Massale opsluiting + paniek = de hel

De hel zoals ik me die voorstel – toegegeven, er zijn meerdere varianten, maar dit is een die telkens terugkeert: – een grote ruimte, gevuld met duizenden mensen die in paniek raken en die, in hun ijver om te ontsnappen, elkaar vertrappen. De eerste keer dat ik me goed van dit scenario bewust werd, was bij de ramp in het Heizel-voetbalstadion in 1985. Ik kijk nooit naar voetbal, maar toen was ik aan het beeld gekluisterd. Je kon live zien hoe mensen werden verdrukt.
Ik zag een filmpje langskomen van twintig seconden uit Manchester. Gillende mensen. Een vrouw die eerder was vertrokken, las ik in The Guardian, zag lichaamsdelen rondvliegen en vond later bloedspatten in haar haar. Er zullen meer films zijn. Ik hoef ze niet te zien.
Elk mens is tot op zekere hoogte claustrofobisch, maar zoekt tegelijkertijd afgesloten ruimten op – Middas Dekkers muntte die laatste neiging thigmofilie – en wil sociaal zijn. Bij mij wint de claustrofobie het dikwijls van de andere neigingen.
Het is moeilijk, maar niet onmogelijk, om je een toekomst voor te stellen waarin populaire gelegenheden alleen nog virtueel kunnen worden bijgewoond. Ook een hel.

Uit

We gingen uit. Dat wil zeggen, ik had blind kaartjes gekocht voor een concert van Torgeir Waldemar in Cinetol, waarop we ons wegens tijdnood, en gebrek aan voorkennis, nauwelijks konden verheugen, maar toen het concert zou beginnen zat ik in de kinderkamer met het handje van een driejarige aan mij vastgeklampt. Ik stelde mezelf gerust met de gedachte dat rockconcerten nooit op tijd beginnen, maar misschien was dat ook allang achterhaald.
'Ga jij maar alvast,' zei lieftallige, 'laat maar weten of het iets is.'
Twee minuten later was ik ter plaatse. Niet alleen wordt alles persoonlijk, alles wordt ook lokaal – of is dat allang, maar dit was er voor mij nog een bewijs van.
Het concert was in volle gang. Torgeir Waldemar bleek een Herman Brusselmans-lookalike, met lange baard, die extreem luid en traag gitaar speelde en zong (toch wel een heel klein beetje vals maar misschien was dat de bedoeling). Ik had geen gehoorbescherming in. Ik stond tegen de bar geleund, de geur van het eten van de barjuffrouw achter mij drong mijn neusgaten in.
'Best leuk,' berichtte ik aan lieftallige. 'Kom maar.'
Lieftallige arriveerde. 'Ik voel me niet zo lekker,' zei ze. Speelde Torgeir Waldemar ineens minder luid, en gevoeliger,  een mooi liedje, of leek dat maar zo? 'Hoe vind je dat nou,' zei ik, 'zo'n Noorse band die enorm zijn best doet om Texaans te klinken, en daar ook behoorlijk goed in slaagt?'
'Jammer dat hij niet één liedje in het Noors doet,' zei ze.
Torgeir begon weer luider te spelen. 'Als ik nu niet wat frisse lucht krijg, val ik flauw,' zei lieftallige.
We gingen buiten op het terras zitten. In de verte klonk de gedempte muziek van de Noorse Texaan.
Niet veel later waren we weer thuis. Maar we waren uit geweest, dat kon niemand ons meer afnemen.

Zesde werkdag

Ik ben aan het spijbelen. Ik was gisteren ook al aan het spijbelen. En eigenlijk is mijn aanwezigheid op kantoor ernstig gewenst, ben ik zo onbescheiden om te denken. De oud-bibliothecaresse verkeert in shock. Nou ja, shock, haar is verstaan gegeven dat ze haar huis uit moet, en daarop heeft zij gezinspeeld op zelfdoding.
Die zelfdoding houdt me bezig. Hoe zou ze dat doen, gesteld dat ze het deed, zonder Pil van Drion? Moest ik haar helpen? Hoe zou mijn werkdag er dan uit zien? Moest ik voor haar op internet een Chinese Pil van Drion bestellen? Maar gezien haar aversie tegen pillen slikte ze die waarschijnlijk ook niet, als puntje bij paaltje kwam. En trouwens, waar bemoei ik me mee?
Ik heb het antwoord op deze vragen voor me uitgeschoven door niet naar kantoor te gaan en thuis te werken. Spijbelen is ook laf, maar het is lafheid van een andere orde.
Inmiddels geloof/hoop ik dat er van die shock niet zo veel meer over is, als ik haar weer zie. Een van de voordelen van lichte Alzheimer. Ik heb zo'n gevoel dat ze wel nog precies weet waar we zijn gebleven in Gogol's Dagboek van een krankzinnige. Anders ik wel.

The Girl from Nova Scotia

One could say a few things about the girl from Nova Scotia.
First of all, that she was by herself, and not restless.
Further, that she was petite, except for her shoes, her gums and her mammalian protuberances (carefully wrapped in a tight dress). She wore no make up to speak of.
Also, that she was talkative, both in French, and in English, although she spoke softly and never felt the need to interrupt. Her French sounded peculiar, perhaps a bit sloppy, as if she was drunk or stoned, or both, but she was neither. She hadn't gone shopping coffee, and she did not drink much wine.
Her English – New Scottish? – was interesting, especially at the end of words. Her slight accent was apparent in the pronunciation, for instance, of 'out'. The 'ou' didn't sound like American or English, and the 't' didn't cut off the word, but extended it a little. If this sounds coquettish, it wasn't.
She did have a sense of humor, although, like with some women, you had to feed it.
On a map she pointed out her habitat and explained that driving to her parents took her eight hours. She also showed pictures, of what I thought was her house, but turned out to be the view from her window.
The place looked desolate.
She seemed perfectly fine with it.

Royalty

De snelste manier om een schrijver uit zijn schrijversbubbel te halen is hem zijn royalty-overzicht te sturen.
Toen ik nog bij Meulenhoff zat, kreeg ik jaarlijks mijn royalty-afschrift in een brief die zodanig was gevouwen dat het totaalbedrag niet in één oogopslag zichtbaar werd. Ik moest eerst nog een flapje terugduwen, voordat de waarheid zich in al haar getalsmatigheid aan mij openbaarde.
Waarschijnlijk was de gedachte van de uitgever dat de waarheid op deze manier minder hard bij de royalty-houder aankwam. De royalty-houder had een paar seconden extra tijd gekregen om te beseffen dat ook zijn laatste meesterwerk geen bestseller was. Dat wist hij natuurlijk allang, of hij had het kunnen vermoeden, maar beseffen is iets anders dan weten.
Tegenwoordig stuurt mijn agent me een lieve email met mijn royalty-overzicht. De zalvende woorden in het bijgaande briefje zeggen genoeg. Dan hoef ik al niet meer te kijken. Als ik flink zou verkopen, zijn zalvende woorden niet nodig, in zekere zin misplaatst.
Ik kijk toch. Mijn nieuwsgierigheid, gedreven door hoop (wat anders?) is groter dan mijn angst voor teleurstelling.
Ik word niet teleurgesteld in mijn teleurstelling.
Een dag later zit ik op de fiets en goochel in gedachten met mijn verkoopcijfers en denk: hm, nog helemaal zo slecht nog niet. En: er zit een stijgende lijn in.
Een schrijver is net een hondje.

Transactie-consult

Dat ik mijn postrondes niet meer loop *snotter* betekent niet dat de transacties met de tijdschriftverslindende zenuwarts geen doorgang kunnen vinden, dus vandaag tijg ik weer (met mijn driejarige aan mijn been) naar zijn – nieuwe, smetteloze – praktijkruimte om mijn opgespaarde New Yorkers te ruilen voor een stapeltje New York Review of Books.
De afgelopen keren gingen de tijdschrifttransacties vergezeld van een consult. Ik dacht: als ik toch naar mijn zenuwarts moet... Maar omdat ik thans mijn zenuwen min of meer onder controle lijk te hebben, heb ik de consulten gestaakt.
De zenuwarts leek dat een beetje jammer te vinden.
Als ik in zijn wachtkamer zit, met de driejarige als een kromgetrokken plank op schoot, komen de wezenlijke kwesties als vanzelf aan de orde. De zenuwarts hoort de beschrijving van mijn gemoedstoestand welwillend aan, met zijn armen over elkaar, leunend tegen een grote houten tafel, glimlacht en adviseert me met mijn prachtige kindje de gezonde buitenlucht op te zoeken.

De Grote Verjaardag

De 7-jarige werd 8.
Waarschijnlijk is de verjaardagsbeleving, de magie van de verjaardag op deze leeftijd op zijn hoogtepunt, zo vlak voor de definitieve ontmaskering van Sinterklaas, voor het cynisme langzaam zijn geest binnensijpelt, maar toen het moment was aangebroken waarnaar hij al weken had afgeteld, gedroeg hij zich niet bijzonder opgewonden en nam hij de cadeautjes waarop hij zich al maanden had verheugd, in mijn ogen nogal zakelijk – je zou kunnen zeggen: professioneel – in ontvangst.
Uiteraard hebben wij  a l l e s  in het werk gesteld om het hem naar de zin te maken, daartoe ben je als ouder in dit infanticentrische tijdsgewricht moreel verplicht, maar een dag later vraag ik me af hoeveel hiervan bij hem blijft hangen. Ik weet bijvoorbeeld  n i e t s  van mijn eigen achtste verjaardag, maar 42 jaar geleden was dit ook nog niet zo'n ding, geloof ik, zo'n ouderlijk Gesamtkunstwerk voor het kind. Er werd gezongen, je mocht trakteren en je kreeg een pak viltstiften, daarna ging men over tot de orde van de dag. De gedachte alleen al dat mijn vader destijds tot diep in de nacht aan de voorbereidingen van mijn Grote Verjaardag zou hebben gewerkt, komt me als absurd voor.
'Word je 8?' vroeg een moeder op het schoolplein aan de jarige. Hij knikte, trots.
'Maar dat is heel bijzonder,' vervolgde ze, 'die verjaardag kan ik me nog heel goed herinneren.'
'Echt waar?' vroeg ik.
'Ja, want toen zijn mijn ouders gescheiden.'

Moederdag

Zit ik daar rustig op mijn nest met mijn jonkie, oké, zo rustig is het ook weer niet aan die godvergeten Amsteldijk met al dat zieke sluipverkeer en die a-sociale schijtscooters met hun koleregassen waar je helemaal de vliegende tering van krijgt, maar goed, ik zit daar dus, ik heb mijn jonkie onder mijn vleugel, hoe oud is ie nu, ik ben niet goed in tellen, ik houd dat soort dingen niet bij, een paar dagen of een paar weken, ach dat doet er ook niet toe, het gaat erom dat lil' kleine er nog niet in zijn uppie op uit kan gaan, dat begrijp je, hij ziet er wel snoezig uit en zo, met dat sigarettenasgrijze vachtje van hem, maar pas op, een lel van zijn vleugel en je praat wel anders, maar goed hij dus, eigenlijk moet ik zeggen zij, want het is een meisje, een flink meisje mogen we wel zeggen, gezien haar eet- en vechtlust, gister hadden mijn man en ik, ja, mijn man doet ook zijn best hoor, die kun je niet zomaar uitvlakken, hij heeft goed meegeholpen met het nest, de ligging had beter gekund maar ja, je kunt niet alles hebben, nog een kleine altercatie op de Prinsengracht ja mooi woord hè had je niet gedacht hè van een simpele zwaan dat ze zulke dure woorden zou gebruiken, maar goed, we hadden dus een altercatie met een van die zuighoentjes, die overal alles voor je neus wegpikken, ja dat doen die fokking meeuwen ook, dat weet ik ook wel, maar van hen kan ik het hebben, die hoentjes zijn zo irritant met hun penetrante pieptoontje, maar goed toen zag je Chardy toch ineens van zich afbijten, dat was voor het eerst, weg jij, blijf af van dat algje, dat algje is van mij, enzovoorts, en ik was me er toch een partij trots op, ja echt mooi, maar goed wat zie ik vandaag, vlak voor mijn ogen, zittend op de stoep, nee, geen Google-medewerker die ons komt opvoeden in de privacy die ze zelf helpen om zeep te brengen, nee, een of andere vederloze tweevoeter, een beetje zielig is hij wel, met zijn camera en fotografenjack, hij wacht vast op het moment dat mijn kuiken weer onder me vandaan komt, nou dan kan ie lang wachten want ik ga mijn nest niet meer af, en Chardy ook niet, ik steek mijn snavel achter mijn schouders en iedereen kan de kanker krijgen.

Vijfde werkdag

Bij binnenkomst zat de oud-bibliothecaresse zoals gebruikelijk bij de kachel, maar ze keek bedrukt. 'Ik ben tegen een kastje gevallen,' zei ze. 'Ik heb een rib gekneusd en nu kan ik nauwelijks meer bewegen. Ik kan niet eens opstaan om naar bed te gaan. Als ik ook maar iets voel schreeuw ik het uit van de pijn.' Haar benen zagen eruit als in worstvorm gedraaide ballonnen.
'Wat u nodig hebt,' improviseerde ik ter plekke, 'is een verstelbare stoel. Dan hoeft u niet op te staan, kunt u gewoon achteroverleunen, en uw benen omhoog doen, en dan kunt u zo slapen.'
'Als ik jou geld geef wil je dan zo'n stoel voor me kopen?'
Ik knikte, maar eerst maar eens de huisarts bellen, dacht ik. Die zei via veel omwegen, dat ze op de hoogte was van 'mevrouw' haar problematiek, maar dat ze wel degelijk op kon staan, zolang ze haar pijnmedicatie maar innam.
'Neem je je pijnmedicatie?' vroeg ik.
Ze zoog aan haar shagje en antwoordde met haar oogleden.
De pillen bleken buiten haar actieradius te liggen, op tafel. Ik brak een tablet door midden en overhandigde haar de brokstukjes, met een glas water. 'Allemachtig,' zei ze.
De oud-bibliothecaresse, die trouwens een eeuwigheid geleden een paar jaar medicijnen had gestudeerd, leed aan pil-aversie. 'Als je je pijnstillers nou net hebt genomen, dan moet je daarna naar de WC gaan of naar bed, want dan doet het nog niet zo'n pijn. Als je te lang wacht is het uitgewerkt.'
Ik had huisarts moeten worden. Hoewel, troosten gaat me beter af. Ik las de oud-bibliothecaresse voor uit Dagboek van een krankzinnige van Gogol, een prismapocket die ik in de afdeling Russen in haar imposante boekenkast had gevonden. Dat verhaal loopt al meteen uit de hand met de ik-persoon die via de diefstal van de correspondentie van twee hondjes meer te weten probeert komen over de dochter van zijn baas op wie hij . Ik weet dat de oud-bibliothecaresse luisterde want ze lachte op de goede momenten. Het hardst trouwens bij een woord waarvan ik de betekenis niet kende.


Sehnsucht

'Wat ben jij allemaal van plan,' wilde lieftallige weten toen ze me in pak rond zag stappen.
'Ik ga vandaag een stichting oprichten.'
'Zo zo.'
'Een man moet zijn glorie ergens vandaan halen.'
De dag was mooi. De bestuursleden waren op tijd. Mijn notaris bleek gehuisvest in hetzelfde pand als waarin de firma Caransa is gevestigd. Ik wist niet of dit een goed of slecht teken was. Waarschijnlijk betekende het helemaal niets, zoals de meeste dingen (bijvoorbeeld de enorme plastic pad met dito koptelefoon op in de ontvangstruimte).
Mijn notaris verzuimde de enige vrouw in het gezelschap – de penningmeester van het stichtingsbestuur – de hand te schudden of behoorlijk aan te kijken.
In de statuten die hij voor onze neus legde ontwaarde ik meteen al een spelfout, zij het een minieme.
'Moet ik uw boeken kennen?' vroeg hij aan mij, toen hij zag dat ik schrijver was.
'U moet helemaal niets,' antwoordde ik en ik sprak de titel van mijn laatste boek uit.
'Ik zal mijn vader vragen,' beloofde de notaris.
'Die kan wel lezen?'
Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.
Hoe dan ook: Stichting Sehnsucht was opgericht. De champagne kon worden ontkurkt op de (gratis) parkeerplaats.

Eat that frog

In New York kan ik me herinneren was een mecenas, een kapitaalkrachtige dame, die elke twee jaar aan tien kunstenaars in wie zij geloofde ongezien en ongevraagd en zonder enige tegenprestatie te verlangen 25.000 dollar schonk.
Stel dat je op een doordeweekse donderdag je saldo checkt, omdat je een dwangbevel hebt ontvangen wegens achterstallige belastingen, en KLABANG! in plaats van 7.548 zie je staan 17.452. Plezierig.
In Nederland gaat het anders. Gisteravond deed ik mijn eerste serieuze subsidie-aanvraag, van wie niet alleen ik, maar ook een handvol anderen plezier zou gaan hebben. Hieraan gingen weken, dagen, uren van totale ontreddering vooraf. De lijst van eisen waar een aanvrager aan moet voldoen is schier oneindig. En waarom zou een schrijver zich onledig houden met het schrijven van projectplannen, communicatieplannen en aanbiedingsbrieven? Aanvragen is een industrie, weet ik inmiddels en ik hoopte daarom even dat ik het hele zwikje kon overlaten aan een no cure no pay fondsenwerver.
Nope. Misschien als ik Amron Gluurborg heette.
Eat that frog, adviseerde iemand. Een goed advies. Mijn gesprekspartner sinds '83, die ervaring heeft met gratis geld, adviseerde: doe het niet alleen. Ook een goed advies, want zonder de hulp van Nieuwe Vriend P., die zo vriendelijk was met mij mijn aanvraag door te lopen, had ik mezelf gesuïcideerd, en suïcide kan van subsidie de bedoeling niet zijn.

Forthcoming



We hebben er geen woord voor, maar mijn volgende roman, Het dispuut, is toch echt forthcoming. Ligt 17 augustus in de winkel. Midden in de zomervakantie inderdaad, maar midden in de zomervakantie moet men ook wat te lezen hebben.

Ontmaagd

Het verzameld werk van Conny van den Bos is uitgebracht, las ik. Dat feit, die naam en 'Ik geef je een roosje, mijn roosje' voerde mij terug naar 1978, toen ik door Conny werd ontmaagd in de Stadsschouwburg te Eindhoven.
Moeder had het een goed idee gevonden om mij en mijn vriendjes voor mijn elfde verjaardag mee te nemen naar Conny van den Bos. Ik weet niet wat haar bezielde, – dat weet ik nog steeds niet en dat houdt het spannend – maar hoezo zouden elfjarigen zich vermaken bij deze chansonnière?
Conny, gezeten op een barkruk, zette tussen twee liedjes een ernstig gezicht op, en sprak door de microfoon: 'Ik weet dat iemand in de zaal zijn verjaardag viert.'
Stilte.
'Viktor?'
Geroezemoes.
'Viktor, wil je even naar voren komen?'
Nee, toch, dacht ik, het zou toch niet waar zijn? Maar het was wel waar; daar had moeder wel voor gezorgd, want nu gebaarde ze dat ik on-mi-del-lijk naar voren moest komen.
Conny was lief. Ze probeerde een gesprekje aan te knopen, maar uit mij kwam geen geluid. Ik was met stomheid geslagen. En toen gebeurde het: Conny pakte me bij de arm, en gaf me een dikke zoen. Naast mijn mond. De lippenstiftafdruk was enorm.
Mijn leven zou nooit meer hetzelfde zijn.

'Achteraf bekeken zal de mensheid hooguit een rimpeling zijn geweest in de kosmische dataflow.'

Yuval Noah Harari stelt op talrijke manieren, soms dacht ik: al te talrijke manieren, maar toch ook voor mij soms nieuwe, – onverwachts poëtische – manieren, dat de mens hard op weg is overtollig te worden. Homo deus, de titel van zijn boek, getuigt dus van behoorlijk sarcasme, want in het beste geval blijft er in zijn scenario een kleine elite van supermensen over, die voor het Internet van Dingen nog wel enig nut zou kunnen zijn, terwijl het overgrote deel langzaam over de rand wordt geduwd, of gewoon geruisloos naar de achtergrond verdwijnt.
Harari is niet de eerste die dit beweert, maar ik had het argument aanvankelijk als science fiction afgedaan, borrelpraat van futuristen, of op zijn minst een voorspelling die ver, ver weg ligt, te ver om je over druk te maken, maar deze Israëlische historicus toont overtuigend aan dat het proces allang in gang is gezet en waarschijnlijk niet meer valt te stoppen.
Wat dat met je doet, zo'n mantra van 400+ pagina's waarin je telkens opnieuw wordt ingepeperd dat je niets voorstelt, niet eens een kruimel op de rok van het universum, hooguit een algoritme, maar dan een gebrekkig algoritme, terwijl er allang veel betere algoritmes bestaan, is eerst zoiets van: verdomd, als dit waar is, waarom zou ik dan überhaupt mijn nest nog uitkomen, laat staan mijn kindjes met lichte dwang voortduwen op het lange, al te lange pad naar volwassenheid, als een boer een kudde koeien naar het volgende stukje grond (of beter gezegd: het volgende station in de volledig geautomatiseerde melk-productie)?
Vervolgens denk je: oké, er bestaat toch geen vrije wil, we klooien maar wat aan, we zitten onze tijd uit hier. We zijn ruis. Altijd geweest ook. Dit inzicht geeft een bepaalde troost. Maar niet voor lang. Daarna ga je toch weer verlangen, tenminste dat doe ik, naar een idylle ver weg van hier en nu, waar de imperfecte mens nog ongestoord mens mocht zijn, maar maar dat zal wel weer mijn hopeloos romantische inborst wezen.

Stilte

'O, het is bijna zover,' zegt lieftallige terwijl ze onze borden met sushi rangschikt rondom de zitbank, 'dodenherdenking.'
Verdomd. Ik sta op en zet de cd van PJ Harvey op pauze. Andere muziek had misschien nog gekund, John Cage 4'33'' bijvoorbeeld, maar niet To bring you my love.
'Mag je wel eten?' vraag ik me nog hardop af, maar lieftallige heeft het antwoord al gegeven. Ze neemt een sojaboontje uit het kommetje, knijpt het boontje leeg in haar mond, kauwt, legt het lege peultje terug in de kom, pakt haar kopje misosoep, slurpt (niet heel hard maar toch een klein beetje), kauwt op een blokje soja uit die misosoep, slikt een blaadje groente uit dezelfde soep door, zet haar kopje misosoep terug op de rand van de bank, raapt haar eetstokjes van haar bord, grijpt met haar eetstokjes een sushi-rolletje, doopt dat rolletje in een bakje wassabi en sojasaus, en steekt het vervolgens in zijn geheel in haar mond.
De twee minuten zijn voorbij. Ik ga ook eten. De doden zijn dit jaar weer niet herdacht.

Ongelegen

Hoe komt dat plantje hier? Daar weet ik niks van, en in het boek staat ook niks... Ik lag diep te slapen – denk ik, want van dat slapen was ik me niet bewust, alleen van het wakker worden, geloof ik – toen er aangebeld werd. Ik opende mijn ogen. Wie kon dat nou weer zijn? Wie belde op dit onmogelijke uur? Iedereen die mijn dagritme ook maar enigszins kent, die ook maar een heel klein beetje op de hoogte is van mijn status, weet dat ik op dit uur slaap en dus niet gestoord wens te worden. Het was pikdonker in mijn kamer, (hetgeen niet verwonderlijk was, want ik herinnerde me zelf de dikke gordijnen te hebben dichtgetrokken), op een spleet licht na. Ik werkte mezelf uit bed. Gelukkig had ik wat kleren aan. Niet mijn meest representatieve outfit, maar ik verwachtte dan ook niemand. Ik schuifelde naar de deur en opende deze. Er stond een man voor mijn neus die me vaag bekend voorkwam. Hij had twee kinderen bij zich, een ervan droeg een fel gekleurde jas die mijn aandacht trok. 'Dag tante,' zei de man. 'Komen we gelegen?' De vraag stellen was hem ontkennend beantwoorden, maar ik manoeuvreerde mijn gezicht in een beleefde plooi, terwijl ik hen binnenliet. Hij trok meteen de gordijnen open ging thee zetten. De jongen met de felle jas nam plaats in mijn bureaustoel en giechelde om mijn verstrooidheid, wat mij weer deed giechelen. Knipperend met mijn ogen, en voorzichtig proberend met mijn lippen, nipte ik van de hete thee. Ik wou dat ze weggingen, die lui, en dat deden ze eindelijk ook. Hij hielp me terug in bed, sloot de gordijnen en was weer verdwenen.

Stoten

Met mijn gymnasiast stel ik voor te gaan biljarten. Dat lijkt hem wel wat. 'Poolen, toch?' Ja, poolen, verzeker ik hem.
Ik denk terug aan de jaren dat ik biljartte met A. in rokerige café's in de achtergebleven gebieden toen ik zo oud was als mijn zoon nu. Nee, zo treurig als bij Dimitri Verhulst waren die café's niet, maar toch treurig genoeg, hoewel je daar als jonge biljarter weinig van meekrijgt. Dat biljarten was eigenlijk te hoog gegrepen voor pubers als wij. We deden maar wat. Urenlang moeten we om de tafel hebben gelopen in ijdele afwachting an een combinatie.
Het poolen in het poolcentrum gaat me na een stroeve start verrassend goed af. Mijn ballen laten zich maar wat graag in gaten stoten en de witte gaat zelden mee.
Mijn gymnasiast heeft minder ervaring, zijn keu beweegt nog wat stroef, maar ik weet niet of hij op mijn adviezen zit te wachten.

'Alleen glijhoudingen toegestaan die zijn gecomminiceerd.'

Maandagochtend in het De Mirandabad. Dit zijn niet mijn favoriete coördinaten, maar verzin maar eens betere voor een zevenjarige met vakantie. Alleen al de opwinding vooraf – we gaan zwemmen en we mogen de driejarige er niets over vertellen anders wil ze mee – is... ontroerend. Bij aankomst blijkt alles weer eens mede te vallen. De zevenjarige vindt zelf zijn weg in het nog vrijwel lege zwembad; ik mag van hem op een plastic terrasstoel een boek lezen. Om niet helemaal een afwezige vader te zijn, gaan we samen de familie-glijbaan af, een brede la die steil maar niet te steil, een halve meter of wat boven het bassin eindigt. Op een bord lees ik: 'Alleen glijhoudingen toegestaan die zijn gecomminiceerd.' De glijhouding waarbij de vader op de buik met de kop naar beneden naar beneden glijdt is niet toegestaan (want niet gecomminiceerd). 'Dat mag niet, pap,' wijst mijn zevenjarige mij terecht, maar de toeziend badmeesteres, die in een Russisch kuuroord niet zou misstaan, heeft denkelijk nog geen zin om in te grijpen.

Bericht van de cramping I: 'Je weet dat je fout zit.'

We hebben een nieuw plekje op de cramping. Dat plekje is kleiner, maar, zo leg ik uit aan belangstellenden, het biedt meer privacy. Verlangen naar privacy op de cramping is zoiets als verlangen naar de Noordpool in de tropen, maar je moet wat. Het probleem met je plekje afbakenen middels manshoge hekken, is dat de privacy weliswaar toeneemt, maar de vijandigheid ook. Dus onze nieuwe buurvrouw had al een opmerking over ons hek gemaakt – met een tamelijk goed argument bovendien: 'Als je dat hek weghaalt hebben we allebei een halve meter meer grond.'
Bij de pingpong-tafel had ik alweer mijn eerste woordenwisseling te pakken, nadat ik de aldaar pongende kindjes, na een poosje te hebben gewacht, vriendelijk had verzocht of ik even met mijn mijn zevenjarige een paar ballen mocht slaan. Dat mocht. Een ongeschoren figuur, die net met een pakje sigaretten aan kwam sloffen, sprak er op luide toon zijn afkeuring over uit. 'Jij jaagt gewoon die kinderen weg, man! Dat kan toch niet! En je wéét dat je fout zit. O, o, o.' Gelukkig kreeg hij de aanwezige afwassers niet mee in zijn verontwaardiging. Wordt nog een leuk seizoen, dit.

Vierde werkdag



De oud-bibliothecaresse zat bij de kachel toen ik binnenkwam en keek tisie – dat had ik haar nog niet eerder zien doen.
'Ik wist niet dat je een televisie had,' zei ik, nadat ik voor ons beiden een straf bakje koffie had gezet.
'Ja hoor. Jij niet, dan?'
Ze begon de Volkskrant die ik van beneden had meegenomen grondig te lezen, terwijl de tisie doorkwebbelde. Op de achtergrond suisde ook nog een oeroude radio.
Ik vertrok naar de zolder om te werken.
Toen ik aldaar uit verveling een ladder beklom naar de bergruimte, stuitte ik op een tweede druk van Mandarijnen op zwavelzuur. Uitgegeven door mijn uitgever! Ik begreep niet goed wat dat boek daar deed, want de boekenkasten waren beneden. Misschien had een van de opruimers/verzorgers/ gedacht: dat is misschien wat waard.
Beneden bij de oud-bibliothecaresse mocht ik een biertje uit de ijskast nemen en de tisie uitzetten. Ik las een stukje. Ik had me op dit boek verheugd, maar eigenlijk is het onleesbaar. Misschien zijn er nog wat geniale citaten uit te destilleren, maar het hele ding van voren af aan lezen is een straf, en niet alleen omdat het gedateerd is. Onwillekeurig vraag je je af waarom Hermans, die kennelijk zo weinig op had met de Nederlandse literatuur, er een heel cahier over vol typte. De collages zijn eigenlijk nog het leukst.
Ik zette me achter de piano en pingelde een stukje. Het viel nog niet mee om de vastzittende toetsen te negeren. 'Je hebt een mooi touché,' zei de oud-bibliothecaresse.

Brullen

De koning en ik zijn even oud. Al jaren, eigenlijk. Maar nu zijn we eindelijk geleveld. We waren lang geleden al eens bijna geleveld, toen we beiden op het punt stonden – hij iets meer dan ik –, om naar het Atlantic College te gaan. Hij ging. Ik bleef thuis. De rest is geschiedenis.
Maar nu is hij tragisch geworden (ik was het al). Een tragische held? Dat moet nog blijken, maar tragisch in elk geval.
De koning, vertelde de buurvrouw geïmpressioneerd, heeft in zijn interview 'twee keer bijna gehuild'. Jammer van dat bijna. Hij had moeten brullen, de koning. Hij had zijn hele hofhouding, met zijn moeder (de tragische prinses) erbij, en zijn vrouw (ook een klein beetje tragisch) en dochters, bij elkaar moeten brullen. Het hele land. Dat was op zijn plaats geweest. Het volk apprecieert zoiets; we leven in een emo-cratie. Als Obama een paar camera-ready tranen kan plengen om gun violence,  dan moet onze koning – mijn koning – er toch toe in staat zijn te brullen om Nederland, om de wereld, om alles?
Ik adviseer hem in deze gaarne.

'Verveeld'

We wilden met zijn tweeën weg. Eerst dachten we Antwerpen. Dat bleek vol te zitten. Toen werd het Gent. Maar op weg naar Gent dachten we waarom niet Maastricht? Minder ver, meer stad, en wat zou het, als je in bad zit? In Maastricht aangekomen stuitten we op 'hippe tentjes', en vonden we ook nog een 'heel leuk hotelletje' tegen een 'alleszins redelijke prijs' – met bad. Maar 's avonds, in een – alweer 'bijzonder sfeervol eetcafé' – aan het eind van de met asperges overladen dis, vroeg lieftallige ineens: 'Verveel je je?'
Ik: 'Hoezo?'
Zij: 'Je kijkt zo verveeld. Je doet zo verveeld. Je zit er zo verveeld bij.'
Ik: 'Hoezo? Ik zit gewoon een beetje uit te buiken.' Nu was het wel waar, dat ik nogal onderuitgezakt in mijn stoel hing, met een stukje plastic speelde, en al een tijdje niets gezegd had. Maar als ik zwijg, is dat wel zo rustig. Ook voor mezelf, trouwens.
Zij: 'Je bent snel verveeld.'
Ik: 'Dat wel, geloof ik. Maar jij bent ongeduldig. Misschien komt het op hetzelfde neer.'
In die argumentatie wenste zij niet mee te gaan. Ze was ervan overtuigd dat ik was verveeld, dus de avond was verpest. Daar veranderde ook een wandelingetje langs de Maas niets meer aan.
De volgende ochtend bij de koffie op het 'mooiste terras van Nederland' was alles weer koek en ei, en dat kon ook moeilijk anders.

Cougar

'Wat vind je van die Franse verkiezingen?' vraag ik aan mijn moeder over de telefoon. Zij moet er toch een mening over hebben, zou je denken, als francofiel en soort van française. Maar wat moet je ervan denken? Die Macron had nog nooit iemand van gehoord, en Marine le Pen en haar Front wil je liefst zo snel mogelijk vergeten, als een slechte ervaring bij een goed restaurant.
Ik weet ook niks over Macron, behalve dat hij een econoom is, noch links noch rechts is (hetgeen me een sine qua non lijkt voor een econoom), en een vrouw heeft die twintig jaar ouder is – maak daarvan vijfentwintig jaar. Hij is 39, zij 64.
'O, dat lijkt me ook wel wat,' zegt mijn moeder, 'zo'n veel jongere geliefde. Dat houd je scherp. Nu zit ik in de mantelzorg.'
'Ja, als je cougar was geweest,' kan ik niet nalaten tegen te werpen, 'zat je geliefde in de mantelzorg. Vroeg of laat zit de een of de ander in de mantelzorg.'


Project Kansloos

'De doden hebben het goed voor mekaar,' verzuchtte ik.
'Hoezo dat dan?' wilde lieftallige weten.
'Die hoeven niet te leven.'
Reden voor mijn moedeloosheid was het project dat ik onderhanden had genomen: het vervangen van de vertiefte spiegeldeurtjes van het badkamerkastje. Het demonteren was tot daaraan toe, maar toen ik al te voortvarend met mijn zojuist aangeschafte glassnijder te keer ging in het door mijn schoonouders royaal ter beschikking gestelde spiegelglas, ging de boel aan diggelen. Symbolisch?
Kan wezen, maar ik moest naar de Jamma voor nieuwe spiegels. Thuis maakte ik met een glasboor (waarvan ik het bestaan tot dan toe niet afwist, maar ik het met terugwerkende kracht wel kon vermoeden) een gaatje van 5 mm voor het kastdeurknopje.
Pang! daar barstte de spiegel van het linkerdeurtje, die ik tot mijn eigen verbazing zo mooi op maat had weten te snijden. Ik vloek niet vaak, maar hier was het terecht. Ik besloot de Jamma te ontwijken, en deze barst te accepteren. (Leven is barsten accepteren.) Ik begon de barst zelfs charmant te vinden, jeugdig, inspirerend.
Een nieuwe vloekpartij galmde door de badkamer toen bij de montage bleek dat ik een van de deurknopjes diametraal verkeerd had gesitueerd: rechtsboven in plaats van linksonder.
Dit foutieve, nutteloze kastdeurknopje zou de gebruiker van de spiegel steeds opnieuw herinneren aan de onhandigheid van de monteur.
Soit!
Pas toen de spiegel van het andere deurtje ook barstte tijdens het, tot nieuwe vloekpartijen aanleiding gevende vastschroeven, kon niet langer van een doe het zelf klus, maar alleen nog van een not so ready made kunstwerk worden gesproken.
De vraag die mij alleen nog bezighield was hoeveel stomende douchebeurten de lijm aan zou kunnen, waarmee de spiegels aan de deurtjes waren bevestigd. De tijd gaf hier uitkomst.
'Dit  k a n  jij gewoon niet!' luidde het lieftallige commentaar toen ik haar had uitgenodigd een kijkje te komen nemen. 'Dat is niet erg, maar  d o e  het dan ook niet!'



Bestelling

Als schrijver kom ik graag bij de mensen thuis. Een bestelling van DVEP via mijn webshop bracht me naar Eyckestein, Amstelveen – 38 minuten fietsen. Googlemaps stuurde me dwars door het Amsterdamse Bos; ik ontdekte delen, waar je je nog helemaal alleen kan wanen. (Niet iedereen is daarnaar op zoek.) Ik fantaseerde over de vrouw die mijn boek had besteld – woonde ze in een villa? Had ze kleren aan? – de wedergeboorte, kortom, van Eduard P. Restante. Alsof de duivel ermee speelde bereikte ik mijn doel, een vreugdeloos flatgebouw, tegelijk met de postbezorger van dienst. Ik zei niks. Hij had oortjes. Tijdens de lift naar boven dacht ik: ze trekt me naar binnen en slaat me dood met een tosti-ijzer. Of ze dwingt me mijn boek voor te lezen en elke voorgelezen bladzijde op te eten. Maar niets van dat alles. Ik kreeg cola, zij rookte een sigaret. Mijn aandacht werd getrokken door een stoffige sanseveria in de vensterbank, met roze punten.

Dialoog

Sport verbroedert, hoewel slechts ten dele en op onvermoede manieren. Vanochtend zat ik op een bank in de zon op de voetbalclub naast de vader van, zo bleek, de topscorer van de tegenpartij van mijn zevenjarige. De man droeg een casual jasje, had een pleister om zijn vinger en een soul patch onder zijn onderlip. Als u hieruit afleidt dat hij een Nederlander is met een migratie-achtergrond, dan heeft u goed gegokt. Ik gokte verkeerd door een gesprek aan te knopen met: 'En, voor Erdogan gestemd?'
'Ik ben van Marokkaanse afkomst,' antwoordde de man, terwijl hij ging staan om het eerste doelpunt van zijn zoon te bejubelen.
Ik putte me uit in excuses over mijn blunder, maar hij wuifde die weg, en begon aan een mini-college over het Ottomaanse rijk, dat damals strekte tot aan Marokko, en daarna over het Moorse rijk, dat zo'n beetje de hele Maghreb besloeg en nog tot in de middeleeuwen de baas mocht spelen over de Spanjaarden. 'Daaruit is het huidige Marokko ontstaan,' vatte hij vergenoegd samen.
Stiekem hoopte ik dat hij geen moslim was. Maar hij was wel moslim, zij het een verlicht moslim, werd hij niet moe uit te leggen.
Ik wilde hem geloven.
'Bent u christen?' vroeg hij mij. Ik antwoordde dat het weinig zin had te ontkennen dat ik dat was, dat de vraag of ik wel of niet gelovig ben, er nauwelijks toe doet, omdat ik de normen en waarden van de christelijke cultuur alleen al door mijn opvoeding heb geïnternaliseerd. Dat antwoord beviel hem.
Toen zijn zoon drie keer had gescoord, en zijn team onverslaanbaar bleek, stond hij op en zei: 'Mooi, nu kan ik koffie halen.' Hij bood niet aan ook voor mij te halen. Ik vroeg me af of dit een kwestie was van opvoeding, cultuur, karakter of toeval.

Derde werkdag

Mijn derde werkdag op de zolderkamer verliep rimpelloos, als je de verrassingsbezoekjes van zich half verontschuldigende makelaars met potentiële kopers voor het onderhavige investeringsobject niet meetelt.
'Ik ga er niet uit hoor, ik blijf hier wonen!' zei de oud-bibliothecaresse hoofdschuddend.
Vannacht had ze mijn boek uitgelezen, vertelde ze me met grote ogen. 'Heel goed. Heel interessant. Heel amusant.' Ik was gestreeld door het compliment, maar nog meer door het idee dat ik haar slapeloosheid iets dragelijker had gemaakt.
We maakten een wandelingetje. Toen we langs het terras kwamen van Het bruine paard, waar bier werd gedronken, stelde ze voor even te gaan zitten.
'Wil je ook een biertje?' vroeg ik.
'Ja,' antwoordde ze. 'Dat ben ik al de hele tijd van plan.'
Ik bestelde twee bier, ook al wist ik dat haar mentor haar eigenlijk op advies van de huisarts geheel nuchter wil houden. Ik zag verzachtende omstandigheden. Ze genoot ervan, vanonder de fleece-deken die ik over haar heen had gedrapeerd.
'Kijk, Bas Heijne,' zei ik, wijzend op de publicist, die druk pratend voorbij kwam. 'Ach, die heb ik nou nog nooit gezien,' zei de oud-bibliothecaresse. Wat ze ook nog nooit had gezien: zes toeristen die langs zeilden op Segway's. Dat was een nog groter spektakel. 'Nu kun je sterven,' schertste ik, maar misschien was dat teveel scherts.
Thuis warmde ze zich bij de kachel. Haar mentor kwam binnen en maakte koffie. Ik zei dat we stout waren geweest en bier hadden gedronken. De mentor nam het sportief op.
'Jij bent toch nooit getrouwd omdat je geen kinderen wilde?' vroeg de mentor, toen de oud-bibliothecaresse haar sigaretje had gerold.
'Nee.' Ze wees op een kleine, versleten teddybeer in zijn eigen schommelstoeltje naast de kachel. 'Dat is Beerie. Man en kind ineen.'

Ik wachtte op mijn vernedering, maar die bleek mee te vallen.

Hangende mijn sollicitatie bij de pojisie ben ik mijn licht gaan opsteken bij Uber, want ik heb inderdaad altijd al gedroomd van een bestaan als taxichauffeur. Die droom werd enigszins bevuild door krantenberichten over Ubers die zich als snorders gedragen op Schiphol om extra ritjes bij elkaar te harken, maar voor de rest wilde ik maar wat graag deelnemen in de brave nieuwe wereld die Travis Kalanick voor ons, freelancers in de gig-economie, bezig is te creëren.
Je downloadt een appje voor chauffeurs en KLABANG! de afspraak voor de 'informatie-bijeenkomst' is gemaakt. Onwillekeurig of niet zo onwillekeurig moest ik terugdenken aan de groepssollicitatie bij PostNL waarover ik schreef in mijn dagboek.
Ik liep de receptie binnen van het bedrijfsverzamelgebouw aan de Vijzelstraat en vroeg naar Uber. Vierde verdieping wist een dame. Ik naar de vierde. Daar kreeg ik van weer een dame te horen: 'Informatiebijeenkomst? Derde.' Ik naar de derde. Ik betrad een frisse ruimte met een groot UBER-logo waar de radio hard aanstond op een populaire zender, en, opmerkelijker wellicht, een half dozijn personen die mijn kinderen (kleinkinderen bijna) hadden kunnen zijn, zitten op idioot hoge bureaustoelen achter, u raadt het al, idioot hoge bureau's, met daarop idioot grote Apple-beeldschermen. Ik wachtte op mijn vernedering, maar die bleek mee te vallen. Ik mocht meekomen naar een klein kamertje. Daar kreeg ik alleszins redelijke en interessante informatie. Uberen blijkt bij drukte €30 en bij luwte €25 per uur op te kunnen opleveren. De catch? Uber verlangt dat ik 2 mille investeer in mijn chauffeursdroom, en ik heb geen 2 mille.

Kijkdoos

Hoewel ik van plan was mijn kinderen categorisch de toegang te ontzeggen tot mijn werktempel in de tuin, moet ik mijn zevenjarige wel binnenlaten omdat hij een doos bij zich heeft, een hele grote doos, een doos voor mij, roept hij, pappa.
Ik doe de deur open en laat hem binnen.
De doos, groot genoeg om een keukenmachine in te verpakken, is een kijkdoos, legt hij uit. Op de tuintafel nodigt hij me uit een kijkje te nemen door het kijkgat in de bovenkant. Dit is nieuw voor mij, ik kom nog uit de tijd dat kijkdozen een kijkgat van voren hadden, maar goed, dat is bijzaak. Ik kijk naar binnen en zie een poppetje bungelen aan wat toch onmiskenbaar een touw is, boven iets wat op een soort vuur lijkt.
'Ben ik dat?' vraag ik.
'Da's een skalet!' roept hij. Geen antwoord op de vraag, maar ik laat de kwestie rusten.
Uit zichzelf somt hij de klasgenootjes op, met wie hij de kijkdoos gemaakt heeft. Maar de ophanging was van hem.

Afscheid van Haarlem

Op mijn laatste dag in Haarlem passeer ik voor de Hema een kalende man in een regenjas die een boekje op de grond laat vallen. Ik raap het op. Het boekje heeft een gele kaft en op die kaft staat 'Het marktplaatsmeisje'. Ik overhandig het boekje aan de Haarlemmer, die me wat besmuikt, of moet ik zeggen beschaamd, toeknikt.
Als u nu denkt, is dat alles, dan kan ik u verzekeren van niet. Want er is ook nog een 'gevonden fiets'. Dit moet ik uitleggen. Op mijn eerste dag in Haarlem vond ik voor de deur van mijn pied à terre een fiets met 21 versnellingen. Dat leken mij 21 versnellingen teveel, maar hij stond niet op slot. Dit vatte ik op als een teken van de God van Haarlem. Ik stalde hem op het balkon. Gisteren maak ik dan eindelijk een rondje. Blijkt het zadel los te zitten, de rem nauwelijks te werken en de ketting te ratelen. Ik besluit de fiets terug te schenken aan Haarlem.
Daarna volgt het Echte Afscheid, te weten het stofzuigen van het appartement en het aanschaffen ener attentie voor de vriendelijke eigenares. Eerst denk ik: stofzuigen? Hoeveel kruimels verspreidt een eenling? Maar er blijkt wel degelijk wat te zuigen, en omdat ik daarmee te vroeg begin, blijf ik aan de gang, omdat ik telkens nieuwe kruimels maak. Tenslotte de attentie. Voor mij is dit appartement priceless, zoals dat heet, maar voor de eigenares waren de kosten van mijn verblijf te overzien. Wat te doneren? Ik kies voor een fles tawny port, met name vanwege dat woord, tawny. Zo voel ik me ook.

Gebruikte postzegel

In een verhaal van Tsjechov getiteld Een ambtenaarsexamen moet een postbode voor zijn promotie tot 'college registrator' een examen afleggen in allerlei vakken, maar met name in de Wetenschap der postboden, namelijk aardrijkskunde. Maar de aardrijkskundeleraar, Galkin, heeft de pik op hem, weet de postbode zeker, omdat hij hem een keer zijn plaats wees in het postkantoor.
Op zich een weinig opzienbarend negentiende eeuws verhaal, behalve dan die heerlijke toevoegingen, zoals dat Galkin, toen hij dronken was, met zijn biljartkeu uit het raam hing van een café en naar de postbode riep: 'Kijk eens heren naar die gebruikte postzegel, daar gaat-ie.'
Ook geestig is het aardrijkskunde-examen zelf, waarvoor hij dus zogenaamd moet zakken. Eerste vraag: 'Wat voor regering is er in Turkije?' Antwoord van de postbode: 'Een Turkse.' (Fout. Moet zijn: 'een constitutionele'. ) Tweede vraag: 'Welke bijrivieren heeft de Ganges?' Antwoord: 'De Ganges, dat is een rivier ergens in India, die uitmondt in de oceaan...' 'Dat vraag ik u niet. Welke bijrivieren heeft de Ganges?' Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Natuurlijk zet de postbode het op een huilen: dit kunnen ze hem niet aandoen, hij gaat bijna met pensioen, hij heeft de speciale pet voor de gepensioneerde al besteld... En hij zakt ook niet voor zijn examen, omdat het louter een formaliteit is. Tsjechov is genadeloos voor zijn personages, maar nooit onnodig cru.

Gijzeling

'We gijzelen elkaar,' liet ik mij ontvallen, tijdens het Paasweekend. Dit was geen gezellige opmerking, maar hij was wel waar.
'Hoezo?' vroeg lieftallige. 'Wie gijzelt jou dan?'
'De kinderen. Jij.'
Dat ik door de kinderen werd gegijzeld was evident. Als de een niet op mijn krant sprong en mijn kin haar richting op trok, ging de ander wel aan mijn nek hangen of greep me in mijn kruis. Vaak, gebiedt de eerlijkheid me te zeggen, vroeg ik er ook om.
De gijzeling door de echtgenote geschiedde subtieler, maar had daarom niet minder effect.
Misschien is dat wel de definitie van liefhebben: gijzelen. Wie niet gegijzeld wordt, is waarschijnlijk niet geliefd. En wie niet gijzelt, heeft waarschijnlijk niet lief. Maar vermoeiend is het wel.

Tweede werkdag



Niet zomaar naar binnenstormen, na het kloppen even wachten, anders schrikt de oud-bibliothecaresse zich een ongeluk, luidt de instructie, en geef haar de tijd om naar de deur te komen, dus dat doe ik. Maar er gebeurt niks en ik hoor niks, dus ik open de deur. Een lege stoel bij de kachel. Is ‘mevrouw’ op pad, even naar buiten? Onwaarschijnlijk. Ik zie een onaangeroerde kop koffie op tafel staan en een gepeld, hardgekookt ei ernaast, op een schoteltje. De koffie is nog warm. Ik voel me een inbreker, daarna een privé detective. Maar na een tijdje komt de mantelzorger in mij naar boven. Is mevrouw, eh… dood? schiet het door me heen, maar ook dat is onwaarschijnlijk. Waarschijnlijker is, mede gezien de kwalijke geuren die ik bespeur, dat ze op de WC zit. Maar het waarschijnlijkst is dat ze in bed ligt, ook al is het in de middag. Ik bel de mentor en vraag wat ik moet doen. ‘Gewoon aankloppen op de slaapkamerdeur en jezelf aankondigen,’ antwoordt deze. Als ik dit doe, klinkt een zacht ‘ja’. Ik open de deur. Mevrouw ligt inderdaad in bed, de gordijnen dicht, met een lamp aan. Ze lijkt begraven onder de spullen. ‘Weet u nog wie ik ben?’ ‘Ja,’ antwoordt ze, glimlachend, meen ik, ‘die man met die hoed.’ Ik kan weer naar huis, mijn werk voor vandaag zit erop.

Stichting

Gisteren een stichting opgericht. Dat moest, ik kwam er niet meer onderuit. Ik had al veel eerder een stichting moeten oprichten, maar het kwam er niet van, en om eerlijk te zijn zag ik er tegenop. Wat moet een mens met een stichting. En ik ken bijvoorbeeld geen notarissen. Ik ken veel advocaten, te veel advocaten zelfs, maar notarissen – nee. Dus wat doe je dan? Dan kijk je op 't interweb en voordat je het weet zit je te chatten met Fenna bij Ligo die je vragen stelt als: 'Ben je van plan incidenteel werknemers uit te lenen?' Ik bedacht een gewichtige naam voor mijn stichting, maakte €422 (€349 + BTW) over en  K L A B A N G !  mijn stichting was in oprichting en binnen twee dagen zou ik worden gebeld door... een notaris in de Bijlmer, die de boel gaat 'passeren'. Het gedeelte waar ik trouwens het meest tegenop zag bleek achteraf het makkelijkst: de samenstelling van het bestuur. Dit kostte me 2 telefoontjes en 1 appje. Toen ik zo soepeltjes mijn stichtingsbestuur bij elkaar had, begon ik me in ernst af te vragen of de door mij benaderde personen het wellicht  l e u k  vonden om in mijn bestuur zitting te nemen, en, in het verlengde daarvan, of ik het wellicht l e u k  vond om een stichting te hebben. Ik vrees het.

'Visioenen achter de ogen'



Tijdens mijn ochtendwandeling rond de Grote Markt – men was druk bezig een kermisje op te zetten – stuitte ik onverwachts, maar niet helemaal, want zolang ik in Haarlem zit te schrijven moet ik af en toe aan hem denken, op een buste van Mulisch. Een bronzen gezicht eigenlijk meer, van een jonge Mulisch, die zich, met de ogen dicht, aan de zon lijkt te warmen. Geen slecht beeld. Hooguit een beetje klein, in vergelijking tot dat andere bronzen beeldhouwwerk op de Grote Markt, dat nergens op lijkt en de immense Bavo-kerk. Maar de beeldhouwster, Jikke van Loon, had het ook nodig gevonden haar poëzie in de zijkant van de zuil te bikken, en dat deed pijn. Iemand had haar moeten tegenhouden. Mulisch kon dat zelf niet, anders had hij het zeker gedaan.

Tegenspraak

Bij het afscheid van de gezins- en relatietherapeut – men kan in dit leven denkelijk niet genoeg therapie ontvangen – krijg ik, toch nog, een compliment. Voor mijn hoed. 'Heeft ie van z'n moeder gekregen,' zegt mijn vrouw. Ik knik. 'Over mijn moeder geen klachten,' flap ik er Freudiaans uit.
Die avond tijg ik naar Haarlem om op mijn geheime pied à terre een brief van mijn moeder te gaan oppikken die ze iets te voortvarend naar dat adres heeft gestuurd. Het is een mooie, ontroerende brief, die bovendien is voorzien van een zelfgemaakte tekening, dus daar ben ik blij mede. Maar ze had me die avond ook een mail geschreven, waarin ze me aanraadde om na mijn volgende roman, die in augustus uitkomt (en waarover later hopelijk meer), mijn schrijverette 'op een lager pitje' te zetten. Ik reageerde als een wesp gestoken. 'Lieve moeder, je kunt er van op aan dat ik, ook na mijn volgende roman, met volle kracht vooruit zal pogen te gaan in de Litteratuur, want daarvoor ben ik, of je het leuk vindt of niet, nu eenmaal in de wieg gelegd. Zoals ik altijd zeg tegen mijn vrouw w.b. de muizen in de keuken: live with it.' Nu denk ik: ik had haar gelijk moeten geven. Mensen van een bepaalde leeftijd moet je niet meer tegen willen spreken, en al helemaal je moeder niet.

Eerste werkdag


Mijn eerste werkdag op zolder bij de oud-bibliothecaresse beviel goed, nadat ik met de daartoe bestemde onderbroek mijn bureaublad had afgenomen, het stof uit de bureaustoel had geklopt en mijn laptop in stelling had gebracht. De zon scheen uitbundig. Ik schoof het raam wat hoger open. Van de talrijke wifi-netwerken uit de buurt probeerde ik het onbeveiligde 'GAST'. Geen verbinding. Wat deed ik hier ook alweer? Een uur of wat later – wie zijn werkdagen kort houdt blijft vrijwel steeds nuttig – daalde ik het trappetje af. De oud-bibliothecaresse was in haar stoel bij de kachel in Dagboek van een postbode bezig. Nog even en ze wist alles. (Daar stond tegenover dat ze het waarschijnlijk niet lang zou onthouden.) 'Zullen we gaan wandelen?' Ja, dat leek haar wel wat. Ze deed een donker-oranje winterjack aan. We trokken de Jordaan in. Op een terras op de Noordermarkt, met onze rug naar de zon, dronken we een muntthee. 'Nou heb je je shag niet bij je,' zei ik, plagerig. 'Nee,' zei ze, 'jammer', met lichte spot in haar stem. Volgende keer, heb ik beloofd, speel ik wat op de oude piano uit het Schubert-boek van haar moeder.

Obstakels

Ik had aangeboden om een slechtziende slechtlopende met één slechte arm te begeleiden van het CS naar de OBA – hemelsbreed 750 meter volgens Google Maps, alsmaar rechtdoor ook nog, dus je zou zeggen: dat moet te doen zijn – maar toen we op weg gingen, zij met haar witte, roodgerande wandelstok ('als ik een blindenstok zou kunnen vasthouden, zou ik er een nemen' en: 'Als ik niet zo kippig was, zou ik met de scootmobiel gaan'), ik met haar rugzak, kwamen we toch, voor mij althans, onverwachte obstakels tegen. Zoals mensen. Die in de weg liepen, of ons domweg aangaapten. Ons gesprek leed er overigens niet onder. 'De laatste tijd was ik heel moe, ik dacht dat ik stervende was. O, nou, dacht ik, dan is dit het dus. Maar ik bleek Pfeiffer te hebben.' Ik zei: 'Gelukkig maar. Nog maar even niet sterven. Trouwens, hoe kom je aan Pfeiffer?' 'Ja, gek hè? Ik heb mijn ex wel gekust onlangs, maar ik kan me niet voorstellen dat ik het van hem heb.'

Freelancer in de gig economy



Moeilijk voor te stellen dat ik een half jaar geleden nog een onderbetaald radertje was in de machine die PostNL heet. Die radertje-in-machine-metafoor wordt trouwens steeds toepasselijker. Ongeschoolde arbeiders die kortcyclische arbeid verrichten worden langzaam het probleem van computers, in plaats van andersom. De freelancer in de gig economy wordt bestuurd door slimme apps die inspelen op de zwaktes van de mens, bijvoorbeeld dat hij graag 'doelen' wil bereiken (ook al worden die doelen door de app gesteld), dat hij meer waarde hecht aan allerlei nietszeggende complimentjes in de vorm van 'badges' dan aan keihard loon en dat hij eerder extra klusjes aanneemt als die 'meteen voor hem klaarstaan' (want de mens 'opereert vanuit inertia'). Let op mijn woorden: dit gaat ook de wereld worden van de Nieuwe Postbezorger (die het gras maait, de medicijnen-inname checkt, tippelt, etc). Ik heb, bij de invoering van de Mijn Werk-app, nog net het begin van deze Nieuwe Wereld meegemaakt. Hiernaar verlang ik niet terug.

Zolderkamer

Tijdens de rondleiding door de bovenetage van de oud-bibliothecaresse die mij royaal haar zolderkamer in de Jordaan ter beschikking stelt in ruil voor enige conversatie, een boodschap en wellicht een wandelingetje, wordt mijn aandacht getrokken door een onderbroek naast de wastafel. 'Die gebruik ik als keukendoekje,' zegt ze. Even later staan we achter mijn eigenhandig geïnstalleerde bureau voor het zolderraam, dat uitzicht biedt op een aantal balkonnetjes. Op een balkonnetje een verdieping lager, behoorlijk dichtbij, zitten twee jonge mensen onder het genot van een glas wijn met elkaar te flikflooien. Ze voelen zich niet bekeken. De oud-bibliothecaresse en ik zien het even aan. Het is een mooi schouwspel. Dan zegt zij: 'Als je er last van hebt, kun je op het raam tikken.' Jawel, ik ben opgetogen over deze zolderkamer. Ik zie mezelf hier wel zitten.

Chance encounter

Zeker, men kan koketteren met eenzaamheid, en veel literatuur bestaat uit precies dat, maar wanneer de eenzame een bekende ontmoet, wordt hij wakker getikt en keert hij terug naar het land der levenden.

Het gebeurde voor Victor's Espressobar. Ik herkende haar. En zij herkende mij gelukkig ook meteen.

Zij was met haar kleinkind.

Ik had mijn hoed op.

We waren, voorzover ik kan beoordelen, oprecht verheugd elkaar te zien.

Ik betrapte mezelf erop dat ik meteen een afspraak wilde maken. Om de chance encounter nog eens over te doen. Maar dat kan per definitie niet; ik was mezelf alweer aan het indekken tegen de eenzaamheid.

Moe

'Ik ben een beetje moe,' hoorde ik iemand verzuchten die daar helemaal geen reden toe zou moeten hebben.
Ik wou uitroepen: 'Ik ook! Ik ben ook moe! Of nee, wacht eens, ik ben moeier, of hoe zeg je dat. Maakt niet uit hoeveel dutjes ik doe door de dag heen, alsmaar ben ik mezelf aan het uitrekken, mijn ogen aan het uitwrijven, aan het geeuwen, aan het gapen, vaak ook zonder mondbedekking omdat ik daar, ja, te moe voor ben. Zal wel met het voorjaar te maken hebben. Ja, daar zal het mee te maken hebben, want ik kan geen andere reden bedenken.'
Maar ik was ook moe van het moe zijn.
Kan men moe zijn van het moe zijn van het moe zijn?
Dan was ik dat ook.
Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.

Haarlem = Parijs

Vanochtend, toen ik mijn ochtendwandeling maakte over de natgespoten kasseien rondom de Bavo Kerk in het poppenstadje Haarlem, en de terrassen met de koffiedrinkende klasse passeerde, dacht ik aan Parijs. Niet zozeer vanwege de zonnige omstandigheden, natte kasseien en voorgenoemde terrassen maar omdat ik alleen was, en ogenschijnlijk op zakenreis, en ik op zakenreis in Parijs ook nooit iemand spreek. Het maakt niet zo gek veel uit waar je bent als schrijvende eenling. Je komt om te schrijven, en niet om te spreken, dus dat treft. Lezen, wandelen – zulks is heilzaam  –, maar dat is het wel zo'n beetje. Daarom geloof ik ook niet in kostbare schrijfvakanties onder leiding van Arthur Japin en andere inspirerende literaire grootheden. Daar wordt heel wat afgeluld, en dat is heerlijk en goed, vooral voor de organisatie, maar schrijven is een eenzaam beroep. Dat moet het ook zijn. If you can't stand the silence start a restaurant.

Dead rat paparazzo

Saturday night we are welcomed at our house by a dead rat. It is lying in the middle of the road, on its side, as if lounging, its tail spectacularly long. 'Don't park here,' my wife says. 'I don't want to see it.' I park a little further down the street. Meanwhile, a man with an explosion of grey hair is getting out of his car, leaving the door open and lights on, walks toward the dead rat and starts taking pictures. As my wife tries to unsee the dead rat, to think it away, on her way to our front door, I cannot resist saying to the dead rat paparazzo: 'Thanks for taking it off the street, sir.' His reply: 'It's a dead rat!' 'Yep. Thanks for cleaning it up.' Later I feel obliged to clean it up myself, so I take a spade and go back into the night. The dead rat paparazzo is gone. The dead rat is not – its body lifeless but beautifully intact. I scoop it up carefully, still somehow expecting it to wake up and run off, and shove it in the dumpster. A proper rat burial, I suppose.

Geen bal/ In bad.

Aanvang 2016 stuurde ik mijn uitgever een smeekbede verpakt in een koele email, behelzende dat ik met graagte mijn kaartje voor het Boekenbal opgaf, als ik in 2017 lieftallige zou mogen meetronen, onder het motto dansen met jezelf is lekker, maar samen delicieus. Mijn uitgever antwoordde vriendelijk dat hij niets kon beloven, maar dat hij zijn best voor me zou doen. Wat bleek, er was überhaupt in 2016 geen kaartje voor me. Vorige week kreeg ik bericht dat er 1 balkaartje voor me klaar lag. Nu had ik wel bargaining power. Ik ben op mijn hoofd gaan staan – op een gegeven moment hoorde ik mezelf aanbieden voor het auteursdiner op de uitgeverij voorafgaand aan het bal iets klaar te maken; het antwoord luidde reuze lief aangeboden, maar er komen 100 mensen – edoch: geen tweede kaartje. Toen zijn we maar in bad gegaan. Ik vermoed dat wij meer sterren zagen.

Dynamisch debat

Na afloop van Fortress Europe, de opera die mijn gesprekspartner sinds 1983 had gekozen als uitje voor mijn vijftigste verjaardag, vond een dynamisch debat plaats. We werden door een vlotte presentator met oorbellen en een vage hanekam uitgenodigd iets te beweren over Europa en de vluchtelingencrisis. Wie het eens was met wat er gezegd werd ging bij de spreker staan, wie het juist niet eens was, liep bij de spreker weg. Maar je mocht ook van mening veranderen, op en neer lopen of op je hoofd gaan staan. Doel was, denk ik, om de boel een beetje in beweging te krijgen. Ik vond het een origineel concept, en het ging ook goed, dat wil zeggen iedereen hield zich aan de regels en er werd zowaar af en toe boompje verwisseld tussen de optimisten en de pessimisten (hoewel minder dan je zou verwachten), en het is een interessante ervaring om weg te lopen van een vriend om wat hij beweert, en vervolgens weer bij hem terug te keren, maar er was alleen een probleem: de anderen waren er niet. Dat wil zeggen, er waren geen vluchtelingen. En ook geen Europahaters, islamo- of xenofoben. Dan mag het debat noch zo dynamisch zijn, het blijft een zinledig ritueel.

Nutteloze mannen

Ik zie een enorm koffietafelboek voor me, van Taschen bijvoorbeeld (met bijbehorend opzettafeltje), getiteld Nutteloze mannen. Prachtige spreads van nutteloze mannen, met een korte toelichting van hun nutteloosheid. Misschien achterin nog wat info, waarin de vraag wordt beantwoord of en zo ja wanneer de nutteloze man in kwestie nog enig nut leek te hebben, maar de meeste nutteloze mannen weten niet beter. Verder vooral veel aandacht voor hun schitterende lijven (met geurpagina's), hun wonderlijke kleren, hun baardjes, hun make up (welke nutteloze man draagt heden ten dage geen make up?), en dan uiteraard goed in beeld brengen de gereedschappen waarmee de nutteloze man in het huidige tijdperk zijn nutteloosheid vormgeeft. Mannen kunnen niet zonder gereedschap, dat zit in hun genen. Vroeger richtten zij daar nog wel eens iets mee uit, dat nuttig zou kunnen worden genoemd, maar die tijd ligt ver achter ons. Nu zijn hun gereedschappen ultieme speeltjes geworden – net zoals zijzelf.

Voorlezen



Een van de grote voordelen van optreden in het Bruggehuisje is dat bij een opkomst van nul procent de zaal toch nog voor pakweg 10 procent gevuld is. Maar de opkomst gisteravond was geen nul procent maar pakweg 50 procent. Hier en daar zag je nog wat lege plekken, ook op het balkon, maar daar staat tegenover dat er publiek op de grond zat (nl. managing director van het Bruggehuisje, Mark van Duijn). En er was quiche, Armeense walnoten-carameltaart en rosé.
Het Bruggehuisje wil een verteltheater zijn maar ik ben geen verteller, verontschuldigde ik me al bij binnenkomst; ik kwam een verhaal voorlezen. Het voorlezen van een verhaal is economischer, en minder economisch, dan het vertellen van een verhaal. De pauzes tussen de woorden en zinnen zijn korter, maar daar staat tegenover dat een schrijver wellicht meer woorden en zinnen nodig heeft om hetzelfde te zeggen.
'Het deed me denken aan Remco Campert,' zei een blinde luisteraar na afloop. Zulks beschouw ik als een compliment, vooral van een blinde.

Foto bereikte mij vandaag courtesy of Xaviera Hollander, die een Russische spion in de zaal bleek te hebben zitten.

Derde vraaggesprek

Man 1: Waarom draagt u een hoed?
Man 2: Ik wilde al lang een hoed geloof ik, maar ik wist niet waar ik er een kon kopen/ik was te lui om dat uit te zoeken. Toen stuitte ik bij toeval in een dumpshop op een hoed van €10, die eigenlijk ook iets te klein was, maar dat weerhield dit hoofddeksel er dus niet van om van de Oosterdokskade het water in te waaien.
Man 1: Waarom draagt u een hoed?
Man 2: Daarna heb ik voor mijn gevoel lang zonder gezeten. Het voelde wel ongeveer terecht, symbolisch en zo, dat ik mijn hoed was kwijtgeraakt. Ik kon trouwens ook geen nieuwe hoed vinden die paste. Ik ben behept met een groot hoofd.
Man 1: Waarom draagt u een hoed?
Man 2: Een vintage hoedenwinkel mailde me af en toe foto's van hoeden die me wel zouden passen, vooral van jagershoeden en ik ben geen jager. Ik ben verzamelaar. Voor mijn vijftigste verjaardag ben ik een hoed gaan passen in een deftige hoedenwinkel. Daar vond ik een majestueuze, perfect passende Borsalino, maar men was het erover eens dat ik die Borsalino niet had verdiend. Ikzelf eigenlijk ook.
Man 1: Waarom draagt u een hoed?
Man 2: Nu heb ik een nep-Borsalino. Een nep-Borsalino is ook een hoed.
Man 1: Waarom draagt u een hoed?
Man 2 zet zijn hoed op het kale hoofd van man 1 en trekt hem hard naar beneden, om zo het zicht aan hemzelf en de rest van de wereld te onttrekken.

Tweede vraaggesprek

Man 1: Waar is uw paraplu?
Man 2: Ik heb twee paraplu's. Een witte en een bruine. Ze zijn allebei kapot, maar ze doen het nog wel.
Man 1: Waar is uw paraplu?
Man 2: De witte paraplu heeft een knik in een van de ribben, bij de bruine doet de schuif het niet meer.
Man 1: Waar is uw paraplu?
Man 2: Meestal neem ik de witte, maar hij is eigenlijk te groot voor op de fiets. Hij vangt teveel wind. De last van de wind weegt dan niet meer op tegen de baten van de droogte. Ik weet wel dat er van die speciale paraplu's zijn voor op de fiets, van die aerodynamische, maar die heb ik niet. Daar heb ik eigenlijk ook geen geld voor over, voor zulke innovaties. Dan weegt het aerodynamische weer niet op tegen de prijs.
Man 1: Waar is uw paraplu?
Man 2 trekt de paraplu van Man 1 uit zijn hand, en loopt weg. Prompt houdt het op met regenen.

Vraaggesprek

Man 1: Waarom draagt u een regenjas?
Man 2: Ik heb twee jassen. Een dikke en een dunne. De dikke draag ik als het koud is.
Man 1: Waarom draagt u een regenjas?
Man 2: Het is niet meer koud, dus ik draag de dunne. De dikke heb ik opgeborgen. Alleen als het ineens weer koud wordt, zal ik hem weer tevoorschijn moeten halen.
Man 1: Waarom draagt u een regenjas?
Man 2: Mijn dunne jas is een regenjas.
Man 1: Waarom draagt u een regenjas?
Man 2: Ik heb geen dunne jas die geen regenjas is.
Man 1: Waarom draagt u een regenjas?
Man 2 trekt zijn regenjas uit en loopt weg. Prompt begint het te regenen.

Kleine overwinning

Die avond reed ik naar Haarlem met een lege tank. Althans, de wijzer stond in het rood maar het lampje brandde niet. Ik was aan de late kant, dus ik dacht: ik tank op de terugweg. En inderdaad, op de terugweg, de wereld was donker en leeg, vond ik een onbemande tank. Toen ik voorbereidingen trof om te tanken – me verheugend over de lage benzineprijs – bleek ik mijn beursje niet bij me te hebben. Geërgerd vertrok ik weer. Een mede-weggebruiker zwaaide dat ik het klepje van de benzinetank had opengelaten. Wacht even, dat betekende dat de benzinedop, die ik op het dak had gelegd... het ruime sop had gekozen. Ik stopte bij een bemand tankstation en sprokkelde alle munten die ik in het dashboardkastje vinden kon bij elkaar. Winst: twee liter benzine. De man in het station gaf me attent een emmer mee met tankdoppen achtergelaten door slordige tankers als ik om uit te proberen op mijn tank. Ze pasten niet. De man verzekerde me dat de dop waarschijnlijk nog in de buurt van de onbemande tank zou liggen. Nu denkt u: hij vond hem terug en ziedaar de kleine overwinning, maar zo makkelijk is het niet. Zo makkelijk is het nooit. Ik kon de onbemande tank niet terugvinden, terwijl het tanklampje wel ging branden. Naar huis dus. De volgende dag naar de sloop aan de Amstel. De man in het kantoortje – blinkende steen in de oorlel en op de onderarm een CHANTAL-tatoeage –, stopte met het ordenen van met balpen beschreven kartonnetjes. Ik wilde hem volgen het autokerkhof op, maar hij gebaarde dat ik moest wachten. Ik zag hoe hij als een hagedis tussen de wrakken verdween en opmerkelijk snel terugkeerde met mijn dop in zijn hand.

Nieuwsgierig



Het Grote Afstoffen was begonnen, te beginnen bij de boekenplanken. Aan mij is geen grote afstoffer verloren gegaan; ik ben een luie stofzuiger, maar dit stof zat vast. Dan is mijn neiging nat afstoffen, maar dan heet het geen afstoffen meer maar afnemen, en ontstaat er modder. Eerst maar eens al die torenhoog gestapelde boeken van de boekenplanken af. Maar dat was nog niet zo eenvoudig. Elk boek dat ik van de boekenplank naar mijn bureau verhuisde moest uitgebreid worden bestudeerd, besnuffeld, gelezen, enzovoorts. Zogenaamd om te keuren, of het mocht blijven of niet, en als het mocht blijven, waar het dan bij de herschikking van de boekenplanken zou moeten worden ingedeeld, maar ik was gewoon nieuwsgierig. Sommige van die boeken had ik nooit goed ingekeken, of ik was vergeten dat ik ze had. Eén boek had ik wel ingekeken, maar kon ik niet genoeg inkijken: Erotic Art, een overzicht van "Drs. Eberhard and Phyllis Kronhausen" uit 1968 (kan iemand niet eens een documentaire maken over dat echtpaar?), en dan bleef ik vervolgens weer haken bij Ferdi, een Nederlandse kunstenares, en een plaatje van haar Womb Tomb. Dit ging heel lang duren.

Rommeltje

Ieder leven is een rommeltje. Ik zag de uitspraak voorbijkomen in een krant. Een mooie variant op het menselijk tekort. Natuurlijk is het leven een rommeltje: een verzameling onvervulde verlangens, opgekropte frustraties, toevallige successen, pathetische relaties, onverwerkte trauma's, krakkemikkige façades, saai- en onhandigheden. En o ja, korte momenten van geluk, die, zodra je er langer over nadenkt, alweer hun glans verliezen. Wie te hoge verwachtingen heeft wordt continu teleurgesteld. Wie te lage verwachtingen heeft, loopt het risico te weinig uit het leven te halen. De kunst van het leven is aantrekken en laten vieren, afwachten en soms zelf opstarten, niet te veel te verbergen maar ook niet alles op straat te gooien. Zelfmoord is zinloos. Zelfmoord is het grootste rommeltje (om te beginnen voor de achterblijvers). Toch is het een troost dat de optie bestaat. Leven is opruimen en aanvaarden dat het altijd een rommeltje blijft.

Gravitas

'Is dan niets meer heilig?' roep ik uit als mijn gesprekspartner sinds '83 voor de deur staat met een baardje. Ik ken hem, sinds 1983 dus, niet anders dan met gladgeschoren kaaklijn en eventueel hier en daar een scheerwondje. Als zelfs hij toetreedt tot het baardjesvolk, wat dan? Aan de andere kant: ik heb zelf ook wel eens een poging gedaan. Lieftallige vond het vreselijk, maar de twintig jaar jongere vriendin van Nieuwe Vriend P. (die zelf ook een baard heeft, P. bedoel ik, een echte), zag alleen maar voordelen. Inmiddels ben ik toch wel tot de slotsom gekomen dat een baard geen goed idee is voor mij. Niet alleen omdat ik te weinig baardgroei heb, maar ook omdat rond mijn baardjes de geur van (zelf)verwaarlozing hangt.
Mijn gesprekspartner sinds '83 kijkt licht verontschuldigend naar de grond. 'Ach, ik was op wintersport en ik was mijn scheerspullen vergeten en toen dacht ik... Ik krijg goede reacties, vooral van mannen trouwens. Die komen op me af en zeggen: staat je goed. Of: laten staan. Het geeft me gravitas.'
Gravitas was niet het eerste waar ik aan dacht toen ik dit baardje zag, en ik vraag me af of je gravitas moet willen nastreven, maar het is weer eens wat anders, en daar valt veel voor te zeggen.

Liefde op afstand

Als de moeder van huis is, duikt de dochter bij de vader in bed. Het voelt natuurlijk. De vader mist zijn vrouw, de dochter mist haar moeder; knuffelen is knuffelen. Maar de vader wil slapen. De dochter wil ook wel slapen, maar samen slapen is onmogelijk, dus de dochter moet terug. De dochter heeft het wel eerst zelf geprobeerd. Met de vader naakt op de grond van de kinderkamer, eindeloos liedjes zingend. Telkens als hij probeerde zich voorzichtig los te werken uit de greep van de dochter, op te staan (met knarsende knieën), en weg te sluipen (over krakende vloerdelen) zag hij uit zijn ooghoek de dochter alweer rechtop in bed, klaar om te roepen om de moeder. Alles is toegestaan – werkelijk alles – ter voorkoming van de roep om de moeder. Dus terug, opnieuw. En weer. Totdat hij zich gewonnen gaf – de vader geeft zich makkelijk gewonnen aan de dochter – en haar toestond bij hem te komen liggen. Maar nu slaapt ze toch echt, te oordelen naar de cadans van haar snurken. Voorzichtig terugleggen. Het lukt. Allebei een reden om trots te zijn.

Kleurrijke tandarts

Mensen leven voort in de verhalen die over hen verteld worden. Een breedgeschouderde, kleurrijke tandarts met een onverschrokken can do mentaliteit ('maar Viktor, dat is geen enkel probleem, dat gaan we gewoon even regelen'), Bart Schafrat genaamd, overleed vorige week in Alicante. Hij was lang geleden een goede vriend van mijn broer. Ik had destijds al een zwak voor hem, omdat hij mij eens, toen ik net een rijbewijs had, midden in de nacht in zijn Peugeot 604 met 160 over de A2 naar Amsterdam liet rijden, terwijl hij achterin zat te blowen. Toen ik hem een paar jaar geleden in enigszins aangeschoten toestand op een feest tegenkwam, beloofde ik dat mijn eerstvolgende consult bij hem zou plannen. Hoewel mijn eigen tandarts zulks ook heus wel kon, en je eigenlijk niet wil weten dat je tandarts drinkt, heb ik hem bij mij een verstandskies laten trekken. Barts praktijk zat op de Brouwersgracht. Aan anti-inkijkfolie voor de ramen deed hij niet. Zijn wachtkamer bestond uit een klein bankje. In de behandelruimte liet hij een literair tijdschrift rondslingeren; dit vond ik sympathiek. Minder sympathiek vond ik het incassobureau dat ik op mijn dak kreeg toen ik Barts rekening niet snel genoeg betaalde. Meer nog dan de verhalen over Bart, zal ik me zijn bronzen stemgeluid herinneren, zijn onvervalste Brabantse accent en zijn luie, levenslustige lach.

Echt

We gingen naar Ed van der Elsken en ik merkte dat ik eigenlijk vooral één bepaalde foto wilde zien, een iconische foto zoals dat heet, of eigenlijk helemaal geen iconische foto, gewoon een krachtig beeld: een man en een vrouw in Z/W die de liefde bedrijven op een rommelig bed. Ik herinnerde me dat beeld nog van lang geleden, uit een Ed van der Elsken-boek dat bij mijn zus lag. Alle foto's in dat boek intrigeerden me, maar vooral dat liefdesbedrijf. Dat zag er zo echt uit, terwijl het natuurlijk geposeerd was. Aan de wanden van het Stedelijk Museum vond ik de foto niet, dat was jammer (nu kan ik hem gek genoeg ook niet vinden met Google; misschien mag de foto niet van Google, omdat hij te echt is). Gelukkig zag ik het beeld voor het einde van de tentoonstelling nog wel even voorbijkomen, tijdens de film 'De verliefde camera', dus mijn bezoek was niet voor niets geweest. Het blijft een goede foto. In mijn herinnering stond er zoiets bij als 'Twee vrienden van me doen het', maar het zou me niks verbazen als de man met de baard in de foto Ed van der Elsken zelf was.

Nota bene: een hele goeie googelaar uit Rotterdam vond hem toch nog. Uit het boek l'Amour.

Perversie

Moeilijk om geen sympathie – oké, vooruit: begrip – op te brengen voor de pakketbezorger die zichzelf plezierde in de brievenbus van een leegstaand woonhuis in Monea, Noord Ierland. Hij werd gepakt omdat de eigenaar van dat huis, na het aantreffen van een 'puddle in the hallway', wilde weten hoe die 'puddle' daar kwam en daartoe een beveiligingscamera installeerde. De perverse pakketbezorger heeft ontslag genomen bij de post en wordt thans onderhouden door zijn vrouw met wie hij 17 jaar is getrouwd. De rechter kende niet de schadevergoeding van meer dan 5000 pond toe die de eigenaar van het pand en evengoed perverse filmmaker had geëist (nieuwe deur, vlekverwijdering etc.), maar legde een boete op van 500. Dit zijn van die faits divers die geen commentaar behoeven, maar als ik er dan toch iets van moet zeggen, dan is het dat ik onder de indruk ben van de 'puddle', en hoop dat de brievenbus een beetje aardig is geweest voor de pakketbezorger.

Flipperwetten

Nieuwe Vriend P. stelde voor om een 'fantastische kast' te gaan bespelen in een coffeeshop in de Pijp. Hij is een meesterflipperaar, en ik ben zijn ijverige leerling, maar nadat hij mij had uitgelegd hoe de kast werkte, misschien kwam het door de wietdampen, won ik het ene na het andere potje. Beginner's luck, no doubt; ik wist nauwelijks wat ik deed. Ik probeerde alleen maar de bal in het spel te houden. (Ik was onvoldoende op de hoogte van de Tweede Flipperwet, volgens dewelke het er niet om gaat hoe lang je de bal in het spel houdt, maar dat je hem de goede kant opstuurt.) Sympathiek was het, van deze kast, om na een pilot error (Eerste Flipperwet: Blijf Kalm Ter Voorkoming Van Pilot Errors), waarbij bijvoorbeeld de bal middendoor de flippers wegvloog, een extra bal te geven. Die extra ballen had ik nodig. Toen ik aan het eind van de avond de kast op tilt kreeg, overtrad ik hiermee de derde en laatste Flipperwet: 'Geef duwtjes om een weifelende bal de goede kant op te krijgen, maar doe dit met mate, en nooit te hard.' Allemaal levenswijsheden.

Whiskey

Naar het OBA Live dubbel-interview gisteravond had ik een fles Islay Single Malt Scotch meegenomen, plus drie glaasjes, voor het geval er niemand op zou dagen. Die kans leek me niet gering: het gesprek vond plaats om 18.00, de tijd waarop Nederland aan tafel gaat, in een vakantie tijdens dewelke Nederland op de ski's staat, op het hoogtepunt van een storm die Nederland in staat van alarm bracht. Maar zie, er had zich een dozijn geïnteresseerden gegroepeerd rondom een tafel vol boeken. Mijn boeken, zag ik tot mijn vreugde, alsmede die van mede-geïnterviewde Stephan Enter.
'Whiskey?' vroeg ik niettemin aan mijn disgenoten, toch wel ietwat onwennig, want het is niet mijn gewoonte om her en der sterke drank te schenken.
Er kwam geen antwoord. Men leek in verlegenheid gebracht.
We dronken water. Interviewen is werk en onder het werk wordt niet gedronken, zoiets.
Na afloop van het dubbelinterview lustte Enter toch nog een drupje. En er waren er meer. Whiskey before breakfast is één ding, whiskey in de bibliotheek een ander. Ik opteer voor het laatste.

Bij mijn ouders (II)

Toen ik met mijn drie- en zevenjarige een kijkdoos wilde gaan maken, – hiertoe had ik een schoenendoos meegebracht uit Amsterdam –, zette mijn vader net een kartonnen doos met pillen op tafel om zijn dagelijkse intake te organiseren. Onmiddellijk verschoof de aandacht van mijn knutselproject naar zijn pillenproject.
Zijn doos won het van mijn doos.
Vooral de zevenjarige bleek meer geïnteresseerd in het ordenen van pillen in een laatje voor elke dag van de week voor zijn tachtig jaar oudere grootvader, dan in het op zijn vaders aanwijzingen vastlijmen van wuppies op strategische plekken.
's Avonds, toen het spul naar bed was en mijn moeder naar de bridge, vroeg ik aan mijn vader: 'Geloof jij in een voltooid leven?' Toen ik de vraag stelde, hoorde ik pas hoe tendentieus hij was. Het is lastig om neutraal met je ouders over levenseinde-kwesties te praten.
Maar mijn vader gaf kalm antwoord, zoals hij op bijna alles kalm antwoord geeft. Jawel, hij kon zich voorstellen dat een leven was voltooid. Dat gezegd hebbende, geloofde hij toch ook wel dat iemand die zegt dat zijn leven voltooid is, in veel gevallen nog wel te verleiden is om zijn leven nog iets te verlengen.
'Ieder mens wil in leven blijven,' concludeerde ik.
'Als het leven genoeg te bieden heeft, ja.'
We bogen ons weer over de dagpuzzel van de NRC.

Eerste afwijzing der pojisie

'Naar aanleiding van je sollicitatie naar de functie van surveillant bij de eenheid Amsterdam delen we je mee dat je helaas niet bent geselecteerd om de procedure te vervolgen. Vanwege het grote aanbod zijn de kandidaten geselecteerd met de kenmerken die het beste passen bij de functie. Hierbij zijn vooropleiding, kennis van etnische groepen en culturen verkregen door achtergrond of ervaring, (werk)ervaring en woonregio meegewogen,' aldus de email van info@kombijdepolitie.nl.
Mijn sollicitatie bij de pojisie had mijn verbeelding vleugels gegeven. En niet alleen die van mij. Menigeen wilde mijn sollicitatiebrief lezen. Het was ook een goede brief. Als ik niet vijftig en wit was geweest, maar vijfentwintig en bruin, had ik het wel gehaald, denk ik. Maar een mens moet leven met zijn beperkingen.
Overigens geef ik nog niet op. Hoofdcommissaris Pieter-Jaap Aalbersberg verlangt 500 extra agenten in Amsterdam. Me dunkt dat als hij die krijgt, de selectiecriteria enigszins worden aangepast, en 'kennis van etnische groepen en culturen verkregen door achtergrond of ervaring' wat minder zwaar meeweegt dan nu. Het eerste kabinet Wilders doet de rest.

Bij mijn ouders

Ik ben nog niet neergeploft in de zitkamer, of mijn moeder bestudeert bewonderend mijn haar. 'Die kleur grijs die je nu hebt is dezelfde als die van je ogen. Mooi, hoor.'
Moet ik haar bedanken? Tegenspreken? Nee, ik moet haar een compliment teruggeven, maar daar moet ik dan wel goed over nadenken, want ze prikt zo door een ongemeend compliment heen.
Even later, in de keuken, zegt ze, als we het over verslavingen hebben: 'Ik geloof niet dat ik ergens aan verslaafd ben.'
'Jij bent verslaafd aan praten,' kaats ik terug. 'Jij bent praatziek.' Het komt er nogal bot uit, maar het is denk ik wel de waarheid.
Mijn moeder loopt terug naar de zitkamer en zegt hardop tegen zichzelf: 'Praatziek. Dus je vindt me praatziek.'
Sinds ik de diagnose heb gesteld, zie ik er overal bewijs van. Misschien zijn alle moeders tot op zekere hoogte praatziek.
Bij het afscheid probeer ik mijn vader te kussen. Hij werkt niet mee.
'Ja, geef elkaar nou eens een kus,' moedigt mijn moeder aan. 'Jij gaf je vader toch ook een kus?'
'Mijn vader,' werpt hij tegen, 'was een klein mannetje.'
Terwijl mijn vader dit argument naar voren brengt ziet hij er zelf de zwakte van in. Hij mag dan geen klein mannetje zijn, hij loopt zo krom, dat zijn gezicht op dezelfde hoogte hangt als dat van een klein mannetje.
We kussen elkaar. Het voelt goed. Op deze leeftijd wil je geen kus meer mislopen.


Business-studenten

Een voordeel – toegegeven: een van de weinige voordelen – van een almost-bestseller is dat inwoners van Nederlandse gemeenten buiten Amsterdam van niets weten, en de auteur zijn verhaal dus in al die plaatsen dunnetjes over kan doen. Zo stond ik gisteravond bezoldigd en al, biertje in de hand, in Großstad E. voor een zaal met business-studenten te vertellen over Dagboek van een postbode alsof dat boek net van de pers was gerold. Gelukkig had tenminste één aanwezige wel eens van Charles Bukowski gehoord, en tenminste één andere van Xaviera Hollander (dat was, niet zo gek, een business-docent; de reikwijdte van Supersex en andere recente Hollander-hits zijn niet dusdanig dat de business-student er op sociale media murw mee wordt gebeukt). Tenminste een handvol mensen gokte goed bij een foto van personeelswetenschapper Herna Verhagen. Ik vermoedde al dat niemand op de hoogte was van de mini-rel rondom 'mijn persoontje' (om met Theo van Gogh te spreken) afgelopen herfst, maar ik wist het zeker toen de tent zowat werd afgebroken bij het non-nieuws van mijn ontslag op staande voet wegens uiteenlopende stoutigheden. Nu ik erover nadenk is er nog een voordeel van niet bij iedereen op het nachtkastje liggen, namelijk dat sommige stoutigheden uit je verhaal discreet achterwege kunnen blijven. Noem het zelfcensuur après la lettre.

Beste Monica,

Begrijpelijk, maar wel jammer. Ik denk dat ik wel wat zou hebben voor de rondvraag. Maar misschien hoef ik er helemaal niet in persoon bij te zijn en is het genoeg om Dagboek van een postbode (nog altijd – godlof – verkrijgbaar bij de betere boekhandel) als discussiestuk naar voren te brengen. Ik denk dat over de inhoud best wat te klankborden valt. Ik zeg dit niet alleen omdat ik vijfentwintig boeken wil verkopen aan evenzovele postbezorgers. Ik zeg dit omdat de post mij aan het hart gaat als mens.

Hartelijks, Viktor



From: OR PRODUCTIE, Secretariaat
Sent: Monday, February 13, 2017 10:28 AM
To: 'viktor frölke'
Subject: RE: uitnodiging klankbordgroep Postbezorgers 27 februari

Beste Viktor,

Helaas is het dan niet mogelijk en zinvol om te komen.
Ik zal je uit het bestand verwijderen. 

Met vriendelijke groet,

Monica ***
Secretaresse
Ondernemingsraad


Prinses Beatrixlaan 23 • 2595 AK 's-Gravenhage
Postbus 30250 • 2500 GG 's-Gravenhage
Nederland
www.postnl.nl
P Please consider the environment before printing this e-mail

Geachte Bert ***,

Hartelijk dank voor de uitnodiging voor de klankbordgroep. Ik zou hier heel graag bij aanwezig willen zijn, maar ik ben 4 oktober vorig jaar op staande voet ontslagen, ik weet niet of dat een probleem is?

Hartelijks & keep up the good work,

Viktor Frölke



From: OR PRODUCTIE, Secretariaat
Sent: Wednesday, February 8, 2017 2:53 PM
To: OR PRODUCTIE, Secretariaat
Subject: uitnodiging klankbordgroep Postbezorgers 27 februari
 
Beste Postbezorger,
Hierbij nodig ik je van harte uit om je aan te melden voor de bijeenkomst van de klankbordgroep Postbezorgers op maandag 27 februari a.s.. Je kunt je tot 20 februari a.s. aanmelden via een antwoord op deze e-mail.
Er kunnen maximaal 25 postbezorgers deelnemen. Als er meer dan 25 aanmeldingen zijn, dan wordt er een selectie gemaakt op basis van de 6 regio’s. We doen ons best om zoveel mogelijk postbezorgers vanuit alle regio’s vertegenwoordigd te hebben. Uiterlijk een  week vooraf wordt de definitieve uitnodiging & agenda verstuurd en weet je of je ook daadwerkelijk bent uitgenodigd.
De agenda sturen we bij de definitieve uitnodiging mee.
De reis- en vergadertijd (gemiddeld 5 uur) worden vergoed, maar deze uren moet je wel zelf opgeven aan je leidinggevende zodat deze ook betaalbaar worden gesteld. Ook de reiskosten (op basis van openbaar vervoer) kun je declareren.
Met vriendelijke groet,

Bert ***
Voorzitter
Ondernemingsraad


Prinses Beatrixlaan 23 • 2595 AK 's-Gravenhage
Postbus 30250 • 2500 GG 's-Gravenhage
Nederland
www.postnl.nl
P Please consider the environment before printing this e-mail

Prominent lid

Volgens de OBA, of beter gezegd, de redactie van de OBA-krant, ben ik een prominent lid van de bibliotheek. Een eer. Ik ben nog nooit een prominent lid geweest, van wat dan ook. (Volgens mij ben ik trouwens ook nog nooit geroyeerd. Mijn leven overziend denk ik dat er tot dusver meer reden is geweest voor royement dan prominent-verklaring, maar misschien ben ik te streng voor mezelf.)
Prominent lidmaatschap riekt naar het aloude grouchisme I don't want to belong to any club that will accept me as a member, maar in het geval van de Openbare Bibliotheek Amsterdam, toch een vrijplaats voor literatuur, maak ik graag een uitzondering. Wie weet is het prominente lidmaatschap een opmaat voor een permanente tentoonstelling van Frölkiana, maar ik moet niet op de dingen vooruitlopen.

Performance



'STIL!' schreeuwde mijn gesprekspartner sinds 1983 – ook bekend als Jasper Blom – keihard naar het nietsvermoedende uitgaanspubliek toen hij en ik zaterdagavond omstreeks 23 uur op de bar waren geklommen van de Performance Bar in Rotterdam. Dit bleef niet zonder effect; het geroezemoes verstomde. Ik las een stukje uit Dagboek van een postbode; hij speelde een stukje op zijn saxofoon. En nog eens en nog eens. Een goede formule. Steeds pregnanter wist hij het gevoel uit mijn mini-vertellingen te vertalen in een mini-improvisatie. Totdat de DJ met de grijze puntbaard midden in mijn voordracht een elektronische burp produceerde. Was dit een niet zo subtiele manier om ons van het podium af te krijgen? Nee, vertelde hij later in de rookpauze op straat, hij had een fout gemaakt, het storende geluid was per ongeluk uit zijn installatie ontsnapt. Dat leek me onwaarschijnlijk, maar het maakte niet uit; zo was het ook goed, misschien zelfs beter. Mijn laatste woorden waren: 'Het is ook oorlog. Sterker: de gevechten verhevigen zich.' Na afloop heb ik welgeteld 1 boek verkocht, aan een lieve jongen die bij een benzinepomp werkt en veel herkende in mijn verhalen en me prees om mijn Rotterdamse accent.