. Requiem voor een logeerpoes

Het kon overal gebeuren,
Maar het gebeurde bij ons.

Het kon op elk moment gebeuren,
Maar het gebeurde 's nachts.

Het kon op elke plek gebeuren,
Maar het gebeurde in het kinderkamerraam.

Het kon iedere poes gebeuren,
Maar het gebeurde onze logeerpoes.

Het kon beide logeerpoezen gebeuren,
Maar het gebeurde de zwarte, zachtaardige.

Ze kon koud zijn toen ik haar pakte,
Maar ze was nog warm.

Het baasje kon verwijten maken,
Maar hij maakte geen verwijten. Hij treurde. (Net als wij trouwens; de andere logeerpoes gaf geen krimp.)

De tere kinderziel kon een kras oplopen,
Maar die leek gauw gewist.

In de wereld kon niets zijn gebeurd,
Maar daar gebeurde alles.









Geruchtenmachine

'Er gaan geruchten dat jouw boek BVDM wordt bij DWDD,' kreeg de schrijver van zijn uitgever te horen, waarop zijn hart een vreugdesprongetje maakte, zijn buik begon te borrelen en zijn geest ging zweven. Zou het nu dan echt gebeuren? Zou hij gaan doorbreken? Zou hij dan nu eindelijk dat zelfontworpen huis kunnen laten bouwen achter de voormalige Bijlmerbajes, waar hij al zo lang van droomde, dat driehoekige huis met een glazen punt helemaal voor hem alleen?
Niet veel later kwam de schrijver op straat een collega-schrijver tegen, die zei: 'Er gaan geruchten dat mijn boek BVDM wordt bij DWDD.'
'Hoe weet je dat?' vroeg de schrijver.
'Van mijn uitgever.'
'Mooie boel,' zei de schrijver, schoppend tegen een platgetrapt blikje, dat, omdat het platgetrapt was, niet vooruit wilde.
'Gun je het me niet?' vroeg de collega-schrijver. 'We zijn toch collega's?'
'Ik gun jouw alle succes van de wereld, en dat van de rest van het heelal erbij, maar mijn uitgever zei precies hetzelfde tegen mij.'
'Echt? Je vraagt je af waar die uitgevers hun geruchten vandaan halen. Die komen toch ook nauwelijks nog vanachter hun computer vandaan?'
'Uit de geruchten-machine van DWDD.'
'Zou zo maar kunnen.'
'DWDD wil een buzz creëren rondom dat BVDM, en om dat te bewerkstelligen fluisteren ze een paar uitgevers iets in het oor dat ze graag willen horen. Het is allemaal van een ziekmakende treurigheid.'
'Ja ja. Dat krijg je, in een verdringingsmarkt.'
Een paar dagen later blijkt noch het boek van de schrijver, noch het boek van de collega-schrijver te zijn uitgeroepen tot BVDM bij DWDD.
'Fuck DWDD!' fulmineert de schrijver per email tegen zijn collega. 'Fuck BVDM!'
'Ah,' reageert de collega-schrijver, 'zo ken ik je weer.'


Het alleszins overzichtelijke drama van de logeerpoes die de achtertuin in glipte

Lieftallige had twee poezen te logeren gevraagd en mij te verstaan gegeven dat de logeerpoezen, – eentje zwart, eentje strawberry blonde –  o n d e r   g e e n   b e d i n g  naar buiten mochten, dus toen ik de deur naar de achtertuin opende en de strawberry blonde logeerpoes langs mijn benen de grote boze buitenwereld in voelde glippen, ontstond bij mij enige paniek. 'Hé,' fluister-riep ik, 'kom terug!' Maar de strawberry blonde logeerpoes was allang door het gat in de schutting naar de buren geschoten, en toen hij daar een collega tegenkwam, blazend en sissend, schoot hij door weer een ander gat, om helemaal uit het zicht te verdwijnen.
Wat te doen? Eerst de zwarte logeerpoes fixeren. Daarna terug de tuin in, roepen en rammelen met brokjes. That failed to do the job.
Follow the money, was mijn tweede idee. Dus ik klom over schuttingen en kroop door gaten. Dit was ooit een hobby van me, overpeinsde ik nostalgisch. Maar: geen poes.
Een ramp? Jawel, maar dan toch een van beperkte omvang, want de logeerpoes kon de binnentuinen niet uit. Vroeg of laat zou hij zich wel weer melden. Tenminste, als hij de weg terug wist en ons leuk genoeg vond.
'Ik ben ook eens een poes kwijtgeraakt in de binnentuinen en die kwam maanden later pas weer tevoorschijn, helemaal gehavend,' vertelde een buurvrouw, 'maar dat wil je misschien helemaal niet weten.'
Lieftallige kwam ziedend thuis. Maar aan zieden, argumenteerde ik, hadden we op dit moment niet zo gek veel. Bij alle buren aanbellen in theorie wel, dus daar ging ze, om terug te keren met lege handen, maar wel veel goede anekdotes over die buren.
De avond viel. Moesten we ons zorgen maken?
Toen vertoonde de logeerpoes zich ineens in de keuken bij zijn etensbakje. Maar bij iedere toenadering van mijn kant vluchtte hij onmiddellijk de tuin weer in. En gelijk had hij. Wie eenmaal van de vrijheid heeft geproefd, wil nooit meer in gevangenschap leven.
Het was lieftallige die op het idee kwam om een touwtje vast te maken aan de deurklink, waarmee ze de deur achter de logeerpoes dicht kon trekken. Et voilà.

'Wat braaf'

Ik weet dat het usance is niet te reageren op recensies, want, zoals ik onlangs op een t-shirt las ter hoogte van de – aanzienlijke – boezem van de draagster, degustibus non disputandum est, en wie geschoren wordt moet stilzitten, en: anders kun je wel aan de gang blijven, etc. etc., maar de kwalificatie 'wat braaf' van Irene Start, literatuurcritica bij Elsevier, aangaande Het dispuut vond ik 'wel apart'.
Nu is literatuurcritica bij Elsevier zoiets als redacteur Verre Oosten bij de Allerhande – ik kan het weten want ik heb aan beide ooit bijdragen geleverd –, maar toch, de woorden 'wat braaf' bleven enigszins nagalmen in mijn hoofd.
Ik ben nog nooit van braafheid beticht, ook en vooral niet door mijn moeder, dus ik beschouw het als een compliment, maar ik heb het gevoel dat Start het als een nonpliment bedoelde.
Dat zij coprofagie 'wat braaf' vindt, maakt me inmiddels een beetje nieuwsgierig naar haar eigen fetisjen.

Platte rat

De rat die op straat lag vanochtend, recht voor de deur, was niet zozeer dood als wel plat. De rat was óók kapot. Zijn ingewanden waren uit zijn lijf geperst. Ik kon ze niet uit elkaar houden, mijn anatomische kennis van de rat is niet zo sterk, maar één ding was zeker: de lange draad die vanuit de rat nog een eindje door over straat liep, moest natuurlijk zijn darm zijn. Zijn dunne darm, waarschijnlijk, gezien de lengte en, nou ja, de dunte. Te oordelen naar de positie van de rat op de straatstenen was de rat op weg naar mijn voordeur, maar hij was dus op een hindernis gestuit. Een gemotoriseerde, dikbebande hindernis, die dus, nietsvermoedend, ongetwijfeld, weer was weggenomen. Hoe die darm daar als een harpsnaar over de stenen was gedrapeerd, kon ik niet reconstrueren. Was hij uit het rattenlijfje...  g e s p o t e n ? Of had de rat, reeds plat, zich nog een stukje voortgesleept, teneinde zo dicht mogelijk bij mijn voordeur te komen, zo dicht mogelijk bij het paradijs, zogezegd, terwijl zijn darm aan een straatsteen bleef plakken, en steeds strakker kwam te staan? We zullen het niet weten. Nadat er met de gemeente was gebeld, die doorverwees naar de dierenambulance, die doorverwees naar de GGD, die een eindeloze, gekmakende wachtmuziek liet horen, haalde ik een spade en deponeerde de rat, die de facto (en de jure) een bontje was geworden, een bontje dat niemand wilde dragen, met zorg in de vuilcontainer.

Kimono

'Zal ik mijn witte pak maar aantrekken voor de Volkskrant-foto?' vroeg ik aan lieftallige, die nog nauwelijks wakker was. Die middag zou een fotograaf langskomen voor een rubriek die bekendstaat om zijn portretfoto's tegen een groene planten-achtergrond. Ik dacht dat wit daartegen goed zou afsteken. Ik had geen zin om, zoals dat heet, te verdwijnen in het decor. Verdwijnen in het decor kan altijd nog.
'Hm-m,' luidde het antwoord van onder de dekens. 'Ja, goed idee,' voegde ze er nog aan toe.
Maar toen ik me even later in mijn kimono stond te scheren in de badkamer, liet ze zich ontvallen: 'Of in je kimono, dat zou wat zijn... O, wacht even, straks doe je het ook nog... Nee, hoor! Ik maakte maar een grapje!'
Bij de koffie wist ik het zeker: ik ging in kimono op de foto. Dat ding geldt als een van mijn lievelingskledingstukken, en hij klopte helemaal bij de studentenroman die ik probeerde te pluggen.
'Je doet dat witte pak aan!' schreeuwde lieftallige, tevens mijn persoonlijk stiliste zolang ik haar ken. Om haar bevel kracht bij te zetten, begon ze alvast mijn witte overhemd te strijken.
'Ik doe aan wat ik wil. Het is tenslotte mijn lijf. En mijn boek.'
'Als jij in kimono op de foto gaat, dan gooi ik je het huis uit.'
Ik wist dat mijn voorkomen 'naar de wereld toe' haar hoog zat, maar zo hoog... De laatste keer dat ze ontplofte over mijn uiterlijk was in 2008, toen ik bij de boekpresentatie van FAKE weigerde een pak aan te trekken dat ze speciaal voor dat doel had aangeschaft. (Ik voelde me meer senang in mijn, toegegeven, wat minder flitsende, trouwpak. Uiteindelijk bleek ik me ook heel senang te voelen in háár pak, zie foto hierboven, maar dat had kennelijk tijd nodig.)
Woedend beende ze het huis uit, de deur hard achter zich dichttrekkend.
De telefoon ging. Mijn agent. 'Hoe is het Viktor?'
'Goed. Ik ga zo op de foto. In kimono.'
'Ik zou een pak aantrekken als ik jou was.'
Was zij net door mijn vrouw gebeld?
Uiteraard zwichtte ik.
Ik ben al heel lang niet meer van mezelf.




Bonnie & Clyde 3.0



Bonnie & Clyde sprongen in de volvo gewapend met een stapeltje posters en een emmer behangselplak en scheurden de stad in. Bonnie had behulpzaam een lijst van wildplakplekken uitgeprint, hetgeen volgens Clyde een contradictio in terminis was, omdat het hele idee van wildplakken nou juist – etc. Ze moesten gewoon zijn waar de studenten zijn. 'Dus op naar de Oudemanhuispoort!' Aangekomen op de Kloveniersburgwal, knikte Clyde naar het Beaufort-huis en zei tegen Bonnie: 'Gooi er daar maar ééntje door de bus, die hebben het nodig.' Toen hij dubbel parkeerde voor de Poort, en Bonnie het vuile werk liet doen – het overplakken van een poster voor een ander boek – dacht hij: ik kan hier niet zo maar werkeloos blijven zitten, terwijl Bonnie... dus besmeerde hij een poster, stapte de auto uit, en plakte deze op een regenpijp. Ha! Daarna liep hij koelbloedig naar Stichting Perdu, een eindje verderop, en gooide twee affiches in de bus. Zo! dacht hij. Klabang! In zijn ooghoek zag hij hoe twee mannen van handhaving passeerden. De handboeien bungelden vervaarlijk om hun middel. 'Good job, Clyde,' zei Bonnie bij terugkomst, haar jurkje strak trekkend. 'Hoe bedoel je?' vroeg Clyde, 'de pigs zitten ons op de hielen!' 'Nee, ik bedoel die regenpijp!' Clyde gaf haar een Franse zoen. Een lange. Bonnie trok haar hoofd weg en riep: 'Nu wegwezen voordat Cition langskomt! Cition ziet alles!' Clyde stuurde de volvo vol gas over de grachten, langs Rusland, en de oude Hoogstraat naar de Warmoesstraat. Met slippende banden, waar rook afkwam, en de geur van smeulend rubber, hield hij stil voor de sociëteit van het ASC. Bonnie had nog nooit van een sociëteit gehoord maar dat weerhield haar er allerminst van het stroomkastje naast de ingang te beplakken. Yay! Glimmend van ondeugd nam ze weer in de passagiersstoel plaats. Inmiddels was een grote hoeveelheid politie-agenten op de been om het wildplakduo in de kraag te vatten. Het was alleen nog mogelijk om over stoepen en de Dam via het Bungehuis naar de Roetersstraat te racen, tegen het verkeer in, door de kogelregen heen, maar daar aangekomen was de volvo op 48 plekken doorboord. Bonnie's kopje hing. Clyde sleepte zich met bebloed overhemd koffieshop Het Ballonnetje in en vroeg de man achter de afhaalbalie of hij een postertje op de muur mocht prikken, naast het digitale wiet en hasj-menu. Dat mocht. Hij kon nu sterven.

De weg naar de uitgang is afgebogen



Toen gisteren de zaterdagkrant van Het Parool door de brievenbus knalde, zei ik tegen lieftallige: 'Mijn kop gaat eraf.'
Ik was enigszins gespannen, had al enkele dagen de ietwat potsierlijke zinsnede 'de belangrijkste zaterdag uit mijn leven' gebezigd. Reason being: er moet nog minstens 1 recensie verschijnen van Het dispuut in 1 Echte Courant om te voorkomen dat mijn boek wegglijdt in de vergetelheid. Zulks verordonneren de wetten in de aandacht-economie.
Lieftallige bekeek voor mij de boekenpagina. Geen recensie. Maar: 'Je hoeft jezelf nog niet in te graven voor je winterslaap want je staat op nummer 8 van de Scheltema top 10!'
In plaats van 'Bijna bij Pauw' kon mijn grafschrift worden gewijzigd in '3 weken in de Scheltema Boeken Top 10'.
Her en der in het gezin werd gehigh-fived, want vorige zaterdag stond ik nog op plaats 9. Er was dus vooruitgang. (De week dáárvoor kwam ik binnen op 6, dus de weg naar de uitgang is afgebogen.) De achtjarige knipte het stukje uit en plakte het op de ijskast naast een oude krantenkop, ook uit het Parool.
Zou de oorlog op de sociale media die lieftallige in mijn naam, en ook een beetje de hare, aan het voeren is, vruchten afwerpen? Zouden enkele (oud)-corpsleden wellicht ietwat nieuwsgierig zijn geworden? Heeft een plek in de top 10 een self-fulfilling effect?
We weten het niet. Nobody knows anything, luidt nog altijd een van mijn favoriete wijsheden uit de entertainment industrie, waar literatuur welbeschouwd ook toebehoort. Hoe dan ook, ik kan weer ademen.

Gefnuikte ambities

Vier uur voordat Uitzending Gemist hem achter slot en grendel zou verstoppen, slaagde ik erin om de moed bijeen te rapen om eindelijk Publieke Werken te gaan zien. Toen die film uitkwam twee jaar geleden en hij matige recensies kreeg, heb ik mezelf er succesvol van weerhouden om hem in de bioscoop te bekijken uit angst de literaire ervaring die Thomas Rosenbooms chef d'oeuvre in mijn herinnering had achtergelaten te bezoedelen. Maar gisteravond moest het er toch van komen.
Joram Lürsens boekverfilming begon met een verkrachting. Dat zorgde ervoor dat lieftallige, die ik had uitgenodigd op de bank, zich schielijk uit de voeten maakte. Nu heb ik niets tegen een verkrachting op zijn tijd, maar ik kon me helemaal geen verkrachting uit het boek herinneren en zelfs Tarantino zou geen film laten beginnen met een verkrachting (Paul Verhoeven daarentegen misschien weer wel). Wat is er op tegen om bij het begin te beginnen van het prachtige drama van het ingenieuze verhaal, dat draait om hebzucht en gefnuikte ambities? Was scenarist Frank Ketelaar bang dat mensen daarbij in slaap zouden vallen?
Gelukkig werd de film gaandeweg beter. De verkrachtingen namen af. De dialogen bleven vaak nog steeds onverstaanbaar, een bekend euvel van Nederlandse films (het helpt niet als de dialogen worden 'ondersteund' door gepingel op een piano). Er wordt uitstekend geacteerd in deze film; door Derwig en Scholten Aschat, en toch werd hun wanhoop en vernedering nergens echt voelbaar – of geestig, voor mijn part. Het bleef schematisch. Ik hoop op een remake in 2035.

Boekenbalts

Mijn dichtstbijzijnde lezer was al vroeg begonnen met lezen. In bed schurkte de rug van haar boek tegen die van het boek dat ik aan het lezen was in een soort ingewikkelde boekenbalts. Dat was misschien iets te dichtbij, maar gelezen worden is gelezen worden, en: waar moest ik heen? Ik wilde zelf ook lezen in bed.
Dit was enige weken geleden. Sindsdien heb ik het boek nu eens met ezelsoren, dan weer opengeslagen aangetroffen op haar nachtkastje. Ze is iets over de helft.
'Ik lees langzaam, ik wil er zo lang mogelijk over doen.'
Strelende woorden, maar een oordeel van de dichtstbijzijnde lezer over het gelezene in zijn totaliteit is ook wat waard.
Gisterenavond dook ze weer met Het dispuut in bed.
Vlak voordat ik de deur uit ging – misschien toch beter dat de schrijver de intimiteit van het lezen niet verstoort, dat mijn aanwezigheid de receptie van het gelezene niet beïnvloedt – zei ze: 'O, op deze zin heb je lekker zitten puzzelen. Dat weet ik zeker. Ik zie het voor me.'
'Welke zin?'
'Verliefd worden op een lesbiënne is zoiets als proberen een ei te bakken in de diepvries.'
'Dat weet ik niet meer. Misschien kwam het er in één keer uit.' Ik gaf haar een kus en vertrok.

Not So Famous Last Words


Fietsendiefstal

Eerst werd de fiets van mijn gymnasiast gestolen. Voor CS, terwijl hij aan een ketting lag. Nu heb ik over het algemeen niet zoveel met spullen, maar deze fiets, een cadeau voor zijn zestiende verjaardag, was toch wel een bijzonder geval, en niet omdat hij zo duur was. Hij was helemaal niet duur, en toch mooi. 'Ik wou dat ik zo'n fiets had gehad op jouw leeftijd,' zei ik tegen mijn gymnasiast (iets te vaak, wellicht).
Hij had zelf ook de p in, dat hij gestolen was. We hebben onmiddellijk een vervangende fiets voor hem geregeld, maar dat kon natuurlijk lang zo'n mooie niet zijn.
Daarna werd zowel de trapfiets als de loopfiets van mijn dochter gestolen. Die stonden al maanden, misschien een jaar, gezamenlijk voor de deur bij het bankje, gebroederlijk aan elkaar vastgeklonken met een cijferslot dat een kind open kon maken. Een symbolisch cijferslot. Zo van: ja, je kunt die fietsjes zo meenemen, heel moeilijk is dat niet, maar laat dat nou, want ze worden gebruikt door een kind.
Welnu, die boodschap kwam niet over. De dief/dievegge dacht waarschijnlijk: iemand die de fietsjes van zijn kinderen symbolisch op slot zet, hecht weinig waarde aan die fietsjes/ kan zich gemakkelijk nieuwe fietsjes veroorloven.
Nog waarschijnlijker is dat hij/zij helemaal niets dacht.
De eerste kennismaking van mijn kinderen met de Slechtheid van de Grote Stad.

Revolutionaire vis

'Je hebt revolutionairen en decorateurs,' zegt Michel Houellebecq in de merkwaardige, maar alleszins bezienswaardige documentaire To Stay Alive - A Method van Erik Lieshout die ik voorbij zag komen op internet. 'Ik behoor tot de decorateurs.' Mooi onderscheid. En niet alleen in de literatuur.
Uiteraard behoort Houellebecq niet tot de decorateurs, maar tot de revolutionairen, zij het dat een schrijver die dat over zichzelf zou verklaren, waanwijs is, of een ijdeltuit (of beide).
Een ijdeltuit is Houellebecq niet. Zoals hij daar in die documentaire Iggy Pop – wel een ijdeltuit –, ontvlucht om buiten een sigaret te roken, de peuk vastgeklampt tussen middel- en ringvinger, deed hij me nog het meest aan een vis denken. Vissen hebben ook geen gezichtsuitdrukking. Die kunnen geen gezichtsuitdrukking hebben, 'die weten alles al' (Platonov).
Mij sprak de wijsheid 'Behoor nergens toe. En als je toch ergens toe behoort, verraad het' nogal aan. Die komt uit Rester vivant, een vroeg essay van Houellebecq waarop Lieshout zijn docu baseerde. Dat essay kende ik nog niet. De e-versie, €1.99, kan ik me nog wel veroorloven, en het Frans moet te doen zijn.

Vijftiende werkdag

In tegenstelling tot vorige week verkeerde de oud-bibliothecaresse in optima forma. Ik had haar zelden zo opgeruimd gezien. Ze las aan de salontafel de krant, ze herkende me, en ze was aangenaam verrast mijn roman in ontvangst te mogen nemen.
'Wat ziet het er prachtig uit.' Meteen begon ze de achterflap grondig te bestuderen.
Uit automatisme had ik in de keuken een appeltje voor haar geschild, maar toen ik dat voor haar neerzette, zei ze: 'Word ik geacht dat op te eten?' Verse koffie bliefde ze ook niet; het ouwe, lauwe bakje dat ze met haar magere vingers bepotelde en aan haar mond zette, was goed genoeg voor haar.
'Geef mijn portemonnee eens,' zei ze, vastbesloten. 'Ik wil je voor je boek betalen.'
'Dat vind ik heel aardig van je, maar de vorige keer dat ik in je portemonnee keek voor boodschappengeld was hij helemaal leeg.'
Demonstratief stond ze op en schuifelde naar het dressoir om haar portemonnee te pakken, en verdomd, ze haalde er een twintigje uit, dat ze voor me op de salontafel deponeerde.
'Weet je hoeveel ik overhoud aan mijn boek als je het in de boekhandel zou kopen?' viste ik naar haar verontwaardiging. 'Twee euro. Minus de commissie voor mijn agent.'
'Tsss... Je had beter uitgever kunnen worden. Zelf je boeken uitgeven.'
'Dat ligt inderdaad voor de hand. En toch is het niet verstandig.'
Ze was nog steeds niet klaar het omslag te bekijken. Het leek wel alsof ze het zichzelf niet gunde aan het boek te beginnen.
'Zal ik een stukje voorlezen?' vroeg ik.
Ja hoor, dat leek haar wel wat, dat ik een stukje voorlas, zei ze op een toon alsof ik haar nog nooit had voorgelezen, maar al op de eerste bladzijde ging de bel. Een korte, penetrante tring, als een electrokutie. Ik werd afgelost. Het voorlezen zou moeten wachten. Of, nee, het zou helemaal niet meer nodig zijn, omdat de oud-bibliothecaresse mijn boek waarschijnlijk die nacht nog uit zou lezen.


Verdediging

De zaak Madsen intrigeert me. Voor degene die de kortjes in de krant heeft gemist: excentrieke Deense uitvinder, bijnaam Rocket Madsen, neemt ambitieuze Zweedse journaliste mee op boottochtje in zelfontworpen onderzeeër. Een paar dagen later wordt in zee een romp van een vrouw zonder ledematen en hoofd aantroffen, terwijl Madsen zijn eigen U-boot heeft laten zinken. Gisteren verklaarde Madsen tegen de rechter dat zijn passagier bij het uitstappen uit de onderzeeër een zwaar luik tegen haar hoofd kreeg. Die klap had zij niet overleefd. Toen had hij besloten tot een zeemansgraf, want ja, dat is the thing to do. Hij verklaarde trouwens ook SM-liefhebber te zijn, en een keer wurgseks te hebben gehad in zijn U-boot met een minnares.
Waarom heeft die Madsen niet meteen het advocaten-team van Robert Durst in de arm genomen? Voor wie de HBO-true crime serie The jinx heeft gemist: daarin wordt deze telg van vastgoedmiljardairs vrijgesproken van moord op zijn buurman in Texas, wiens lichaam in onderdelen in de baai van Galveston wordt aangetroffen. De verdediging liet eerst een psychiater langskomen om de verdachte tot Asperger-patiënt te verklaren. Vervolgens werd de doodslag en de verminking omgebogen tot noodweerexces.
Maar misschien geldt ook hier: only in Texas.

Natuurlijke vijanden

Voor haar verjaardag had ik mijn dochter vier spinnen gegeven en een vlieg. Het idee was voor elk jaar van haar leven een spin, en, om die spinnen ook wat te doen te geven, een vlieg. Ze was er blij mede. Het waren flinke spinnen. Ze waren zu haben, zoals dat heet; ze wachtten op de ochtend van haar verjaardag aan het plafond in hun respectievelijke webben tot iemand ze zou pakken. Toen ik ze gepakt had, dat wil zeggen gevangen in een doorzichtig plastic bakje, want wat heb je aan gevangen spinnen als je ze niet kunt zien, kwam ik ook nog een vlieg tegen, alsof het afgesproken werk was, die dacht onzichtbaar te wezen op een verdord blaadje in het gras. Ik greep hem Obama-like uit zijn comfort-zone en voegde hem tot mijn verbazing zonder morsen (geen van de spinnen morste uit het bakje bij opening) bij zijn natuurlijke vijanden. Nu werd het spannend, dacht ik, maar het werd niet spannend. Er gebeurde niets. Na wat paniekerig op en neer getrippel van de spinnen, gingen ze als vleermuizen aan het plafond van het bakje hangen en verroerden zich niet, alsof ze in een winterslaap zaten. De vlieg ondertussen verschool zich onder het blaadje. Na de verjaardag van mijn dochter mocht ik de diertjes weer vrijlaten. De spinnen snelden er vandoor, maar de vlieg niet. Hij zat vast in een stukje meegekomen web.

Geachte boekenliefhebber/liefhebster of anderszins literair geïnteresseerde medemens,

1. De vraag 'Hoeveel boeken heb je al verkocht?' is niet een vraag waar een schrijver die net een boek 'uit' heeft op zit te wachten. Het antwoord, dat zij vaak zelf niet eens weet – sterker : niet eens  w i l  weten – is namelijk per definitie teleurstellend, tenzij zij Astrid Holleeder heet, J.K. Rowling of Xaviera Hollander (in 1971). De vraag naar de hoeveelheid boeken over de toonbank is als de vraag naar de hoeveelheid stenen die een bouwvakker heeft gemetseld. ('Moge het spel u interesseren, van belang is niet de knikker, maar het spel zelf.')

2. De vraag: 'Kun je ervan leven?' of de variant: 'Doe je er nog iets naast?' zijn evenmin vragen waarmee een schrijver die net een boek 'uit' heeft, – en die dus nog enigszins in de waan leeft dat dat boek haar bijbaantjes overbodig zou kunnen maken, alsmede subsidie-aanvragen en bedelrondes bij familie en vrienden, want dat is toch het hoogste goed, dat je als schrijver met je boeken in een behoefte voorziet, een  l i t e r a i r e behoefte – heel erg graag om de oren wil worden geslagen.

3. De toevoeging 'Een vriend/oom/collega van mij heeft ook een boek geschreven' is een toevoeging die achterwege mag blijven, net zoals de verzuchting 'dat er ook zo ontzettend veel boeken uitkomen'. Een schrijver die net een boek 'uit' heeft is uitstekend op de hoogte van de stortvloed aan titels waarmee de hare concurreert; daarvoor hoeft zij alleen maar een boekhandel binnen te wandelen, en als er iemand naar haar boek informeert, hetgeen ze op zichzelf toejuicht, hoewel halfhartig want zij heeft helemaal geen zin om voor de zoveelste keer de flaptekst te reproduceren, – zij hoort zichzelf praten over haar werk, terwijl haar werk  g e l e z e n  moet worden etc. etc. – dan zou zij het graag even over dat boek willen hebben en niet over een ander boek cq. andere boeken... Of is dat teveel gevraagd?

4. 'Ik zou dat nooit kunnen, een boek schrijven.' De schrijver heeft vaak gespeeld met het idee om zich op feesten en partijen voor te doen als belastingadviseur, om het 'interessante gesprekje' niet te hoeven voeren. 'Ik zou dat nooit kunnen, belastingadviezen geven.' Of: 'Ik begrijp niet hoe je dat kunt, belastingadviezen geven.' En: 'Waar haal je al die belastingadviezen vandaan?'

5. 'Waar gaat je volgende boek over?' Een schrijver die net een boek 'uit' heeft wil graag nog even bij dat boek blijven. Die wil nog niet meteen afscheid hoeven nemen van dat boek, waaraan zij dikwijls een jaar, niet zelden verscheidene jaren, geploeterd heeft. Die wil dat die titel zo lang mogelijk in de winkel blijft liggen, liefst op een zichtbare plek; en daarna wordt ingekocht door de bibliotheek die het boek tot in het einde der tijden op de planken zet.

6.  'Ik lees alleen nog maar ePubs, geweldig, laatst kreeg ik van een kennis een bestandje met honderd nieuwe titels, heel fijn.' ...

Hartelijk dank voor de medewerking.

Veertiende werkdag

Als er geen gehoor is bij de oud-bibliothecaresse, zoals vanmiddag, ook niet na langdurig kloppen en door de deur heen roepen, dan is de eerste gedachte toch altijd weer: die is er in gebleven. Maar zie, als we onszelf – aangezien de Grote Vakantie nog altijd niet voorbij is heb ik mijn kleuter en achtjarige meegetorst – toegang verschaffen tot de woning, en een kijkje nemen in de slaapkamer, zien we daar de oud-bibliothecaresse in bed liggen. Met de ogen dicht, dat wel, en met de deken half van zich afgeworpen, maar niet dusdanig dat je denkt: dood. Dat komt goed uit, want ik ben gekomen om haar een exemplaar van Het dispuut te overhandigen.
'Riet?' zeg ik, want zo heet ze.
Ze blijft liggen met haar wang in het hoofdkussen, en opent één oog.
'Wij zijn er. Vind je dat leuk?'
Ze knikt met haar oogleden. Heel overtuigend vind ik dat niet.
Ik besluit koffie te gaan zetten en eieren te koken. Als de koffie klaar is, gaan we met zijn drieën weer in de slaapkamer kijken. De kleuter vindt die bezoekjes aan de slaapkamer zowel griezelig als opwindend, en ik voel dat met haar mee.
'Riet?'
Eén oog open.
'Zin in koffie?'
Oogknik.
'Dan moet je uit bed komen.'
Wij weer terug naar de kamer, om haar wat privacy te gunnen bij het opstaan, maar no way dat ze ons volgt om gezellig koffie te drinken of eitjes te eten.
Omdat de eitjes klaar zijn, beginnen we die alvast zelf op te eten. 'Is er ook ketchup?' wil de achtjarige weten.
Uit een flacon Heinz gevonden in de ijskast spuit ik gedachteloos een kwats op zijn bordje. De kwats oogt niet bloedrood, maar roestbruin. Het etiket leert mij dat de uiterste houdbaarheidsdatum van deze ketchup enige jaren achter ons ligt, maar ik hou mijn mond. De achtjarige klaagt niet. De kleuter vertrouwt het niet en schuift haar eitje van zich af. 'Vies.'
'Ga jij nog eens tegen Riet zeggen dat de koffie klaar is,' zeg ik tegen de achtjarige.
Hij houdt van taakjes, dus hij holt de slaapkamer in en roept: 'De koffie is klaar!'
Dan komt hij de kamer in gehold en lacht: 'Ze had haar ogen alweer dicht!'
Weer wat later geef ik de opdracht om aan Riet de boodschap door te geven dat als ze nu niet opstaat, wij weer weggaan. Never overstay your welcome, lijkt me.
Ik ga kijken om de boodschap kracht bij te zetten en vraag, toch wel een beetje naar de bekende weg: 'Of wil je toch liever slapen?'
Oogknik.
Groot gelijk.

Reportage

'Er zit een lijn in,' zei mijn gesprekspartner sinds '83 een paar keer, gisteren aan de biertafel bij Hesp, waar we hadden afgesproken om te spreken, onder andere, over Het dispuut, dat hij net uitgelezen had. Over wat hij er van vond, met name.
Vriendschap of de waarheid is een onjuist dilemma, een goede vriend kan de waarheid aan,
maar ik dacht wel: welke kant gaat die lijn op, waar hij het over heeft. Of blijft hij vlak, zoals de koers van een aandeel op de beurs waar geen leven in zit?
'Een stijgende lijn,' verduidelijkte hij, net op tijd. 'Bij FAKE was je misschien nog zoekend, Zalig uiteinde en Dagboek van een postbode hadden al meer focus, en dit, nou ja, is strak. Heel strak geschreven.'
We nipten aan onze speciaalbieren.
'Maar,' ging hij voort, voordat ik te zelfingenomen zou worden, 'ik zou wel wat meer psychologie willen. Wat meer Hermans. Dat je echt diep in dat karakter duikt. Nu is het een soort reportage.'
'Wat je bedoelt met Hermans begrijp ik wel en dat neem ik ter harte,' zei ik, 'maar reportage is dodelijk. '
'Ja, reportage... Dat neem ik terug. Vergeet dat ik dat gezegd heb. Vergeet het woord reportage.'
Ik probeerde het te vergeten. Ik wist dat mijn gesprekspartner sinds '83 zich sinds enige tijd probeert te bekwamen in het complimenteren; dit beschouwde ik als een onhandigheid. Hij zit niet voor niets in de muziek.
Hij had ook nog een vraag over het brilletje. Het brilletje van Mulder speelt een rol in de plot van Het dispuut; welke rol precies, mag de lezer zelf bedenken, zo luidde mijn antwoord. Deze lezer had een eigen theorie over dat brilletje. Een mooie theorie. Dat streelde me, als schrijver, en als vriend.



Moeder? Nee. Vader.

Tot mijn verbazing heeft mijn moeder mijn boek nog niet gelezen. Ik heb haar dit niet gevraagd, maar als zij mijn boek wel had gelezen, dan zou zij mij zeker gezegd hebben wat ze ervan vond, ongezouten enzovoorts, in my face & what not, en dat heeft ze nog niet gedaan. Mijn vermoeden wordt bevestigd als ik afzak naar de achtergebleven gebieden, en Het dispuut op de tuintafel zie liggen, met bladwijzer ergens tegen het einde.
Mijn vader.
Ik had hem al aan de telefoon gehad, toen het boek net zijn kant op was gegaan, en hij nogal heftig kond deed van een 'fout' die hij was tegengekomen: Michiels Kessenich. 'Hoe kom je aan die naam?'
'O, ergens tegengekomen. Het is een adellijke naam.'
'Het is Michiels VAN Kessenich!'
'Weet je dat zeker?'
Stilte aan de andere kant van de lijn. (Ik haat die vraag ook; als lieftallige mij deze stelt, neig ik er toe te antwoorden met de gemeenplaats dat de enige zekerheid die ik heb is dat ik ooit zal sterven, hoewel die zekerheid met de huidige stand der technologie ook alweer i e t s  minder zeker is geworden.)
'O, dat ga ik dan corrigeren. Voor de volgende druk.'
'Ik wist niet dat het er zo hard aan toe ging bij jullie,' zei hij, na een korte pauze. 'Bij ons destijds was het allemaal wat...'
'Braver?' vulde ik aan.
'Het waren andere tijden. En dan die termen... Vrucht.'
'Heb ik zelf bedacht. Leuk toch?'
'Ja. Pik.'
'Da's een ouwe.'
'Poep.'
'Ook. Maar wat dacht je van godfriedbomans? Als vloek?'
'Ik vraag me altijd af: waar haalt hij het allemaal vandaan.'
Dat vraagt mijn vader zich altijd af als er weer eens wat fictie van me is verschenen. Ik beschouw het maar als een compliment.

Sandwichborden en censuur

Om mijn sandwichbordlopers op de Uitmarkt halverwege hun slavendienst van een natje en een droogje te voorzien, en vooral ook hun moreel op te krikken, hadden we afgesproken op het terras van de OBA, en omdat de Grote Vakantie nog steeds niet voorbij is, en er dus elke dag weer een Activiteit moet worden georganiseerd, dachten we er goed aan te doen om de minderjarige vakantievierders mee te torsen. Dat laatste bleek een misverstand. Wie een media-oorlog op meerdere fronten probeert te voeren, en dat is noodzakelijk gezien de tsunami van aandachtslurpende uitingen waarin heden ten dage de cultuurminnende medemens dreigt om te komen, laat zijn kinderen thuis. Toen ik op de uitkijk ging om mijn sandwichbordlopers te spotten (want ze lieten nogal op zich wachten) met mijn krijsende peuter op de arm (om de moeder te ontlasten), liep ik mijn oud-redacteur Bart Kraamer tegen het lijf, thans uitgever bij Koppernik. Ik probeerde me te verontschuldigen voor mijn nageslacht, maar die verontschuldigingen kwamen slecht tot zijn recht, niet alleen door het toenemende lawaai van de peuter, maar ook door haar tamelijk geslaagde pogingen mij het spreken handmatig onmogelijk te maken. Censuur had nog nooit zo'n fysieke vorm aangenomen, in mijn gezin of daarbuiten. Ik knikte naar Kraamer dat hij zonder verdere plichtplegingen het gesprek kon afbreken en zijn weg vervolgen – niet dat het oponthoud hem veel uitmaakte, want de Uitmarkt was wat hem betrof, literair gezien, een doodgeboren kindje.

Nog meer gunstige berichten

Il Grande Commentatore in ruste, wiens oordeel ik hoog acht, meldt niet alleen, van het inhoudelijke front, dat de eerste pagina's van Het dispuut hem treffen als het 'proza ener gerijpt auteur', maar ook, van het commerciële, dat boekhandel Jimmink (ook al zo'n boekhandel die zijn poorten niet mag sluiten omdat ik mijn poorten dan ook moet sluiten) niet één, niet twee, zelfs geen drie, maar liefst vier (4) exemplaren van mijn roman reeds over de toonbank heeft doen gaan en, alsof dit nog niet genoeg is, ook nog openstaat voor het ophangen ener affiche.
Weer een andere kleine boekhandel die mij aan het hart gaat, Casperle, voor al uw kinder- en jeugdboeken, aan het Sarphatipark, heeft al zo'n affiche opgehangen. De vriendelijke eigenaar bovendien, Oliver Schmidt Reps, wiens oordeel ik ook graag hoor, had mijn boek in twee avonden uitgelezen. Snel worden uitgelezen: dat is misschien toch het hoogst haalbare in het huidige tijdsgewricht.

Gunstige berichten



Het eerste gunstige bericht kwam van mijn gesprekspartner sinds 1983. Die smste: Ik ben bij hoofdstuk 8, Lunchen bij de Eunuch, en ik vind het heel goed! De passage bij Mulder in de flat blijft schuren, maar wel erg grappig.
Het tweede gunstige bericht kwam van mijn zuster die mij mailde: 'Je bent een kado!' Zij doelde op de puzzelpagina van Het Parool. Zij die de Zweedse Puzzel van de dag zonder fouten invullen, maken kans op een Thomas Rap-boekenpakket ter waarde van €60, waaronder mijn boek. Mijn eerste impuls was om met mijn achtjarige als een razende die Zweedse Puzzel te gaan invullen en opsturen, maar misschien moeten we dat juist  n i e t  doen.
Het derde en tevens laatste gunstige bericht, – alhoewel ik hoop dat dit niet het einde is van de gunstige berichten in mijn leven, of in het leven van Het dispuut –, is dat mijn boek in de etalage ligt bij Boekhandel Schimmelpennink.
Boekhandel Schimmelpennink is zo'n boekhandel die je niet uit de stad weg kunt denken. Dat kan wel, maar wat is de stad dan nog waard? Ik beloof hierbij plechtig dat als Boekhandel Schimmelpennink zijn deuren sluit, ik ook mijn deuren sluit. Maar ik moet de toorn van de goden niet over me afroepen met deze onheilspraat.
'Hou toch op over die marketing,' probeerde Ton Schimmelpennink mijn anxiety over de ontvangst van mijn derde roman weg te nemen. 'Literaire kwaliteit bewijst zichzelf. Die komt vanzelf bovendrijven.'
Mijn dag was weer goed.

La fillette morte

Afbeeldingsresultaat voor la petite roque guy de maupassant folio


Hoe minder je meemaakt, hoe contemplatiever je wordt, en omgekeerd, bedacht ik in bed (in bed heb ik de beste gedachten, maar houd ze maar eens vast). Zou het kunnen dat een mens geen tijd heeft voor bespiegeling als haar geest in beslag wordt genomen door avonturen, nieuwe indrukken en keuzestress? Dat zou zeer zeker kunnen. Aangezien een schrijver is, wat zij schrijft, heeft dit ook ongetwijfeld zijn weerslag op haar schrijverschap. Een schrijver die veel meemaakt schrijft minder beschouwend proza, dan een schrijver die veel meemaakt. Je zou de literatuur kunnen indelen in boeken waarin veel gebeurt en boeken waarin weinig gebeurt. In de boeken waarin weinig gebeurt, wordt veel bespiegeld (is het niet expliciet door de schrijver, dan wel door de lezer). En omgekeerd. Gisteravond las ik een mooi boekje uit dat ik in Parijs had gekocht, La Petite Roque, een verhaal van Guy de Maupassant. Daarin gebeurt het volgende: een postbode ontdekt het levenloze lichaam van een jong meisje in het bos bij de rivier. De burgemeester wordt verwittigd, die op zijn beurt de dorpsarts, en ook de juge d'instruction (rechter-commissaris) erbij haalt. Men gaat kijken. Het meisje ligt er decent bij, slechts een klein beetje bloed. De médécin merkt cynisch op dat het spatje op haar gezicht door sommige vrouwen met opzet zou worden aangebracht, als mouche de beauté. De moeder van het meisje stort haar tranen. Enige tijd verstrijkt, de misdaad blijft onopgelost. Dan wordt de burgemeester, alleen in zijn kamer, nachtenlang geteisterd door hallucinaties. Door het raam in zijn kamer ziet hij het meisje, la fillette morte, telkens opnieuw, in alle gedaanten. Hij overweegt een kogel door zijn kop te jagen, want hij is schuldig, natuurlijk is hij schuldig, hij heeft haar verkracht en vermoord (dat laatste nadat zij weigerde zwijggeld aan te nemen, leren we in een flashback), maar hij durft het niet. Uiteindelijk besluit hij een brief te schrijven aan de rechter waarin hij alles bekent. Maar als hij die brief gepost heeft, slaat de twijfel toe, en wil hij alles terugdraaien. Hij smeekt de postbode die de bus komt legen, om hem de brief terug te geven, maar die weigert. Hij laat zich niet omkopen, ook niet voor honderdduizend francs. (Dat waren nog eens tijden.) De burgemeester trekt zich wanhopig terug in zijn kasteeltje; even later verschijnt hij aan het venster boven in de toren. 'Puis soudain, pareil à un nageur qui pique une tête, il se lança dans le vide, les deux mains en avant'. Meer heeft een schrijver niet nodig.

Uitgeappt

6 juli jongstleden raakte ik telefoonloos. Ik was daar aanvankelijk erg blij mede, maar mijn blijdschap werd niet breed gedeeld en om eerlijk te zijn begon ook ikzelf na een poosje terug te verlangen naar de mogelijkheid te allen tijde, en van waar dan ook, met wie dan ook te komnunietzeuren. Afijn, die telefoon kwam er, met dit verschil dat ik weigerde er nog langer op te appen. Zie het als mild verzet tegen onze telefonomanie.
De 'stilte' op dit front (sms'en doe ik wel; kun je ook niet uitzetten) bevalt me nog steeds prima, maar ik vermoedde dat diverse 'contacten' niet of onvoldoende op de hoogte waren van mijn app-defectie. Ze bleven me namelijk appjes sturen, zo kreeg ik mondeling dan wel via email te horen, en ik reageerde maar niet. (Wat was er in godsnaam met me aan de hand?) Voor een vriend die slechtziend is, zeg maar gerust blind, was het moeilijk zeg maar gerust onmogelijk om na te gaan dat er maar één vinkje stond, en nooit twee, laat staan twee blauwe vinkjes, als hij mij een voice-appje had verstuurd, waaruit hij zou kunnen afleiden dat ik uitgeappt was. (Nu zal hij me moeten bellen. Ik verheug me op zijn telefoontjes.)
Wat nodig was, was niets meer maar zeker ook niets minder dan het verwijderen van mijn account.
Ik ben goed in het verwijderen van accounts. Accounts die ik in het verleden heb verwijderd: mijn linked-in account, mijn facebook-account, diverse twitter-accounts, en nog wat accounts waarvoor ik me schaam (of zou moeten schamen).
Vraag me niet waarom, maar gisteren leek mij opeens het moment daar om de whatsapp-account definitief op te heffen. Daarvoor was het wel nodig, o paradox, om het vermaledijde programmaatje opnieuw te installeren, en toen ik dat deed, betrapte ik me erop toch wel weer een   k l e i n   b e e t j e benieuwd te zijn naar de appjes die ik sinds 6 juli had gemist.
Ik werd niet teleurgesteld.

Post-publicatie blues

Gisteren bijna de hele dag in bed doorgebracht. Wat moet ik anders? Aan mijn nieuwe roman werken? Boekhandels af fietsen om te zien of ik er lig, hoe ik er bij lig en temidden van wie? Gratis exemplaren aan mensen rondbrengen van wie ik meen dat die er een verdienen, met doorwrochte opdracht in rouille d'ancre?
Ik had een goede smoes om in bed te blijven: ik wilde Bonita Avenue uitlezen. Dat boek stond me al zo'n jaar of vijf vanuit mijn boekenkast aan te kijken. Drie dagen geleden besloot ik dat ik het in evenzoveel dagen tot mij wilde nemen.
Natuurlijk was ik er al eens eerder in begonnen. Toen knapte ik af op de gespierde toon, de haast, de overspannen beeldspraak. Niet mijn stijl, dacht ik. Maar nu ik het uit heb moet ik toegeven dat alles vrij kunstig in elkaar past.
Buwalda schakelt soepeltjes tussen tijden en perspectieven. Soms slaat hij zijpaden in, ik denk uit een behoefte aan volledigheid, die minder boeien (bijvoorbeeld de jeugd van de hoofdpersoon). Sigerius is geloofwaardig als judoka, wiskundige, rector en zelfs als minister (alleen Mulisch had het aangedurfd om zijn hoofdpersoon tot minister te laten benoemen), tot hij doorslaat. Welke minister gaat zijn eigen – toegegeven: gevaarlijk ontspoorde – zoon te lijf met een bijl nadat deze hem halfhartig geprobeerd heeft af te persen? En al eerder, dat zijn leven geen betekenis meer had na de ontdekking van de porno van zijn stiefdochter. I didn't buy it.
Maar dat is een klein smetje op een strak gecomponeerde roman die staat als een huis en die de lat voor elke Nederlandse romanschrijver een stukje hoger heeft gelegd.
Niet het meest geschikte boek om mijn post-publicatie blues mee te bestrijden.
Of toch.

De dag na de dag van verschijnen

Hoogtepunten van de mini-boekpresentatie bij Fa. Pekelharing: de plotselinge emotie bij Medische Broer; de Senecaatjes van Rob van Essen (Innerlijke rust – 'noodzakelijke teksten nu er weer een boek van je verschijnt'; eerste regel: "Als ik mijn blik naar binnen richt, zie ik daar diverse zwakheden."), de little red dress van teerbeminde, de lol van mijn zuster met de wildvreemden aan de belendende tafel, die zich met onze tafel wensten te bemoeien.
Zelf moest ik voor het toetje weg voor het radioprogramma Podium.
'Je moet nog wat zeggen,' zei mijn vrouw. 'Je kunt er niet zomaar vandoor gaan.'
Dus stond ik op en tikte tegen mijn glas. Het was belachelijk om te willen spreken in een overvol, luidruchtig restaurant, maar ik hield het kort. Ik bedankte mijn uitgever voor het doen verschijnen van mijn boek en voegde er aan toe, in lijn met wat ik Woody Allen in een documentaire op Canvas had horen zeggen, dat ik gelukkig was als mijn boek ertoe zou leiden dat ik n o g een boek zou mogen schrijven. Vervolgens liep ik naar buiten en sprong op mijn fiets op weg naar het Vondelpark, waar ik in een anti-alt right demonstratie belandde inclusief overvliegende politie-helikopters, en van interviewster Mieke van der Weij hoorde dat er een aanslag was geweest in Barcelona. Het valt niet mee om je in bubbel te blijven zitten, maar misschien moet je dat ook niet willen.


Dag van verschijnen


Jaren geleden heeft mijn geliefde costumière een changeant indigo pak voor me gekocht van Martin Margiela. Een bijzonder pak, omdat het van hout is gemaakt. De snit is zodanig, dat hij nogal ruim valt over de schouders, met wijde pijpen enzovoorts; niet de strakke look, dus, waarin men thans menig gekostumeerd baardje in de stad ziet. Daar komt bij dat het jasje gek genoeg weer krap is in de armen, waardoor het onmogelijk is om iets van de grond te rapen, maar dat moet je misschien ook niet willen.
Ik heb dat pak nog nooit aangehad, maar het leek me een goed idee om het nog een kans te geven. Voor mijn gevoel was ik naar dat pak toegegroeid. Het is immers ook een bijzondere gelegenheid, zo'n dag van verschijnen. Het is de vierde dag van verschijnen in mijn leven, en je weet nooit hoeveel er nog volgen. Als Kim Jong-Un bijvoorbeeld al dan niet per ongeluk zijn raket niet op Alaska richt, maar op de Amsterdamse Rivièra, dan is dit denkelijk de laatste voor mij.
Toen ik vanochtend bij de koffie mijn nieuwe ouwe pak kwam showen, riep mijn geliefde costumière verschrikt uit: 'Wat heb je  n u  weer aan? Je ziet er uit als een clown!' Ik sputterde tegen dat dit toch echt het pak was dat ze jaren geleden voor mij had gekocht. 'Om te beginnen moet je het strijken! Die broek is een en al kreuk. En dat jasje ook!' 'En mijn overhemd?' vroeg ik. 'Ook.'
Ik weet dus wat mij te doen staat. 

Hij is er:



Hij is er, want ik heb hem in mijn hand. Vers van de pers. U, lezer, zult nog tot donderdag op mijn roman moeten wachten, maar dat lijkt me een overbrugbare periode (volgens mij kun je hem wel alvast bestellen, bijvoorbeeld hier).
Ik word ondertussen vervuld van een vreemd mengsel van trots en, ja, van wat eigenlijk? Droefheid, vrees ik toch wel. Droefheid om het afscheid van de tekst, denk ik, waar ik vier jaar aan heb gewerkt, eerst heel intensief, en daarna eindeloos schavend. Een zelfde droefheid misschien die een moeder overvalt die afscheid neemt van een kind dat gaat studeren.
En twijfel, eeuwige twijfel, over wat nu te doen: diep onder de lakens duiken (wat ik eigenlijk wil), of de wereld in om iedereen van deze nieuwe titel op de hoogte te brengen (wat moet).
Eerst maar eens een glaasje. Eins zwei drei saufen!

De Redding van het Schorre Poesje

Toen de gastheer en ik neerploften in de media room van zijn nieuwe Haarlemse huis om zijn laatste cadeau aan zichzelf te zien/horen – een state of the art geluidsinstallatie –, stak zijn vrouw haar hoofd tussen de schuifdeuren en zei: 'Er miauwt een poes in het schuurtje bij de buren.'
'Wat wil je dat ik daaraan doe?'
'Weet ik ook niet.'
De gastheer wachtte tot zijn vrouw de schuifdeuren weer had gesloten en draaide het volume omhoog, Charles Mingus' The Black Saint and the Sinner Lady.
Nu was het mijn vrouw die haar hoofd tussen de schuifdeuren stak om te zeggen dat er een poes miauwde in het schuurtje van de buren, met de toevoeging: 'Hij is schor van het miauwen.'
Wat bleek, het gemiauw was al drie weken te horen geweest.
Ik liep de tuin in, klom over het muurtje en opende het schuurtje. Een zwarte, broodmagere poes kwam naar buiten met een air van 'what took you so long, wise guy?' Hij was door een opening onder het dak het schuurtje in geglipt of gegleden en zat sindsdien als een rat in de val.
De gastheer reikte me over het muurtje een kom melk aan, die ik voor de poes neerzette, maar hij verdween meteen door het kattenluik naar binnen.
Later kwam degene die was aangewezen om de poes van de buren te verzorgen, de poes verzorgen. 'We vroegen ons al af waar het poesje was.'

Als ik niet denk aan datgene waaraan Murakami denkt als hij denkt aan rennen

Ooit huldigde ik de mening dat sport (door mij althans) niet beschreven maar bedreven dient te worden, maar nu voel ik de behoefte om over rennen te schrijven. Mijn rennen, het dagelijkse rennen waaraan ik een maand of wat geleden ben begonnen.
Aan het huis in Normandië lag een tamelijk groot gazon, en om dat gazon rende ik 's ochtends, met de dauw in het gras, rondjes. Halfnaakt en blootvoets. Dit geeft een voldoening die grenst aan het erotische. In Florence rende ik ook rond in de tuin, alleen was die tuin kurkdroog; hier bleven geen grassprietjes aan mijn edele voetzooltjes plakken, maar vreesde ik daarentegen verrast te worden door verdekt opgestelde horzels, schorpioenen en slangen. Ik stelde me voor hoe omwonende Florentijnen ontwaakten, de luiken voor hun ramen openden en een melkwitte man door hun binnentuin zagen rennen, met alleen een slipje aan.
Op tennisschoenen rond het water in Amsterdam is minder opvallend – bijna normaal zelfs. Minder erotisch ook. Als nieuwkomende renner word ik nu eens bejegend met een welwillend 'join the club'-knikje, dan weer met ronduit vijandige blikken, maar het vaakst word ik volkomen genegeerd. Zo zijn de wetten van de stad.
Mijn ademhaling: door de neus in – pa-dam – en door de mond uit, en die cadans proberen vol te houden.
En: hoelang nog?
En: hoe groot is de kans dat ik dood neerval?
Dat is waar ik aan denk, als ik niet denk aan datgene waaraan Murakami denkt als hij denkt aan rennen.

Molkamer

Ik lees dat in Manhattan sinds een paar maanden een wreckage room ofwel molkamer beschikbaar is voor mensen die eens rustig op hun gemak dingen willen slopen (de eerste was overigens in Dallas, in 2008). Op zulke momenten verlang ik terug naar New York. Dingen straffeloos mollen is een oude, en terugkerende wens van mij, een die teruggaat op mijn pubertijd, en ik vermoed dat ik niet de enige ben. Wie wil er nu niet af en toe uit pure frustratie, of gewoon voor de decadente lol een vaas stuk gooien tegen de muur of een bijl zetten in een computer? In deze nette, veilige tijden (de tijden zijn nog nooit zo net en veilig geweest), wordt die behoefte alleen maar groter, zou je denken.
Zeker, het mollen in zo'n molkamer is gecontroleerd mollen. Piñata voor volwassenen. Je molt eigenlijk niks want de spullen die je mag mollen zijn er om gemold te worden (afgezien van de laptop dan die de organisator in New York per ongeluk in de kamer had laten liggen). Dat geeft wel iets minder voldoening, vrees ik, maar het grootste probleem van het concept van de molkamer lijkt me dat sloopwoede zich niet laat regisseren. Op het moment dat je van flat screens aan gruzelementen slaan een date maakt, is, vrees ik, de aardigheid er van af, maar dat weet ik niet zeker.
Misschien is het, als tegenwicht voor al dat constructieve gedoe in ons opbouwende bestaan, wel  a l t i j d  fijn om te slopen, en komt in de molkamer de molbehoefte als, nou ja, een mol in je naar boven.

Ik hoef hiervoor niet naar New York, zie ik. In Tilburg kan het ook. Kijkende naar de promofilmpjes ben ik alleen bang dat ik, door dingen te mollen, misschien ook een stukje van mezelf mol, en daar heb ik geen molkamer voor nodig.

Dertiende werkdag

Omdat vakantie hard werken is, en werk een vorm van vakantie, neem ik mijn kleintjes mee naar de oud-bibliothecaresse in de Jordaan.
Ze is niet alleen; een man met een grijze Chriet Titulaerbaard komt van zolder naar beneden met de was. 'Ah, de schrijver,' zegt hij toonloos.
'Ben jij van Cordaan?' vraag ik.
'Nee. Ik ben van niemand.'
De oud-bibliothecaresse staart ondertussen mijn kleintjes aan vanuit haar verstelbare stoel alsof het buitenaardse wezens zijn, creaturen uit een ander universum, ontsnapt uit een onvermoed wormgat. Gebiologeerd kijkt ze toe hoe ze aanvallen op de donuts die ik in de keuken aantrof. Ik kijk mee. Het is ook een schouwspel. Beter dan televisie, zoals hun moeder pleegt te zeggen.
Op hun beurt verbazen de kleintjes zich over de manier waarop de oma die geen oma is smult van een kiwi die ik voor haar in partjes heb gesneden. 'O, o, o, wat lekker is dit, zeg!'
Dan is het stil. Ik nodig de acht-jarige uit om wat moppen te tappen.
'Wat is het tegenovergestelde van framboos? Framblij!'
De oud-bibliothecaresse lacht hard. Te hard.
'Hoe noem je een skelet in een kast? Iemand die honderd jaar geleden heeft gewonnen met verstoppertje!' Ik vind hem wel aardig, maar de oud-bibliothecaresse kan er niet om lachen.
Nog niet.
De moppen raken op. De oud-bibliothecaresse grijpt naar haar shag; wij gaan op zolder kijken.
Als we weer beneden zijn, en nog even getuige zijn van haar ouderdom, barst ze ineens opnieuw in lachen uit. Weer die harde lach. De lach van een krankzinnige. De drie-jarige klimt verschrikt op mijn schoot. De achtjarige is alleen verbaasd dat het zolang duurde.

Streep door kippenplan

Ondanks Chickfriend-gate wordt me van alle kanten afgeraden vleugellamme tweevoeters als huisdier te nemen – eierleggend en lid van de dameskerk of niet.
'Heb je enig idee hoeveel troep en zooi die kippen geven?' waarschuwt mijn moeder in haar eerste email dienaangaande.
Haar tweede email onmiddellijk erachteraan gooit het over een andere boeg: 'Wij moesten onze kippen heel snel wegdoen vanwege klachten van Steenkamp!'
Dat moeten de kippen zijn geweest die veertig jaar geleden voor Medische Broer werden besteld. Twee hennen en een haan. Die haan verklaart waarom de oprichter van het CDA hinder ondervond, ook al woonde hij drie villa's verderop. Het kan hem niet te doen zijn geweest om de troep en zooi, want die bleven buiten zijn gezichts- en reukveld. Kukeleku is storend, zelfs voor een christendemocraat, met name als de kukeleku op een onchristelijk tijdstip klinkt.
Het pluimvee werd bij een boer ingeruild tegen twee albino konijnen, maar van die schatjes kan ik me niets herinneren. Ik kan me alleen nog het konijn herinneren dat eerst door de hond in het bos was gevangen (en per ongeluk dood gebeten, want doden lag niet in haar aard), en dat vervolgens in de achtertuin op indrukwekkende wijze werd ontleed door – wie anders – Medische Broer, met het kookboek erbij. De vacht werd tussen een fietswiel gespannen om te drogen. Van dat bontje is later nog een mutsje genaaid, waarmee ik voor gek liep.
Mijn zuster vertelt dat ze buren had met kippen. Die vraten de hele tuin op. Bovendien pikte de ene gemeen in de ander. Om die pikorde te verstoren kreeg de butch een ringetje om haar snavel, die pikken naar eten nog net wel mogelijk maakte, maar pijnlijk pikken niet.
Toen ik op internet ook nog las dat er bij sommige kippensoorten risico bestaat dat hun kam bevriest in de winter, dacht ik: laat maar.
Nu alleen nog even het kippenplan uit het bewustzijn van mijn drie- en achtjarige wissen.


Hokken

Sinds ik mij tijdens de Grote Vakantie in een vlaag van verstandsverbijstering had laten ontvallen dat het wellicht leuk zou zijn om aan de Amsterdamse Rivièra ook kippen te nemen, word ik door de peuter en de achtjarige gecornerd om een kippenhok aan te schaffen. Prima, ze willen best accepteren dat ik nog andere plannen heb, en vooral ook bedenkingen bij het kippenplan, maar eerst moeten we naar de winkel voor het kippenhok, dus voor ik het weet sta ik in de Intratuin, een winkel die ik doorgaans probeer te mijden, en luister naar een medewerkster die niet onvriendelijk maar beslist zonder enthousiasme uitlegt welke typen kippenhokken er zoal zijn en wat ze kosten. Om met het laatste te beginnen, ik stijger nogal bij prijzen van rond de 300 euro voor een paar plankjes en wat gaas, want dat is toch wat een kippenhok in de grond behelst, schat ik zo in, met mijn, toegegeven, beperkte, kennis van kippen en hun habitat. Ik besef dat ook de markt voor dierenbehuizingen er een is die wordt beheerst door vraag en aanbod  en constante innovatie om de concurrentie voor te blijven. Een van die hokken heeft twee slaapkamers. Dat lijkt me wat teveel van het goede. De twee kippen die ik maximaal in mijn achtertuin tolereer, zullen het met één slaapkamer moeten doen. Van de dameskerk dus. (En eieren leggen anders zwaait er wat.)
Bij de firma Ranzijn dwalen mijn gedachten af naar de geprononceerde achillispezen van de medewerkster die mij voorgaat de trap op naar de mezzanine, waar een schappelijker geprijsd kippenhok staat.
De driejarige en de achtjarige bestuderen een vogelkooi waar ze zelf makkelijk in zouden passen; erin en eruit door het krappe deurtje wordt wel een beetje proppen, maar dat is een kwestie van oefenen. 'Die kopen we,' zeg ik tegen de achtjarige. 'En dan stoppen we daar jouw zusje in.'
Dat lijkt ze wel wat.

Vechten in de liefde

Behalve een examen om kinderen op te mogen voeden, moet de overheid ook vechtcursussen aanbieden aan echtelieden.
Verliefd worden is zo gebeurd, maar om een liefde in stand te houden is vechtkunst onontbeerlijk. Examen-onderdelen: de welluidende klap, de goedgeplaatste stomp, de stevige maar niet te stevige duw. Dus niet meteen gaan krabben, haren trekken en bijten. Krabben, haren trekken en bijten mag alleen als de tedere technieken zijn uitgeput. Hoe dan ook niet schoppen en met de dood bedreigen.*
Trouwens: verbaal geweld is ook geweld, maar fysiek geweld, mits ingehouden, met stijl en compenserend voor elkaars tekortkomingen, is zoveel bevredigender.
Ik moest hieraan denken bij het herzien van een scène uit Scenes uit een huwelijk bij Zomergasten. Bergman was waarschijnlijk met vijf huwelijken ervaringsdeskundige, maar elk echt huwelijk moet eraan geloven. Ik wil zelfs zover gaan om te stellen dat echtelieden die niet vechten geen echtelieden zijn, maar aandeelhouders of huisgenoten. Ook prima, en lekker rustig inderdaad, maar van een andere orde. Liefde maakt dierlijke gevoelens los. Een marsmannetje dat die Marianne en Johann zag vechten in Scenes uit een huwelijk, zou denken dat het om een een hogere diersoort ging. (En dat is natuurlijk ook zo.)
Vechten in de liefde is seks voortgezet met andere middelen.

*Hier is de hele scene, die verontrustender is dan het stukje dat Zomergasten liet zien, en nog beter de emotionele chaos blootlegt. Zo moet vechten tussen geliefden dus  n i e t, want ze gaan scheiden, en dan heb je het gevecht dus opgegeven.

Internetdagboek en zelfcensuur

'Kun je niet een keer wat aardigs over me schrijven?' had teerbeminde lieftallige Reiseführer tijdens de Grote Vakantie uitgeroepen.
'Je bent altijd zo gemeen.'
En: 'Ik wil niet meer dat je me aanduidt met LT.'
Een internetdagboek heeft voor- en nadelen. Om met de voordelen te beginnen: je wordt gelezen. Al was het maar door de hoofdpersoon uit des internetdagboekers leven. Maar daar zit ook meteen het nadeel. Want de internetdagboeker gaat rekening houden met die hoofdpersoon. Die gaat aan zelfcensuur doen. Dat levert geen literatuur op, – zelfs niet op internet –, want literatuur verdraagt geen censuur. Literatuur vereist wrijving. Niemand zit te wachten op zoetsappige liefkozingen en uitingen van intense tederheid. Ja, geliefden natuurlijk wel, maar dan kun je ze beter verpakken in een brief, of in een persoonlijk opgedragen gedicht. Of nog beter, je kunt ze mondeling overbrengen. 'Ik vind je lief.' 'Wat zie je er verrukkelijk uit vandaag.' En: 'Wat heb je de Grote Vakantie toch fantastisch geregeld.'
Zo.
Nu tevreden?
Vast niet, want A. zei ook nog: 'Ik wil niet meer dat je over me schrijft.'

Le défaut des clignoteurs

Vandaag de terugtocht aanvaarden zonder werkende clignoteurs.
Dat de richtingaanwijzers niet meer werkten wisten we al toen we uit Parijs vertrokken, maar we moesten toch alsmaar rechtdoor, dus ik voorzag geen problemen. In Normandië aangekomen, kreeg ik hier en daar in het verkeer toch wel te maken met links- en rechtsaf, waardoor de behoefte om de richtingaanwijzers te fixen toenam.
Het geval wilde dat L., de kippenslachter en man van de vriendin uit Amsterdam, bijzonder handig bleek te zijn, en bereid om even naar mijn auto te kijken.
Hij deed de pet af, die min of meer verkleefd was met zijn schedel, trok zijn t-shirt uit, en wurmde zich onder het dashboardkastje met de lantaarn uit zijn telefoon, op zoek naar zekeringen. Ik stond erbij en keek naar zijn wonderlijk vergroeide navel, maar die deed niet ter zake.
L. vond de zekeringen, maar dat hielp niet.
In de buurt vond ik een Renault garage. Daar dook opnieuw een man onder het dashboard, nu met zijn kont omhoog zodat ik zowel zijn workman's cleavage als onderbroekband kon bewonderen, waarop FREEMAN of zoiets stond, maar ook dat deed niet ter zake. Hij raadde me aan een Volvo-dealer op te zoeken.
De Volvo-dealer te Le Havre, een hippe vogel met talrijke onleesbare tattoo's op de armen, zag meteen dat het probleem dieper zat dan een zekering vervangen.
'Voorzichtig rijden,' raadde hij aan.
Ik ga mijn best doen. Mocht er iemand achter mij aanrijden en denken wat een aso, dan weet zij: ik bedoel het goed.

Wulk

Zoals de meeste vormen van geplande gezelligheid, is uiteten een kwestie van verwachtingen managen. Mij leek het verstandig om de verwachtingen ten aanzien van visrestaurant Chez Nounoute te Fécamp waar we op aanraden van onze AirBnB-host en kippenhouder David hadden gereserveerd enigszins naar beneden bij te stellen toen we door een forse, norse serveerster naar onze tafel waren gedirigeerd in een doorzichtige plastic terrastent, maar de Reiseführer wilde graag tot het allerlaatst blijven geloven in de uitstekende keuze die wij/zij hadden/had gemaakt.
'Quoi?' blafte de serveerster met schorre stem, toen ik voor LT extra pommes frites wilde bestellen.
'Pommes frites,' verduidelijkte ik.
'Ah, des FRITES!' riep ze uit.
'Oui, des frites,' mompelde ik verbaasd. 'Ma femme aime des frites.'
De borden werden vervolgens, vond ik, nogal liefdeloos voor onze neus neergeplempt.
Ik had bulots (wulk) besteld, een lokale specialiteit. Ik had nog nooit wulk gegeten. Kinkhoorn is een andere benaming voor wulk, en hoewel ik zowel wulk als kinkhoorn interessante benamingen vind (het woord kieuwslak al minder), deed mijn gerecht het meest denken aan lauw rubber met zweetsmaak.
LT was na afloop misnoegd over mijn kritische kanttekeningen. 'Jij weet altijd iets negatiefs te vinden,' zei ze. 'Het is voor jou nooit goed.'
Mijn gymnasiast knikte.
Soms denk ik dat ik niet geschikt ben voor gezelligheid.

Een bepaald rukje

'Als je doorgaat met die kippen vet te mesten, teken je hun doodvonnis,' zegt L., de man van de vriendin uit Amsterdam die langskomt met de camper in Normandië. Hij weet waar hij het over heeft. Hij had ooit zelf '6, 4, 3, 1, 0' kippen, toen hij in de Italiaanse Alpen woonde.
Ik had hier niet bij stil gestaan. Ik dacht dat ik mijn kippen aan het verwennen was, uit dankbaarheid voor hun perfecte eitjes en hun nou ja, blote bestaan. Ik heb ze zelfs een restje chips gegeven. Naturel. Daar haalden ze eerst hun neus voor op, bleven doorjammeren op die typische pluimvee-achtige manier, een soort lang aangehouden kakel, alsof er iets vast zit in hun keel waardoor ze niet door kunnen kakelen, met als boodschap: kom eens met iets beters, zoals die pasta bolognese van gister, die was lekker, niet deze kleurloze rommel, maar toen ik een paar uur later weer in hun ren ging kijken, was er van de chips niets meer over. Rijst voer ik Kip & Pik sinds LT rijst maakte, – ze is een fantastische kok maar rijst koken is niet haar fort –, en waar dus een heleboel van overbleef, maar ook daar hebben ze inmiddels de buik van vol. Half laten verhongeren dan maar, voor hun eigen bestwil, à la 'presque autonome'?
L. slachtte zijn kippen zelf, als de tijd daar was. Een kip draai je niet zozeer de nek om zoals je een kraan open of dicht draait, maar, legt L. uit, je pakt hem op bij de nek en geeft hem een bepaald rukje. 'Het is niet zozeer schokkend om te doden, maar om te beseffen hoe makkelijk het is.'

Mijn – onze – kippen

De second leg van de Grote Vakantie brengt ons – beter gezegd: brengt die Reiseführer ons – naar Normandië. Hier geen zwemprobleem (wel een strandprobleem trouwens, met die keien overal) en ook de dorpjes zijn pittoresk, maar wat mij het meest charmeerde waren de kippen die inbegrepen zaten bij het AirBnB-huis. Het waren er twee. Mijn achtjarige doopte ze Snelle en Zeldzame, maar omdat iedereen de hele tijd wilde weten wie nu Snelle was en wie Zeldzame, en hijzelf niet consequent was in zijn antwoorden, herdoopte ik ze Kip en Pik, met als ezelsbruggetje dat de zwarte Pik was (als in pikzwart ). Pik bleek nog in meerdere opzichten een goedgekozen naam, omdat zij alles voor Kip haar snavel wegvrat, en sowieso de dominantere van het stel was.
Nos deux poules sont "presque" autonomes, hadden de verhuurders geschreven, met de toevoeging, dat ze het toch wel op prijs zouden stellen als wij ze af en toe water gaven, en kliekjes eten.
'Mogen wij voor de kippen zorgen?' luidde de vraag van achtjarige, geschreven op een uitwisbaar bord. LT schreef ja maar natuurlijk, graag zelfs; maar ik was jaloers. Ik wilde  z e l f  voor de kippen zorgen. Iets in mij voelde een onmiddellijke, sommigen zouden zeggen kosmische, affiniteit met deze vleugellamme tweevoeters, wier algoritme leek te bestaan uit pikken-pitten-broeden, en die ons op de dag van aankomst acht (8!) eieren hadden geschonken. Die eieren hadden ze overigens op de composthoop gelegd, mogelijk omdat in de legkamer hoognodig stront diende te worden geschept. Dus dat deed ik, en prompt lag er een paar uur later weer... een geometrisch wonder.

Anxiety

Vandaag mijn eerste korte Het dispuut-interview gegeven, dat bij de eerste recensie zal verschijnen, in het Vlaamse blad Knack. Ik was behoorlijk zenuwachtig. 'Deze journalist is de eerste buitenstaander die iets van mijn boek gaat vinden,' maakte ik mijn vakantiegenoten van mijn anxiety deelachtig, 'de eerste niet-belanghebbende.' Helemaal juist was dat laatste natuurlijk niet. Ik heb schrijvers geïnterviewd en boeken gerecenseerd, en ik weet maar al te goed dat ook de interviewer/recensent deel uitmaakt van het literaire bedrijf en in die zin belanghebbende is. Maar dat maakte mijn anxiety er niet minder om.
'Wij gaan wel koffie drinken in een tentje, dan kun jij hier rustig praten,' zei LT.
Dat voorstel veranderde niet veel later in: 'Wij gaan wel in de woonkamer zitten, dan kun jij rustig in de keuken praten.'
'Nee,' zei ik tenslotte, 'ik ga de deur uit.'
Het leek me eigenlijk wel wat om wandelend door het matineuze 10e – Paris s'éveille – mijn interviewer te woord te staan, maar toen hij belde en ik hem nauwelijks bleek te kunnen verstaan met het stadsgeruis om me heen, vluchtte ik terug door de court het appartementengebouw binnen.
Zo ijsbeerde ik in het trappenhuis, om mezelf galmend te horen oreren over 'het onzichtbare complot der gepriviligeerden', de eeuwigdurende geweldsspiraal en meer van dat fraais, tegenover de journalist Marnix Verplancke, die, net zoals ik filosofie bleek te hebben gestudeerd, maar die, zoals de meeste filosofiestudenten,  n i e t  bij 't corps had gezeten.
Zesentwintig minuten duurde het gesprek. Gebrek aan tekst was er niet, – dat is er zelden –, maar zulks zegt niets, weet ik inmiddels.
Met dampende oksels hees ik mezelf weer de trap op naar mijn Grote Vakantie. Over ruim drie weken weet ik meer, en u ook. Maar de kop is eraf, en dat is een glas waard.

Zwembakdebacle

Het was een prachtig plan. Zaterdag zou het warm worden en gingen we zwemmen bij Paris Plage aan het Bassin de la Vilette, waar dit jaar niet alleen strandstoelen zouden staan maar tevens drie bakken in het water waarin  g r a t i s  kon worden gezwommen in  n a t u u r w a t e r .
Bij aankomst evenwel bleek de Haut Hygiënist de Paris teveel bacteriën in datzelfde natuurwater te hebben gemeten en kon het feest niet doorgaan. De achtjarige pikte het niet, begon te huilen en om zich heen te slaan. Hij  m o e s t  zwemmen. Dit was hem b e l o o f d. Ook de peuter was hevig verontwaardigd.
Wat nu? Naar een meer in Bois de Boulogne? Een Centre Aquatique te Neuilly? We besloten Piscine Josephine Baker op te zoeken: een vergelijkbare zwembak in de Seine, maar dan met dode bacteriën, omdat ze zijn gechloreerd. Daar aangekomen, het liep inmiddels tegen vijven, de toonhoogte van de achtjarige was alweer een octaaf gestegen vanwege de opwinding over het aanstaande zwemmen, werden wij door de vriendelijke juffrouw achter het loket gewezen op a. de zwemmuts, en b. de strakke zwembroek. Beide: verplicht.
Mijn gymnasiast en ik keken naar de zwembroeken die wij, o effiency, reeds thuis hadden aangetrokken en die allesbehalve getuigden van strakte. Alweer ging het feest niet door, als we tenminste niet 100 euro wilden neerleggen voor een uurtje familiaal droog haar-en-afgekneld geslacht-zwemmen*. Opnieuw sprongen de tranen bij de achtjarige uit de ooghoeken. Wij troostten hem met de gedachte dat we het de volgende dag nog eens zouden proberen op Paris Plage en dat we zouden bidden dat de Haut Hygiënist de Paris geen nieuwe bacteriën aantrof.
Vandaag werden we inderdaad toegelaten tot de zwembakken bij Paris Plage, alleen was het ijskoud, nou ja, voor een zomer dan, stond er een storend harde wind, en was uw vakantieschrijver geveld door zijn eigen bacterie, waardoor aan de Tweede Hoofdwet Van Frölke bij hoge uitzondering geen gehoor kon worden gegeven.

* Wat heeft die Speedo-plicht in Franse zwembaden trouwens te betekenen? Badmutsen begrijp ik, – koks dragen ook mutsen –, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat met het verbieden van shorts etc. in zwembaden tevens een bepaald soort mensen conveniently uit deze instituten wordt geweerd.


La Grande Épicerie



Omdat Adriaan van Dis dit heeft aanbevolen in zijn 'Stadsliefde. Scènes in Parijs', fietsen wij en famille, opnieuw met gevaar voor eigen leven, naar La Grande Épicerie in het 6e, waar Van Dis woonde. Hij stelt het in zijn boek voor als de ultieme eetwinkel, waar niet alleen alles verkrijgbaar is, maar ook nog in de beste versie denkbaar (in Frankrijk, en dus de wereld). Met zoveel superlatieven moet het tegenvallen. La Grande Épicerie lijkt nog het meest op de food-afdeling van een Harrod's achtig warenhuis, maar wat ik me van Harrod's kan herinneren was toch echt een paar maten groter en decadenter, en zelfs in een winkel als WholeFoods in New York stond tien jaar geleden bijvoorbeeld iemand speciaal voor jou grote brokken chocola in het gewenste cacao-percentage te hakken uit een moederrots.
Dit neemt niet weg dat LT meteen gaat shoppen. Ik zoek op de meubelafdeling naar een plek waar ik met de peuter die op mijn borst pit aangenaam kan verpozen. 'Hoeveel denk je dat die gouden vogel kost, in die glazen stolp?' vraag ik aan mijn gymnasiast, wijzend op een object van de firma Vitra. Hij denkt vijftig euro. Ik denk driehonderdvijftig. Hij gaat checken. 'Duizend euro,' glimlacht hij.
Iets voor Adriaan van Dis.

Versailles



Komende uit een gemanicuurd bosje, stak ik mijn weinig gemanicuurde vuisten in de lucht en riep uit ten overstaan van mijn gezin, dat op een gemanicuurd gazonnetje de lunch gebruikte: 'IK HEB GEPLAST OP VERSAILLES.'
Mijn gezinsleden keken me schaapachtig aan. Zij hadden immers net zelf  o o k  geplast op Versailles. Zo'n prestatie was dat dus niet, plassen op Versailles. Poepen op Versailles, ja, dat zou nog wel enige indruk kunnen maken, maar vooralsnog had niemand het in zich, op dat moment, om te poepen op Versailles.
Trouwens, het zou een loos statement zijn.
We betraden het kasteel. Dat bleek een uitstekende zet, achteraf gezien, om laat naar Versailles te gaan vanuit Parijs, een late lunch te gebruiken in de beeldentuin (buiten het zicht van de tuinpolitie), en het sfeervol door laat licht beschenen chateau binnen te gaan als iedereen er uit ging.
Ook een goed idee: 3 seconden max per zaal.
Bij een relatief sobere salle à manger, waarvoor verder niemand interesse toonde, bleef ik staan. Aan één tafel, waarop vijf zilveren bordjes waren gedekt met kunstig gevouwde servetten erop, stond, aan de lange zijde één grote, met goud damast beklede zetel (de rugleuning naar de open haard gericht), plus twee krukjes links en twee krukjes rechts aan de korte zijden.  Een paar meter verderop waren in een halve cirkel naar de tafel toe nog acht krukjes gepositioneerd, voor de hofdames.
Dit leek mij nog helemaal niet zo'n gekke opstelling, maar iets in mij zei dat ik die er niet zonder slag of stoot doorheen zou krijgen.

Afscheid van correspondentschap

Gisteren mijn eerste vakantiemiddelvinger gekregen. Van LT. Ergens op een kruising in de Marais. Ik stak over op de fiets bij oranje, zij stopte voor rood, ik keek om met een blik van waar blijf je en toen kwam hij dus, die middelvinger.
Hij is een bekende van me. Hij wordt me niet alleen in de vakantie geserveerd. Op de Van Wou in Amsterdam zou ik hem ook hebben gekregen.
Fietsen door Parijs rond het spitsuur met drie kinderen in je kielzog op weg naar Centre Pompidou deed me denken aan mijn ouders die veertig jaar geleden op de Périférique stonden, in hun tot de nok toe met kroost en spullen gevulde Peugeot Familiale, koffers op een imperiaal op het dak, plus een zeilboot op een trailer er achteraan, en dan panne krijgen, maar dankzij GoogleMaps is er eigenlijk niets aan.
'Die kaart is ongeldig, meneer!' sputterde de man bij de ingang van de tentoonstelling van van David Hockney, wijzend op mijn Press Pass uit de tijd dat ik correspondent was in New York. 'En al heel lang zo te zien. Sinds 2005! U moet een kaartje kopen!'
Hij had gelijk. Beschaamd keerde ik om en kocht een kaartje. Mijn oude Press Pass boog ik dubbel en wierp ik van de balustrade van de vijfde verdieping van Pompidou. Dat voelde goed.
'Wat heb je dat ding weggegooid?' zei LT verontwaardigd.
Ik knikte, trots op mezelf. 'Ik heb definitief afscheid genomen van mijn correspondentschap. Na twaalf jaar gratis naar musea te zijn geweest, vond ik het wel mooi geweest. Partir est mourir un peu, weet je wel.'
LT bleef het zonde vinden.

Ruilen is



Ruilen is sympathieker dan airbnb'en omdat er geen geld aan te pas komt. Net zoals partnerruil geschiedt het op basis van vertrouwen. Beide partijen denken dat zij the better end of the deal hebben, maar wat je werkelijk hebt gekregen in ruil voor jouw woning, wat de huizenruilmarkt jouw huis waard vond, blijkt pas na aankomst en eigenlijk dan nog niet, want schijn bedriegt. Bovendien zit woongenot en -leed soms in kleine dingen. Zo geniet ik hier in deze ruime, avontuurlijke bovenwoning nog steeds van de onwaarschijnlijke hoeveelheid zeldzame boeken om mij heen, van een collectie kunstige flipbooks in de wc tot de Gallimard-klassieken in de werkkamer, en alles daar tussenin, zoals Russian Criminal Tattoo Encyclopedia, Volume 1 (zie hierboven), maar de luid krakende houten vloer is bijvoorbeeld niet bevorderlijk bij het wegsluipen uit de slaapkamer van de kinderen als je denkt dat ze slapen. De keuken is vreemd incompleet; thee kun je bijvoorbeeld niet zetten. Ernstiger, misschien, is dat dit een rookhuis is (ik telde dertien asbakken in de keukenkast). De hoofdkussens in de masterbedroom ademen de adem van een roker. Voordeel: bij elk minpuntje voel je je minder schuldig over wat wij onze ruilers in de maag hebben gesplitst.

Afwijzingskunstenaar

Het is twaalf uur, weten we al wat we met de kinderen gaan doen? Niks, liefst, maar dat kan niet. 'Kinderen moet je uitlaten,' leg ik ongevraagd uit aan mijn gymnasiast. (Gymnasiasten ook trouwens.) Dus gaan we de straat op, want dat is toch vaak het aardigste – in Parijs en waar dan ook. Vooral hier in het tiende. Op Chateau d'Eau waan je je op een markt in Dakar. Bomvolle kapsalons en pruikenwinkels, en veel hangende mannen op straat, vrouwen nafluitend met oorhoepels zo groot als dvd's. Mijn blondjes blijven niet onopgemerkt. 'Nu zijn wij ook eens in de minderheid,' zegt lieftallige. Het voelt goed om in de minderheid te zijn.
'Waarom geven wij die geen geld?' wil de achtjarige weten, wijzend op een moeder met dochter en hond op de Rue du Faubourg Saint-Denis, uitgespreid op het trottoir, naast een jampot met munten. Wij geven alleen aan mensen die het hard nodig hebben, antwoorden wij, maar hoe weten wij wie het hard nodig heeft? De groepjes Syrische mannen die slapen in de parken? De sans papiers die hun tenten hebben opgeslagen langs Canal Saint Martin? De man in lompen die gisteravond in de regen voor ons huis zijn voorhoofd te rusten legde tegen de neus van een bestelbusje, alsof iemand hem in de rug geschoten had?
Sommigen bedelen uit gewoonte. Zoals die bebaarde vijftiger met vers ontstoken filtersigaret in de hand vandaag, die routineus de tafeltjes op het terras van ons café afgaat; in een andere context was hij columnist van Libération geweest. Her en der maakt hij met gedempte stem een praatje, dat steeds weer op hetzelfde uitdraait. Hij wordt beleefd aangehoord, maar hij krijgt niks. De afwijzing laat hem koud. Hij is een afwijzingskunstenaar. Soms zou ik willen dat ik een afwijzingskunstenaar was.