Knippen met twintig scharen

Saro, onze knuffelkoerd, die zich sinds twee jaar Nederlander mag noemen, is een virtuoos visagist en haarkunstenaar, zoals op zijn Instagram-account te zien is, en in die laatste functie was hij gevraagd het gezin onder handen te nemen. De ooit door haar hartsvriendin gemaltraiteerde pony van de vierjarige werd gefatsoeneerd, en de achtjarige kon na zijn knipbeurt zo door naar Eton. Toen ik aan de beurt was, om mijn vogelnest te reduceren, gaf hij mij het Guinness Book of Records 2012 terug, dat ik hem kennelijk had uitgeleend. Zijn pogingen om de laatste haar-extensie te creëren heeft hij opgegeven, maar nu heeft hij zich ten doel gesteld om het record knippen met de meeste scharen te breken. Dat staat op 16 scharen. Saro mikt op twintig. Om te laten zien dat het hem menens is, schuift hij alvast vier scharen over drie vingers en knipt in de lucht. Hij wil trouwens ook een YouTube celebrity worden. En hij is aardig op weg gezien de duizenden volgers die hij nu al heeft. 'De oprichter van Kentucky Fried Chicken begon ook klein, en hij was niet meer de jongste,' redeneert hij, in zijn, er is geen ander woord voor, charmante gebroken Nederlands. 'Toen Coca Cola op de markt kwam, wilde niemand het drinken, in het eerste jaar zijn er maar een twintig flessen verkocht of zo. En nu...' Hij wil maar zeggen. 'Alles is mogelijk,' voegt hij er nog aan toe. Ik knik.  Als hij klaar is en de losse haartjes uit mijn oren stofzuigt, zegt hij: 'Iedereen zegt: je moet niet naast je schoenen lopen. Wat betekent dat eigenlijk?'

Kleine boom

'Nog even over de boom die jullie gaan kopen,' sprak lieftallige aan de ontbijttafel met gezag, als er iemand gezag heeft op dit vlak, dan zij, 'laten we dit jaar een –'
'K l e i n e   boom kopen!' gilde ik. 'Mijn idee!' Ik hamer al zolang ik kerstbomen koop op het belang van een kleine boom. Wie klein woont moet geen grote boom kopen. Die moet eigenlijk helemaal geen boom kopen, maar dat is onbespreekbaar, en bovendien, geen boom grenst aan kindermishandeling.
'Dat dacht ik ook. Een boom niet groter dan...'
'De vierjarige!' gilde ik nogmaals.
Lieftallige knikte. We waren het een keer eens over de grootte van de aan te schaffen boom. Dat mocht in de krant.
De vierjarige straalde. De achtjarige, die net zijn pannenkoek had weg gekauwd, verbleekte. Daarna trok hij een pruillip. Toen rolde, als kaarsvet in een overlopende kaars, een traan uit zijn ooghoek. Ik streelde hem zacht met de rug van mijn vingers over zijn wang, en bedacht hoe prachtig hij kon huilen.
'Maar...' protesteerde hij, 'dan kunnen de ballen er niet in!'
'Welke ballen?'
'Die mooie ballen!'
'Jawel,' suste lieftallige, 'die passen er prima in. Wacht maar.'
Die middag togen de achtjarige, de vierjarige en ikzelf door de natte sneeuw naar de hoek van de straat, om daar bij de bloemist, die voor de gelegenheid zijn baard had laten staan, een boom aan te schaffen. Hij had alleen maar bomen ter grootte van de achtjarige (of, als je de piek meerekende, van de vijftigjarige), dus die namen we, tot groot genoegen van de achtjarige. In deze boom, wist hij, zouden al zijn ballen een plaats krijgen.
'Timmer er maar een kruis onder,' zei ik tegen de zoon van de bloemist, die de helpende hand bood. Eerst boorde hij een gat in de versgezaagde stam, daarna zette hij er een houten X tegenaan, waarin al een ongeveer tien centimeter lange spijker zat, – hetgeen me nogal lang toescheen, maar ik heb er geen verstand van. Tenstlotte begon hij met een vierkante moker keihard op die lange spijker te beuken. Niet vier keer, maar veertig keer.
'Au,' zei ik voor de boom, met plaatsvervangende pijn.
Mijn achtjarige keek naar me op. Hij begreep me.

Enough about bitcoin, let's talk about bitcoin

'Laat mij maar betalen,' zei Nieuwe Vriend P. vannacht in het biercafé. 'In de tijd dat wij hier hebben gezeten zijn mijn bitcoins zevenhonderd euro meer waard geworden.' Hij keek op zijn iPhone. 'Achthonderd.'*
Ik liet hem betalen en voelde me opnieuw, of nog steeds, een greater fool. Hoe langer ik wachtte mijn zuurverdiende eurootjes om te zetten in bitcoins, hoe minder profijt ik zou trekken van de bitcoinbubbel, tenzij dit nog maar het begin is, en de koers, die nu rond de 15.000 ligt, exponentieel richting de 100.000 gaat – iets waarvan Nieuwe Vriend P. overtuigd is. 'Mijn broer zegt dat als dit zo doorgaat hij binnenkort met pensioen kan.'
'En dan? Wat gaat ie dan doen? Het probleem is dat er straks geen werk meer is. Voor niemand niet, nergens, nooit meer.' Ik nam een slok van mijn Brugse Zot.
Nieuwe Vriend P. had zijn eerste bitcoin-bijeenkomst in de Oosterkerk bijgewoond en sprak met nog meer vuur over zijn speeltje dan voorheen. Toen ik het woord 'pyramide-spel' liet vallen, reageerde hij als door een wesp gestoken. 'Alleen mensen die er niets van begrijpen denken dat het een pyramide-spel is.' Bij het woord 'bubbel' zei hij: 'Is het een bubbel? Huizen zijn een bubbel. Facebook is een bubbel. De vraag is dus eigenlijk: wat is géén bubbel?' En: 'We zitten midden in een revolutie. Bitcoin gaat de wereld overnemen. Het minen kost nu al meer energie dan heel Nieuw Zeeland verbruikt, maar over de impact die dat heeft op het milieu hoor je niemand... Trouwens, jouw gymnasiast heeft toch IOTA's gekocht? Die zijn met 400 % gestegen.'
'Ja, maar daarna, althans volgens mijn gymnasiast, heeft er een correctie plaatsgevonden.'
Die hele handel in bitcoins, IOTA's en andere cryptomunten begint op gokverslaving te lijken, en de community eromheen op een sekte. NVP was het niet helemaal met me oneens. 'Een vent in Griekenland die veel voor bitcoin heeft gedaan, schreef een verhaal op Reddit dat hij zo goed als blut was en dat hij zo dom was geweest niets in bitcoin te investeren. Toen een stel bitcoiners dit lazen hebben ze meteen een miljoen op zijn rekening gestort. Cool, toch?'
Bitcoiners willen van ouderwets geld af, ze willen van banken af, en, als ze toch bezig zijn, willen ze van overheden af. 'Anarchie!' riep NVP goedkeurend uit, nippend van zijn Charbon.
Ik had nog wel een puntje, zoals ik over alles wel een puntje heb, en mijn puntje hield uiteraard verband met het feit dat ik 0 bitcoins in mijn wallet heb zitten – ook al geef ik, zoals ik zelf graag volhoud, niks om geld. 'Is het niet pervers dat bitcoiners niet uitgepraat raken over de waardestijging van hun speeltje uitgedrukt in een munt die ze zeggen overbodig te willen maken?'
NVP knikte. Hij had alle argumenten al een keer gehoord. Mijn informatie was hopeloos verouderd. Ik speelde een achterhoedegevecht. 'Hard core bitcoiners en whales zijn er niet op uit om te cashen. Dat is veel te makkelijk... Lui als Bill Gates en Jeff Bezos zitten er mega in... De gebroeders Winklevoss, die claimen dat Mark Zuckerberg er met hun idee vandoor is gegaan, kunnen binnenkort Facebook terugkopen... Virtueel dan, hè?'
'Ja, behalve als de boel morgen, of vannacht nog, crasht omdat iemand de stekker eruit trekt.'
'Je kunt de stekker er niet uittrekken, want alles is gedecentraliseerd!'
We probeerden het over iets anders te hebben, maar het lukte niet.

*Een dag later is er van zijn 700/800 euro winst weinig meer over. Het lijkt nu meer op 2500 verlies. Virtueel dan hè?


De beschaving van een vierjarige

Vanochtend, bij het aankleden, houdt de vierjarige – vier jaar plus drie maanden oude, om precies te zijn – ineens haar handjes voor haar kruisje. 'Mag je niet zien, mijn poesje,' verklaart ze plechtig. 'Dat is mijn vagina.'
'Vulva zal je bedoelen,' zeg ik, in het midden van mijn ochtendgymnastiek.
'Vagina. Heb ik geleerd van Eva.'
Dit was nieuw voor mij. Dit gedrag bedoel ik, bij haar. Ze had het al eerder over haar vagina gehad, dankzij haar vriendin Eva, wier moeder ik verdenk van anatomisch correct-spreken (hoewel incorrect, want niet vagina maar vulva; de vagina blijft vooralsnog bij de meeste meisjes en vrouwen onzichtbaar, tenzij ze hun lippen uit elkaar houden).
Ik maak een mentale notitie: het begin van de beschaving. Van de schaamte. Van de cultuur. Beschaving en cultuur beginnen met het onderscheid maken tussen publiek en privé. Daarom hebben dieren geen cultuur. (Dieren kennen wel schaamte; schaamte, lieve lezers, is dus een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde voor beschaving).
De kortste definitie die ik ken van beschaving, ik geloof van socioloog Norbert Elias, luidt: het ophouden van de eigen behoefte. Het bedekken van de edele delen zal daarmee wellicht verband houden. Ik hecht ook wel aan tafelmanieren, trouwens.
Ik herinner me nu dat ik zelf ook met mijn handjes voor mijn kruis stond, in de gang van het huis waar ik ben geboren, voor mijn moeder (en ik geloof mijn zuster), die daar toen wel een beetje om moesten giechelen. Maar ik was toen volgens mij twee keer zo oud als mijn dochter nu. Betekent dat dat we beschaafder zijn geworden?

Tante piano in memoriam



Ik rouw om tante piano. Volgens mijn berekeningen de eerste Frölke in ruim twintig jaar die het loodje legt, de jongste zus van mijn vader: Marijke. Toen ze twee of drie jaar geleden een kamer in het Rosa Spierhuis kreeg, na tien jaar een prachtig maar onherbergzaam huis in de Hérault te hebben bewoond, nam ik me voor om haar op te gaan zoeken*. Niet alleen uit nieuwsgierigheid, omdat ik nog nooit in dat fameuze tehuis was geweest, maar ook omdat ik 'iets' met haar had. Ze was pianiste, om te beginnen (ik speel ook, een beetje; haar moeder en tante pianeerden trouwens eveneens, meer dan een beetje). Marijke liet me kennis maken (en de rest van de familie, vermoed ik) met Ivo Pogorelich, de jonge god die met Chopin aan de haal ging in de jaren tachtig. Dat maakte indruk. Maar zelf heb ik haar 'dus' nooit horen spelen. Er moeten musici zijn die niet gehoord willen worden, maar misschien hield ze de klep selectief dicht, hoewel mij überhaupt geen uitvoeringen van haar bekend zijn. Ieder mens is fundamenteel onkenbaar, maar volgens mij kampte ze met faalangst of overmatige zelfkritiek, hetgeen misschien op hetzelfde neerkomt. Ze zeilde over de Egeïsche zee. Had een veel jongere vriend. Woonde jarenlang in een jaloersmakend pakhuis in de Jordaan, gevuld met vleugels, waar ze les gaf. Maar er was meer. Op onze Franse bruiloft hield ze zich als een van de enigen aan de dress code (hoedje), en overnachtte in de kasteeltuin in een tentje met de banier Vive les mariés, hoewel ze, als gescheiden, alleenstaande vrouw, waarschijnlijk een broertje dood had aan dat instituut. Ze lachte niet vaak, maar als ze lachte, schaterde ze. Ze had lak aan, nou ja, veel. Ze was vrij, vermoed ik.

* Dat lukte uiteindelijk ook, maar toen lag ze te slapen.

Printer à €10

'Ik zie op Facebook een printer voorbijkomen voor €10,' zei lieftallige vanachter haar laptop. 'Doen?'
'Ja, doe maar,' had ik geantwoord, gedachteloos. Het was waar, we hadden een printer nodig, omdat de vorige printer een kadaverlucht verspreidde. Aanvankelijk had ik gedacht, niet voor het eerst trouwens, dat het tijdperk van het Paperless Office eindelijk was aangebroken, maar niet dus. Trouwens, een schrijver die verlangt naar het paperless tijdperk kan beter meteen in een kist gaan liggen.
'Je kunt hem nu ophalen op de Keizersgracht,' zei ze, een paar dagen later.
Ik sprong in mijn volvo, en bedacht onderweg dat het grensde aan waanzin om een printer te kopen à €10, en tevens, om er eentje à €10 te willen v e r k o p e n  – vooral als je woonachtig bent aan de Keizersgracht, trouwens.
Toen ik aanbelde kwam een kleine vrouw naar beneden met het apparaat. Een steenpuist van een ding. 'Doet hij het?' vroeg ik, omdat ik niets beters wist te vragen.
'Nee,' antwoordde de vrouw, ironisch kennelijk, maar ik kon er niet om lachen. Om er, niet geheel samenhangend, aan toe te voegen: 'Alleen de snoertjes zijn al €2,50 waard.' Ik denk dat zij ook niet wist wat te zeggen. Tijdens de overdracht van een printer à €10 is communicatie van ondergeschikt belang.
Thuisgekomen downloadde ik de laatste driver-software, sloot het ding aan, en... paper jam. Maar er zat geen papier in, ook niet vast, en volgens mij hield zich ook niet een klein knaagdier, of zijn stoffelijk overschot, verborgen in de machinerie.
'Zeg maar tegen die vrouw dat ie het niet doet,' zei ik tegen lieftallige, die de boodschap overbriefde. Retour kwam de mededeling dat de printer het bij haar wel deed, en dat ze hem heus wel weer terugnam, als ik hem langsbracht. 'Neem dan wel de goede mee,' grapte ze nog.
Tot twee keer toe meldde ik me, in de regen, op de Keizersgracht, tot twee keer toe gaf de verkoopster niet thuis. Uiteindelijk duwde ik snoertjes en manual en opstartschijf door de bus, en plaatste de printer pontificaal tegen haar voordeur, met een briefje erbij: 'Hier, je printer terug. €10,-!'
Hoofdschuddend over mijn eigen idiotie, en mijn nog te aardige boodschap op het briefje, aanvaardde ik, printerloos en €10 armer, de terugtocht.

Pistoolschot in de buik

Na vele hele en halve pogingen om Loving Vincent te gaan zien met mijn achtjarige, zitten we dan eindelijk in de bioscoop, op de tweede rij, als niet lang na de openingsbeelden ('Mooi geschilderd!') het woord zelfmoord valt. Ik had het me eigenlijk nog niet afgevraagd, maar zou dit de eerste keer zijn dat hij ervan hoort? Ik was enigszins voorbijgegaan aan dit biografische feit, zo onder de indruk als we waren geweest van de al die bewegende Van Gogh-achtige schilderijen. Dat andere biografische feit – schilder snijdt zijn oor af en geeft het aan zijn favoriete prostituée – is wellicht ook wat rauw, maar het is ook te bizar om lang bij stil te staan. Dat iemand, zo'n groot kunstenaar!, zichzelf in de buik schiet met een pistool, ja… daar heeft de achtjarige nog wel een vraag over. Hardop, in de bioscoopzaal. W a a r o m  doet hij dat, pappa? Ik mompel wat terug over ziekte en gekte. Later wordt in de film een variant op de vraag op forensisch-plastische wijze gesteld: als Van Gogh zichzelf wilde doden, waarom stak hij de loop van zijn pistool dan niet in de mond – de 'beproefde methode' –, om door het dak van het verhemelte zijn bewustzijn uit te schakelen? Het antwoord op die vraag: omdat hij het eigenlijk niet wilde, ligt zo voor de hand, zelfs voor een achtjarige, dat de filmmakers het vergeten te geven.

Achttiende werkdag

Er waren twee noviteiten gisteren bij de oud-bibliothecaresse in de Jordaan, en ik heb zelf gezorgd voor een derde. De vrouw met de krullen en de wonderlijke voornaam (waarin een hertachtige zat verwerkt; wie hem raadt maakt kans op een netje mandarijnen*), die deel uitmaakte van het nieuwe zorgteam, was de eerste noviteit. De tweede, dat zij met de oud-bibliothecaresse zat te dammen. 'Ik ga weer,' zei ik, maar de vrouw met de krullen zei dat haar dienst erop zat, en dat ik haar dampartij mocht overnemen. Zij – en daarmee ik, stond op verlies. 'Wil je van plek ruilen?' vroeg de oud-bibliothecaresse. Zo zeker was ze van haar winst. Toen ik dacht een goede zet te hebben gedaan, met meervoudige slagen, waardoor ik voorkwam dat ze een dam haalde, stond ze op en ging bij de kachel staan. Ik wist dat ze een koukleum was, en had deze wetenschap ook al gecombineerd met de dalende temperaturen, dus ik zei, out of the blue: 'Wil je een elektrische deken?' 'Een elektrische deken? Ja, die wil ik wel.' Ik belde de mentor, en die gaf me haar fiat, maar ze belde even later, toen ik al voor een vitrine met elektrische dekens in de Kijkshop stond, terug. 'Is het wel zo'n goed idee, gezien haar bedplassen? We willen niet dat ze geëlektrocuteerd wordt.' 'Nee,' zei ik. Ik googlede incontinentie en elektrische deken en zag dat het goed was. Vanmiddag even bellen om te vragen hoe het is bevallen, of ze hem überhaupt aan de praat heeft gekregen. Misschien heb ik haar onbewust nog een reden gegeven om in bed te blijven liggen.

 *Melande gokt Eelco. Hij is warm. Eelco's tweede gok: Elande. Nog warmer.

Tijl Uylenspiegel

Ik chauffeer mijn blinde buurman naar het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, waar hij voor de laatste keer bloed zal prikken. Het hoeft niet meer, omdat zijn behandeling voor longkanker erop zit. Hij is 'genezen' verklaard. Hij rookt ook weer – of eigenlijk, nog steeds. (Maar wel minder. Of althans, dat probeert hij.) Hij heeft ontzettende mazzel gehad dat de nivolumab bij hem wel aansloeg (en bijvoorbeeld bij Eberhard en Cruyff niet). Met zijn blindheid (veroorzaakt door een zeldzame ziekte) had hij weer wat minder mazzel.
We staan voor de receptie van de bloedafname en hij meldt trots dat hij voor het laatst bloed komt prikken.
'O, maar dat is prachtig nieuws,' zegt de receptioniste.
'Ja, ik ben net Tijl Uylenspiegel die op het koord danst,' kraait hij, waarop hij in een hoestbui uitbarst. Als die voorbij is, mompelt hij: 'Dat hoesten is niet zo mooi, maar goed.'
Ik gids hem naar bloedaftapbalie 6, hoewel dat niet nodig is, hij weet waar hij moet zijn, hij is er eerder geweest. Een besproette jonge vrouw van wie de kapotte spijkerbroekknieën onder haar witte jas uitpiepen, tapt vijf, zes buisjes bloed af. Het kleurt donkerbruin. Ik had het roder verwacht. 'Alle bloed heeft precies dezelfde kleur,' zegt de verpleegster.
Ieder mens is uniek, iedere tumor ook, lees ik als we weer naar buiten stiefelen op de muur in de gang van het ziekenhuis. Een weinig hoopgevende slogan. Er had ook bij mogen staan wat mij betreft, dat de oorlog tegen kanker soms op verrassende wijze wordt gewonnen.

IJzersponsje

Na afloop van Becoming, een moderne dansvoorstelling van Iván Pérez met elektronische muziek, of beter gezegd: een 'landschap van geluid', liep ik naar het tafeltje vol apparatuur van waarachter Rutger Zuydervelt (Machinefabriek) dat landschap had voortgebracht. Tot mijn verbazing trof ik op zijn tafeltje geen laptops, iPad etc. aan, maar diverse cassettebandjes en een transistorradiootje (en natuurlijk ook allerlei panelen met schuiven en knoppen, want daar had ik hem aan zien schuiven en draaien tijdens de voorstelling). Ik stond daar nog geen tien seconden of Zuydervelt kwam zelf aangelopen, vanuit de kleedkamers, alsof hij voorvoelde dat er nog vragen waren. En niet alleen van mij. Er had zich een groepje mensen verzameld rond zijn intrigerende electronica-opstelling. 'Er ging van alles fout,' verontschuldigde hij zich, maar dat hadden wij onmogelijk kunnen opmerken, want hij 'plays to tape', zoals hij uitlegde, en wij wisten niet wat er op die tape stond of wat hij daaraan toe had moeten voegen. Mij deed zijn uur durende compositie af en toe prettig denken aan Mogwai, maar soms deed hij ook minder prettig een schepje bovenop mijn tinnitus, (maar dat had Zuydervelt niet kunnen weten). De drie dansers in de voor de rest lege zaal boden, en kregen, weinig aanknopingspunten. Improvisatie maakt een voorstelling spannender maar ook kwetsbaarder. Het geluid kwam in golven en de dans kwam in golven en soms kwamen ze samen. Ik wees op een ijzersponsje dat op een ijzeren plankje lag, met nog wat ijzeren staafjes erbij, die op antennes leken, en vroeg: 'Hoe werkt dat?' 'O,' zei de Geräuschmacher verontschuldigend, 'als je dat een beetje zo op en neer wrijft, krijg je gekraak en geschuur. Werkt heel goed. Lekker goedkoop ook.'

Lieve porno

Al een tijdje probeerde ik de 'vieze films' bij de VPRO te streamen, maar dat kan, ter bescherming van de tere kinderziel, alleen na 22.00 (hoe doen ze dat?), maar dan slaap ik de slaap der rechtvaardigen. Gisteravond lukte het dan eindelijk toch. Gelukkig waren het korte filmpjes, maar dat was dan ook, afgezien van onbedekte lichaamsdelen en kortcyclische bewegingen, de enige overeenkomst met porno. Want deze filmpjes waren lief. In het eerste, MF, deden ze het in het maïsveld, in het tweede filmpje, Interracial, deden ze het in het donker, en in het derde, GAY, deden ze het bij een meertje. Nu heb ik niets tegen lief, integendeel, maar liefde gaat niet goed samen met porno. Liefde introduceren in porno is zoiets als marktkooplui introduceren bij de Bijenkorf (misschien andersom). Zou het niet toch iets met schaamte te maken hebben, dat zelfs de VPRO, in 2017, niet all the way durft te gaan? Geen schaamte voor seks, nee dat niet, Ari Deelder, die het liefste filmpje maakte, verklaarde ook niets tegen seks te hebben – wel tegen porno, hetgeen bij mij de vraag deed rijzen: waarom wordt een regisseur die niets met porno heeft gevraagd een 'porno' te maken? Rudy Kousbroek schreef jaren geleden eens dat het probleem met porno niet de daad is, maar de afstotende lelijkheid waarmee die wordt vormgegeven, maar volgens mij was ook bij hem de schaamte er toch via de achterdeur in gekropen. Echt vieze filmpjes zijn, nou ja, vies. Enigszins verontrustend, weerzinwekkend zelfs. Wie zijn fantasie gebruikt, of wat rondklikt op zijn favoriete site, weet wat ik bedoel. Het fascinerende is dat wat in onopgewonden staat weerzinwekkend is, in opgewonden staat, nou ja, geil kan worden. 'Kom je nog naar bed,' vroeg lieftallige gisteravond. 'Ik moet nog even deze gay neukscene afkijken,' zei ik vanaf de bank. 'Van wie?' 'Van de VPRO.' En inderdaad, het was leerzaam. Educatief wellicht. Waarvoor dank. Maar porno was het niet.

De jas van buurman Jan

'Viktor, ik heb nog een jas,' zegt buurman Jan, niet voor het eerst. 'Neckermann.' Hij had, de schat, al diverse malen gewag gemaakt van een jas die hij nog had, Neckermann, en die volgens hem voor mij uiterst geschikt was. Ik heb geen jas nodig, en ik twijfelde aan de geschiktheid voor mij van zijn Neckermann-jas, maar hoe maak je zoiets beleefd duidelijk? Dat kan niet. Dus ik bel aan bij buurman Jan, die, moet ik er denk ik wel bij vermelden, in de zeventig is, sinds zeven jaar weduwnaar en een tevreden roker bovendien.
'Viktor, kom binnen. Koffie?'
Ik wil eigenlijk geen koffie. 'Ja, graag.'
De buurman verdwijnt in de keuken om koffie te zetten. De jas hangt in de gang. Hij is niet te missen. Hij hangt aan een hanger, met een plasticje om zijn schouders. Het is een lange, donkere jas. Een ouderwetse jas. Aardiger is het om te zeggen: een klassieke jas.
Buurman Jan haalt het plasticje van de schouders en geeft mij de jas. Ik trek hem aan. Hij zit mij als gegoten. Eindelijk een heertje, of zo. 'Er zit een split aan de achterkant. Dat is handig, want dan kun je er ook mee op de fiets.'
Society Shop zie ik in de voering staan , maar buurman Jan herhaalt: 'Neckermann' en ik corrigeer hem niet. Schuldgevoel maakt zich van mij meester. 'Hoe kom je aan die jas?'
'Heeft mijn vrouw gekocht. Maar mij past hij niet. Te groot.'
'En je zoon?'
'Die heeft mijn schouders.'
'Je hebt hem al die jaren hangen en toen dacht je: misschien iets voor mij?'
Hij knikt. Straalt. 'Ik heb hem nog laten stomen.'
Ik trek de jas weer uit. 'Moet je er wat voor hebben?'
Jan schudt hevig zijn hoofd, gebaart naar de zitkamer, waar de televisie aanstaat op formule 1, zonder geluid, hetgeen mij de beste manier lijkt om formule 1 te kijken.
We kletsen wat, maar ik wil eigenlijk naar huis. Dus als hij een nieuwe sigaret draait, loop ik naar de keuken met mijn koffie, giet de koffie in de gootsteen en zeg: 'Ik moet gaan.'
Thuisgekomen incasseer ik bewondering alom voor mijn klassieke, perfect passende jas, behalve van de vierjarige, die haar neus in de wol steekt en zegt: 'Je stinkt.'

Rode vlaggen

Nieuwe Vriend P. heeft een nieuwe, lees: veertien jaar oude auto op het oog bij een tweedehandsdealer in het Gooi. Of ik zin heb om mee te gaan. Later denk ik: hij heeft een chauffeur nodig, maar ook: een tweedehandsdealer in het Gooi? Anytime.
Op weg erheen, het zonlicht schittert over de weilanden, vertelt P. dat hij telefonisch had gevraagd of het mogelijk was een aankoopkeuring te laten doen. Daar had de dealer nogal onwelwillend op gereageerd. Eerste rode vlag, maar je kunt je vergissen.
We lopen door de showroom die vier keer zo groot lijkt vanwege de spiegels rondom. De dealer is nergens te bekennen. Wel een man die bezig is een auto te stofzuigen. We kijken naar een glimmende Jaguar voor nog geen 4000 euro. Dat is niet veel voor een glimmende Jaguar, maar als het geen goede Jaguar is, is het weer  w e l  veel.
De man stopt met stofzuigen, haalt een ring tevoorschijn tjokvol autosleutels en neemt ons mee naar een belendende garage. Daar staat de Saab op gas uit 2003 voor minder dan 3 mille waar P. zijn oog op heeft laten vallen. Hij is nog nat van het wassen. Een mooie auto, maar is hij ook goed?
P. start hem, ik ga achterin zitten en probeer alle knopjes. 'De stoelverwarming achter werkt!' kraai ik, als een klein kind. 'Maar een van de lichtschakelaars is lam.'
'De koplampen flikkeren als je ze aandoet,' ziet P. in de auto voor hem. 'Soort disco lights. Heel raar.'
Dan komt de dealer, een grote, ongeschoren vent, gekleed in een krap zittend jack. P. doet de motor uit, dat werd ook tijd, ik had niet zo'n zin te worden vergast.
'Je mag alleen een proefrit maken als we het eens worden over de prijs,' zegt de dealer. Tweede rode vlag.
P. protesteert dat hij juist een proefrit wil maken om te kijken of de Saab die prijs waard is.
'Ik ga hier niet de hele tijd groene kaarten uitlenen aan mensen om ze dan, als ze terugkomen, te horen zeggen: we zien ervan af, er zit een kras op de bumper.'
De dealer blijft tijdens het gesprek, als een roestige versnellingsbak, weinig soepel schakelen tussen vriendelijk en onvriendelijk.
Uiteindelijk neemt hij plaats achter het stuur en start de auto. Als hij de koplampen aandoet, klinkt er een hard kloppend geluid. Hij zet de auto meteen weer uit.
'Lastig beroep, tweedehandsautoverkoper,' zeg ik, op de terugweg.
P.: 'Zeker, maar de strategie van deze man werkt in elk geval n i e t .'



Kleine komedie

Omdat mijn verlangen op te gaan in de boeventronie van Dimitri Verhulst eindig is, en uit verkeerde zuinigheid, kocht ik enkele weken voor de voorstelling 'Godverdomse dagen op een godverdomse bol' met en door Corrie van Binsbergen c.s. in de Kleine Komedie, het allergoedkoopste kaartje.
'Slecht zicht' stond er nog bij, maar ik dacht dat dat wel zou meevallen. En anders was het niet zo erg. Het viel ook mee, daar op het tweede balkon helemaal rechts, en nogmaals, mijn goesting naar Verhulsts smoelwerk kent haar grenzen, maar er was nog een probleem.
Ik zat daar, in mijn eentje, totaal voor lul.
Mensen wezen omhoog en opzij, begonnen met hun telefoon foto's te maken. Verdomd, daarboven zit nog iemand! Moet je kijken, daar in het schellinkje, un enfant du paradis!
Of het plaatsvervangende schaamte was, een brandvoorschrift, of welwillendheid weet ik niet, maar nog voor de voorstelling begon kwam een allervriendelijkste plaatswijzer me weghalen en dirigeerde me naar een leeg gebleven plek vlak voor het podium.
In korte tijd was ik van de allerslechtste naar de allerbeste plek verhuisd. Zonder ervoor te hoeven betalen. Of ik nu wilde of niet, ik kreeg de volle lading.

Pulitzer

Het is zondagochtend. Ik zit op een krukje voor mijn ouders, die pontificaal op twee fauteuils zijn geplaceerd in de lounge van het Pulitzer Hotel, waar ze de nacht hebben doorgebracht op uitnodiging van Broer de Miljonair, die recent een appartementje op de kop heeft getikt om de hoek.
'En,' vraagt mijn moeder, 'heb je goed geslapen?'
'Nee,' zeg ik. Daaraan is niets gelogen.
'Ik ook niet,' zegt mijn moeder, opnieuw hoofdschuddend over de kamer in het Pulitzer. 'Bespottelijk! Weet je wat de duurste kamer hier kost?'
'Duizend euro?'
'Vijftienhonderd. Ik heb het zelf gevraagd. En weet je wat je dan krijgt? Een eigen opgang vanaf de Keizersgracht...'
'...ok´, dat kan prettig zijn...'
'En kunst aan de muur. Kunst! Voor 1500 euro!'
'Wat voor kunst? Mag je mee naar huis nemen?'
Ze hoort me niet meer. Morele verontwaardiging is niet bevorderlijk voor de communicatie.
Ik moet toegeven dat ik vijftienhonderd euro wat aan de hoge kant vind, per overnachting. Aan de andere kant, er zijn ongetwijfeld duurdere hotels in Amsterdam. Dat wil mijn moeder best geloven.
'En wie zijn al die mensen?' wijst ze om zich heen in de drukke lounge. 'Ze zien er niet heel erg, nou ja, wat zal ik zeggen...'
'Toeristen,' opper ik.
'Toeristen?'
'Amsterdam wordt gezien als een prime destination in de toeristenbrans.'
Mijn moeder schudt opnieuw, of nog steeds, haar hoofd.
Mijn vader kent de waarde van de stad, maar hij zal blij zijn als hij weer thuis is.

Veiligheidsactie

De dienstdoende reparateur voor onze dysfunctionele oven, een man van in de veertig met een oorringetje, huppelde opgewekt met twee kunststof koffers het huis binnen. Ik had niet zo veel reden tot opgewektheid. Ik dacht aan de voorrijkosten.
'Wat is het probleem: de koppeling, of de verwarmingselementen?' vroeg hij, een blik werpend op het apparaat, dat ik voor zijn komst braaf had schoongemaakt.
Ik wist niks van een koppeling. 'Hij verwarmt slecht,' zei ik. 'Maar hij is dan ook al tien jaar oud en wordt intensief gebruikt.'
De reparateur dook in de oven en meldde even later, nog steeds opgewekt, dat een van de elementen was ontploft, hetgeen de gebrekkige verwarming verklaarde, en dat de reparatie daarvan ongeveer even duur was als een nieuwe oven. Dat was het slechte nieuws, dat ik ook al min of meer had verwacht. Het goede nieuws was dat hij de gaskoppeling ging vervangen in het kader van een wereldwijde veiligheidsactie van de fabrikant, die op radio televisie en in kranten was wereldkundig gemaakt maar waarvan wij niets wisten, om explosiegevaar tegen te gaan, en dat in het kader hiervan de voorrijkosten kwamen te vervallen.
'Het gaat om een hele kleine kans,' zei hij, nog altijd opgewekt. 'Als het je overkwam dat je oven ontplofte zou je meteen een staatslot moeten kopen, want daarmee win je dan geheid.'

Aanzoek (roddel)

Zodra je me too of I have aan de koffietafel laat vallen, komt het gesprek pas goed op gang. Ongepast seksueel gedrag: echt een conversation starter.
'Ken je dat verhaal al van Dieter van Zwanenburg?'
'Nee, wat is er met Dieter van Zwanenburg? Dat is toch die vent van dat ene liedje, kom hoe heet het ook alweer?'
'Die ja. Nou, die zag eens in een café een bekoorlijke jongedame staan voor de toog, die haar handen ontspannen achter haar rug hield, zo losjes in elkaar gevouwen, met de handpalm naar buiten, en weet je wat die Dieter van Zwanenburg toen gedaan heeft?'
'Nee. Vertel me wat Dieter van Zwanenburg toen gedaan heeft.'
'Hij is achter die bekoorlijke jongedame gaan staan, heeft zijn lid uit zijn broek gehaald en heeft hem zo bij haar in de handen gedrukt.'
'Ook een manier.'
'Ik zou bang zijn voor scherpe nagels. Je moet er toch niet aan denken dat zo'n bekoorlijke jongedame haar nagels in je lid zet. Of in je balzak.'
'Was ie hard, Dieter van Zwanenburg?'
'Hoezo?'
'Nou ja, het lijkt me voor een bekoorlijke jongedame aan de ene kant een nadeel om een harde Dieter van Zwanenburg achter je te hebben staan, maar aan de andere kant is het misschien ook een belediging om een zachte Dieter van Zwanenburg achter je aan te treffen.'
'Geen idee. Maar weet je wat het mooie is: ze zijn dus wel met elkaar getrouwd, die twee.'
'Het was dus een huwelijksaanzoek.'
'Zo zou je het kunnen zien.'
'Romantisch.'

Spinnen en sadisme

Eigenlijk had ik een hagiografisch katten-stukje willen schrijven, zo'n irritant kattenstukje waarin de schrijver en lezer een complot aangaan waarin alleen katten er zogenaamd toe doen. De aanleiding was het spinnen van onze logeerpoes. Dat doet hij nogal vaak en het blijft een nogal vreemd geluid. Eigenlijk wilde ik het daar ook niet over hebben, maar over ronronner, de prachtige onomatopee voor spinnen die de Fransen hebben bedacht. (In het Nederlands zou spinnen een accuratere beschrijving van het geluid kunnen zijn, ware het niet dat niemand meer weet hoe een spinnewiel klinkt.) Ik ging me afvragen of er nog meer mooie onomatopeeën waren (in het Noors bijvoorbeeld), maar ik heb geen zin om te googelen of mijn schoonmoeder lastig te vallen. Bovendien eist ander kattengedrag mijn aandacht op: sadisme. Een keer trof ik de huispoes aan in de gang jonglerend met een halfdode muis. Hij lag op zijn rug, de poes, terwijl hij de halfdode muis, versuft, nauwelijks in staat nog enige overlevingsdrang te tonen, met zijn klauwtjes in de lucht hield. Heel knap inderdaad, maar mag het misschien ook ietsjes minder wreed? Vanochtend was het weer raak. De vierjarige was van streek omdat ze logeerpoes met muis in bek door de kamer zag banjeren. Ik heb de laatsten met succes naar buiten gejaagd, want hoe je het ook wendt of keert, beesten horen buiten. Een uur later was hij nog niet klaar. Het weerloze schepsel bibberde en zijn vacht was doorweekt. Zijn gepiep ging door merg en been. De angst van de muis deed me denken aan die van een gemartelde gevangene. Ik heb hem tenslotte met stoffer en blik opgeraapt en hem aan gene zijde van de schutting aan een nieuw hoofdstuk in zijn leven laten beginnen.

Verstoring

Gisteravond, bij de monoloog Montyn die acteur Yorick Zwart hield in Saskia's Huiskamer, waar we op uitnodiging van Jans weduwe, Hi-en, samen waren gekomen, werden we opeens ruw gestoord in ons semi-geheime samenzijn. Terwijl we met een man of dertig, gezeten aan een lange tafel, aandachtig luisterden naar Yoricks theatrale versie van Montyns nog altijd krankzinnige verhaal, geënt op Dirk Ayelt Kooimans gelijknamige roman, klonk er gelal vanaf de Albert Cuyp. Een stel gabbertjes, zag ik door het grote vensterraam, was doende met een brommer op de stoep, ginnegappend, stoned of dronken. Ze leken niet van plan weg te gaan, omdat er toevallig daarbinnen iets gaande was dat stilte vereiste. Ik stoorde me niet alleen aan hun geluid, ik stoorde me ook aan hun moedwil en daar ging het fout. Ik dacht aan een uitspraak van Yorick/Montyn, dat van alle ontberingen afstomping en onverschilligheid de ergste zijn. Toen is er kennelijk een stofje in mijn hersenen aangemaakt, dat een serie pulsjes in gang zette, waardoor ik opstond van mijn stoel, zachtjes de deur opende naar de straat en siste of het wat zachter kon. 'We zijn hier bezig.' Ik sloot de deur en ging weer zitten. Of mijn actie het gewenste doel had bereikt, werd niet lang daarna duidelijk. 'O, we moeten weer stil zijn ha ha!' brulde een van de jongens door het raam naar de zwijgende menigte. 'Voor een of andere vergadering. Boeien!'

Zeventiende werkdag

De oud-bibliothecaresse zit voorovergebogen bij de kachel, alsof ze haar veters strikt. Ik overhandig haar een brief uit Canada die ik van de deurmat heb geraapt. 'Mooi dat je nog brieven krijgt. Ik krijg nooit brieven.'
'Zal ik jou eens een brief schrijven?'
'Graag.'
Ze had me bij binnenkomst niet herkend, maar nu is ze weer bij. 'Wat ben je vrolijk,' zegt ze.
'Somberheid brengt een mens ook niet veel verder,' riposteer ik.
Dat kan ze beamen.
Als ik in de keuken een peer klaarmaak, zegt ze vanuit haar leunstoel: 'Viktor, ik hou veel van je.'
Ik overhandig haar bordje en zeg dat ik ook van haar hou. 'Ik kom hier niet omdat het moet,' voeg ik er nog aan toe, hetgeen eigenlijk weer iets afdoet aan mijn liefdesverklaring.
'O, een peer, in stukjes, met een vorkje erbij, wat heerlijk,' zegt ze. En: 'Die peer is perfect rijp. Verrukkelijk.'
'Er schijnen vierhonderd perensoorten te zijn,' zeg ik vanuit de keuken, want ze wil ook nog een eitje, 'en ik ken er maar twee.'
'Jodenman,' mompelt de oud-bibliothecaresse.
Nooit van gehoord.
Als we uitgekoffied zijn vraag ik: 'Vind je het goed dat ik op zolder nog wat ga werken en dan later weer wat koffie zet?'
'Ik vind alles goed wat jij doet.'
'Dat is liefde.'
Ze straalt.
Als ik weer beneden kom, is er een pianoconcert van Rachmaninov op de radio. Dat hele romantische, uit Brief encounter.
'Hou je van romantisch,' vraagt de oud-bibliothecaresse, met ogen waarin toch wel een zeker verlangen valt te bespeuren.
'Soms,' red ik me uit de situatie, zonder te hoeven liegen.
Als ik aankondig dat ik alweer moet gaan om de kinderen van school te halen, zegt ze: 'Ik wou nooit kinderen.'
'Omdat je dat zo'n gedoe vond?'
Ze knikt. 'Dan weer is er een ziek, dan weer dit dan weer dat.'
Nu knik ik.
Later dringt het besef tot me door dat niet het gebrek aan een geliefde de oorzaak vormt van haar kinderloosheid, maar juist andersom.

De verkeerde brug



Is dat het hoogste voor een mens, een brug naar zich vernoemd te krijgen? Denkelijk niet. Maar een vliegveld of stadion is niet voor een schrijver weggelegd. Niet in dit land, waar schrijvers ongeveer gelijk staan aan glazenwassers.
Goed, bruggen dus. Er zijn nieuwe benoemd in Amsterdam.
W.F. Hermans heeft een lullige loopplank gekregen op de Oosterdokseiland naar een naamloze drijvende wandelstrook. Dat was niet meer dan logisch, want de Willem Frederik Hermansstraat – een tochtige steeg naar nergens – ligt in het verlengde.
Het is ook nooit goed. Nee, het is ook nooit goed! Behalve natuurlijk in het geval van de Nesciobrug, die zo poëtisch, en alleen voor voetgangers, fietsers en de sporadische brommerende aso, over het Amsterdam-Rijnkanaal slingert.
Goed, de nieuwe Gerard Reve-brug dan. Ik passeerde hem gisteren bij toeval. Was ik geschokt? Nee. Was ik teleurgesteld? Nee. (Ja, natuurlijk.) Maar ik was vooral verbaasd, dat de bruggenbenoemingscommissie  w e l  de goede kade had weten uit te kiezen – de Josef Israëlskade, lees Schilderskade, waar de Volksschrijver op de hoek van de Diamantstraat van een De Avonden-fanclub een smaakvolle plaquette op de muur heeft gekregen met 'Frits van Egters' erop –, maar dan alsnog de verkeerde brug neemt.
Want waarom niet gekozen voor de dichtstbijzijnde brug (gemeten vanaf 'Schilderskade 66'), die, dat komt goed uit, tevens de mooiste brug is over het Amstelkanaal, enige jaren geleden helemaal gerestaureerd in oude, Amsterdamse school-glorie?
Welnu, die heeft al een naam: de Pieter Kramerbrug. What the? Dat P.L. Kramer de architect is van die brug, hoeft toch niet te betekenen dat hij die naam ook draagt?
Dus, geachte bruggennamencommissie, schroef dat bordje, dat trouwens iets te eenvoudig te bekrassen is door hangjeugd (hoewel dat ook weer revisties kan worden uitgelegd) van brug 403, en laat een kunstenaar de volgende belettering maken voor de P.L. Kramerbrug: 'Gerard Revebrug. Ontworpen door P.L. Kramer.'
Dat Reve een hekel had aan Hildo Krop moet maar even voor lief worden genomen, en is, gezien de snoezige zeehondjes met 'wrede' staartjes die Krop bovenop de Pieter Kramer brug heeft gebeeldhouwd, ook eigenlijk onterecht.

Essay

'Ik heb zin om een essay te schrijven over vrouwelijke hypocrisie,' zeg ik tegen lieftallige aan de borreltafel, na de zoveelste 'ontmaskering' van iemand die ik ken wegens seksuele intimidatie. 'Of beter: een essay over seksueel opportunisme. Het meten met twee maten. Aan de ene kant begeerd willen worden en dan, als een man denkt te kunnen handelen naar zijn begeerte, hem toebijten: blijf met je gore rotpoten van me af engerd of ik klaag je aan wegens aanranding. Zoiets.'
'Daar ga je geen vrienden mee maken,' reageert lieftallige. 'Iedereen die het opneemt voor de dader, maakt zichzelf medeplichtig.'
En dat is niet het enige probleempje met mijn theorie: de tsunami aan publieke aantijgingen en bekentenissen gaat voorbij het moeizame spel tussen man en vrouw, het gaat om machtsmisbruik – maar een man misbruikt per definitie zijn macht omdat hij fysiek sterker is. Echter, hoelang nog? Het wachten is op een vrouwelijke dader, een beetje naar het voorbeeld van 'Disclosure', dat verhaal van Michael Crichton, over die man die gechanteerd werd door zijn vrouwelijke superieur, maar alweer met de dreiging naar buiten te komen met een beschuldiging van seksuele intimidatie – wat toch weer een zwaktebod is.
Ik hoop dat Michael Haneke een film maakt over een man die op een geloofwaardige manier wordt verkracht door een vrouw, en dan niet geestelijk, maar in den vleze. Die zou ik wel willen zien.

Ontwijking

Uit het belastingparadijs

Zesentwintig jaar geleden publiceerde ik mijn eerste stukje zelfgemaakte journalistiek voor de Economieredactie van NRC Handelsblad onder chef Jurriaan Kamp. Onderwerp: de nieuwste trucs voor bedrijven om belasting te ontwijken. Gesponsord door Deloitte (en toen nog) Touche. Het kwam erop neer dat ik, nitwit op het gebied van fiscale shit, een glanzende presentatie van de nieuwe CD-rom bijwoonde op een kantoor van Deloitte (in Rotterdam), waarop in voor iedereen begrijpelijke taal werd uitgelegd hoe je als bedrijf zo min mogelijk belasting hoefde te betalen, door de verschillende BV's in je holding op vernuftige wijze onder te brengen in landen met lage belastingen voor die specifieke bedrijfsactiviteit. Ik zie de kerstboom nog voor me, die je volgens de fiscalisten van Deloitte voor dit doel speciaal kon optuigen. Ze noemden het natuurlijk ook geen belastingontwijking, maar fiscaal management (of zoiets).
Ik moest aan deze jeugdzonde terugdenken toen ik me probeerde te verdiepen in de Paradise Papers, een mooi staaltje onderzoeksjournalistiek waarvoor ik geloof de Süddeutsche Zeitung de meeste credits verdient. (Hier leggen ze uit dat het nog helemaal niet zo eenvoudig is om van de Paradise Pap. chocola te maken.)
Dat Nederland zelf een Steueroase is, om met de SDZ te spreken, waar Apple en Nike en nog veel meer bedrijven, dankbaar gebruik van maken, en, laten we niet vergeten, een heleboel vermogende Nederlanders, wisten we natuurlijk al lang, maar het blijft een onderwerp waaraan nog wel het een en ander te onderzoeken valt, lijkt me. (Niet door mij overigens, want ik ben daar te oud voor.)

Rood

Mark Rothko, Untitled


Een jonge vrouw zat voor me en bloosde, van oor tot oor en kin tot haargrens, echt haar hele gezicht werd rood, en, dit was ook gek, ze liet haar roodheid rustig van alle kanten bekijken. Eerst was ik verbaasd, en daarna gecharmeerd, van deze onwillekeurige bloed-tentoonstelling. Het was alweer een tijdje geleden dat ik iemand zo zag blozen. Als ik aan blozen denk, denk ik dikwijls aan H.J.A. Hoflands stelling, jaren geleden in een column geponeerd, dat we in 'bloosloze' tijden leven. (Hofland heeft dus nog niet helemaal gelijk gekregen.) Maar misschien wordt er minder gebloosd dan vroeger omdat we, nou ja, allemaal wat minder verlegen zijn geworden, assertiever, expressiever (ja, wijt het maar weer aan de social media). Dat lijkt me moeilijk meetbaar en eigenlijk ook onwaarschijnlijk. Zoveel veranderen we niet, biologisch gezien. De functie van blozen is nog altijd onduidelijk – volgens Frans de Waal wijst dit op een gat in het darwinisme. Ja, het zal met schaamte te maken hebben. De blozende geeft aan zich iets gelegen te laten liggen aan de reactie van degene voor hem/haar op iets dat net is gezegd of gedaan. Dat haal je de koekoek. Maar waarom? Dat maakt de blozende toch alleen maar kwetsbaarder? Of is dit gedrag een onmiddellijke poging tot verzoening? Blozen fascineert me omdat het een exponent is van ons oeroude dier-zijn, terwijl het alleen schijnt voor te komen bij mensen. Ik heb mezelf nooit zien blozen, bezit er ook geen selfie van, maar ik weet zeker dat ik het doe; althans, de plotselinge, niet te stoppen rush naar het gezicht, het warm worden van het gelaat in schaamtevolle situaties ken ik maar al te goed. Alleen valt het bij mij minder op, omdat ik al rood ben van mezelf.

De ontdekking van de hemel




Stelt u zich een sfeervolle, klassieke boekhandel voor in het oude centrum van een Gooische groeigemeente met in de etalage, jawel, niet alleen uw vrijwel gansche oeuvre, maar ook, en dit ontroerde me, op het verhaal van uw zojuist verschenen roman toegespitste parafernalia, zoals rokkostuums, en een fles sterke drank.
Binnen treft u goed gesorteerde boekenkasten aan, een heel persoonlijke keuze van cd's en dvd's, en pakweg twee dozijn stoelen bezet met geïnteresseerde mensen opgesteld richting een klein bureautje, met daarop een display met het boek in kwestie. Er wordt zwijgend geluisterd, maar de erop volgende discussie is levendig.
Uiteraard is er wijn. Een lezing zonder wijn is zoiets als coïtus zonder orgasme. Op de stoep wordt stiekem gerookt: ook dat spreekt me aan.
Slechts één bezoeker vertrekt voortijdig. Dat is de bezoeker die te oud lijkt voor dit soort dingen. Nauwelijks een motie van wantrouwen te noemen dus, dit. Eerder een aanbeveling.
Maar ik ben er nog niet. De lezing wordt opgeluisterd door Esther Steenbergen die korte fragmenten speelt van de Japanse folksong Sakura. Die stukjes passen uitstekend bij de voorgelezen passages, maar waarschijnlijk passen ze bij  i e d e r e  passage, omdat ze zo mooi zijn.
Tenslotte duwt de innemende eigenaar, Luud van Lelyveld, u na afloop als dank voor uw komst de schitterend uitgegeven, driedelige memoires van Casanova  in de hand, alsof het niets is.
U kunt met een gerust hart sterven.

Bewilliging

Wat is toestemming? Dat lijkt me een vraag die we onszelf dezer dagen, met de tsunami aan seksuele misbruikzaken, zouden kunnen stellen. Of we daar iets mee opschieten is vers twee. Ik google het Lycaeus Juridisch woordenboek.
Toestemming Eng.: consent : strafrecht - voorafgaande instemming. Indien een persoon bepaalde handelingen pleegt zonder de uitdrukkelijke ~ van de ander, kan er sprake zijn van een strafbaar feit. Bijv. plegen van ontuchtige handelingen met een bewusteloos persoon. Bepaalde handelingen zijn echter met de uitdrukkelijke ~ van de betrokkene nog steeds strafbaar. Bijv. hulp aan een ander bij zelfdoding waarop de dood volgt is strafbaar. In dit geval is er sprake van ~ van de zelfdoder, maar is er toch sprake van een strafbaar feit. Art. 247 WvSr en 294 WvSr
toestemming / toestemmen / toegestemd Eng.: consent : rechtswetenschap - bewilliging. Bijv. voor een aantal vérstrekkende rechtshandelingen behoeft een echtgenoot ~ van de andere echtgenoot. Art. 88 Boek 1 BW en 37 Boek 1 BW
Bewilliging: mooi woord. Kende ik nog niet. Klinkt ook eigenlijk beter dan toestemming. Bewilliging geeft aan: ik wil het. Wat op het eerste gezicht een stuk minder complex is dan ik stem toe (want is gebrek aan protest genoeg? Moet het worden uitgesproken? Zo ja, dan hebben we een nieuw probleem.) Aan de andere kant, wie bewilligt moet weten wat zij wilt, en kom daar nog maar eens om. Vaak weet ik pas na afloop wat ik wil, of beter gezegd, dat ik het niet wil. Want wij weten niet wat wij willen en wij doen maar wat.

Overeenkomsten met de werkelijkheid berusten louter op toeval

De zaak Brandt Corstius vs Van Dam, in casu Barend & Van Dorp, een zaak van edele moed, dan wel grenzeloze naïveteit, maar die liggen wel vaker dicht bij elkaar, bracht bij mij een bepaalde passage, een zekere scene, uit een niet zo heel lang verschenen ontwikkelingsroman in herinnering. Hier was een puber het slachtoffer, in plaats van een twintiger, maar voor de rest gaat de vergelijking  – drogering + gedwongen orale seks = weinig romantiek – behoorlijk goed op. Laat klager er zijn voordeel mee doen. Tot verhoging van het juridisch drama ben ik bereid tot een voordracht in de rechtszaal.

Charlie pakte me bij mijn schedel en duwde mijn mond in de richting van zijn kruis. Vervolgens maakte hij wat overdreven stootbewegingen en begon, nogal voorbarig vond ik, te kreunen als een hond.
(...)
'Komt er nog wat van?'
Voorzichtig deed ik wat er van mij verwacht werd, omdat ik dat in mijn leven tot dan toe altijd had gedaan.
(...)
Charlies kale balzak schokte tegen mijn kin. Hier moest zijn zinloze zaad in zitten. Charlies zaad, dat nog nooit tot voortplanting had geleid, vermoedelijk, tot nooit iets anders dan genot.
(...)
Als ik al iets voelde, dan was het walging, en niet alleen omdat Charlie tegen mijn huig stootte, in een al dan niet bewuste poging antiperistaltische reacties op te wekken in mijn slokdarm.

Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.

Leuke ontdekking



Het Parijse leenhuis was, terugkijkend, niet anders dan anders, hooguit was de stapel asbakken die ik telde in de keuken iets hoger of juist iets lager dan de vorige keer, en waren er all around weer wat nieuwe boeken bijgekomen – onder andere uit Amsterdam, waar onze ruilvrienden zo te zien boodschappen hadden gedaan bij de Taschen Bookstore – maar het was meer onze perceptie die was gekanteld. Wij leefden in de veilige veronderstelling dat de heer des huizes een sieradenwinkel exploiteerde. Goed, daarvoor had hij wel  e r g  veel  bandes dessineés (BD), in het Nederlands nogal oneerbiedig vertaald met stripboeken, in zijn boekenkasten staan, ook en vooral van de obscure soort, plus bijbehorende figurines, ook alweer zo'n onvertaalbaar woord (poppetjes, mannetjes of figuurtjes klinkt toch heel anders. Kinderachtiger vooral) in diverse standjes. Totdat ik op zijn bureau een stapeltje visitekaartjes zag liggen met de naam van zijn blogspot, Vive la France. O la la! Dus dit was wat hij deed. En hij is er goed in. En hij heeft veel vrienden die ook kunnen tekenen. Ik weet niet of dit nog mag, maar ik vond het een leuke ontdekking.

Misery



Na het leenhuis grondig te hebben schoongemaakt en de nu eens plotseling verdwijnende, dan weer plots opduikende straatzwerver gedag te hebben gezegd, gingen we toch nog op tijd weg uit Parijs, om vervolgens op de A1 voor Lille een vreemde trek aan het stuur te voelen (ik dan), een vreemde trek naar links, terwijl ik aan het inhalen was. Lek. Snel de snelweg af dus, de vluchtstrook op. Daar bleek, o voorzienigheid, een Frans wegenwachtbusje te staan niet zo drukdoende met een verderop stilstaande vrachtwagen. Dat kwam goed uit, want ik kon in mijn troeperige achterbak zo gauw geen gereedschap vinden om de krik te bedienen en de reserveband te monteren. Toen ik die eindelijk wel gevonden had, was de hulpvaardige Fransman al klaar. Weer op weg om een garage te zoeken die de voorband kon repareren. Als die toch moest worden gerepareerd, konden we dat net zo goed m e t e e n laten doen. Geen onzinnige redenering. Er kwamen nog meer zinnige redeneringen en bijbehorende handelingen bij, toen de garage naast de gigantische supermarkt die erin geslaagd was het dorpje (Péronne, bij Misery) van zijn middenstand en dus ziel te ontdoen, de band irréparable verklaarde en twee nieuwe voorbanden adviseerde à €80. Wij voor een second opinion naar een nabijgelegen bandencentrum. Ook die verklaarde onze band irréparable maar had geen nieuwe banden. Wij met hangende pootjes terug naar garage 1. Daar aangekomen werden we in de wachtrij gezet. Dit zijnde Frankrijk, duurde het niet een beetje, maar heel veel langer dan je zou willen, of lieftallige zich nu urgent opstelde bij de garagisten, de kinderen de winkelruimte terroriseerden (denk: rondfietsen op stepjes, autozitjes uitproberen, koffiebekers omgooien) of ik bleef informeren hoe lang het nog duurde. 'Dix minutes, monsieur.' Maar dat zei hij een uur geleden ook! Drie uur later vervolgden we onze terugreis met spiksplinternieuwe voorbanden. Ik dacht aan de Franse, Amerikaanse, Australische, Canadese, Chinese (!) en Duitse soldaten, die, had ik gelezen in een folder bij het koffiezetapparaat, honderd jaar geleden precies op deze plaats een kansloze oorlog voerden.

Palais de Tokyo

We zitten in het restaurant van Palais de Tokyo op aanraden van een in Parijs bekende nicht met goede smaak. Het is een restaurant in het hogere segment, maar dat moet maar een keer mogen, vinden wij, ook al ga ik op een haar na failliet (wie nog geld over heeft voor een armlastige schrijver: NL88ABNA0545272254; als dank maak ik een boekje voor u).
Beeldige gastvrouwen (wat een vreselijk woord is dat toch) brengen ons naar onze tafel en dito obers, die ook nog eens aardig zijn, serveren ons verrukkelijke, verrukkelijk geprijsde gerechten.
'Hou eens op met dat foto's maken!' sis ik tegen lieftallige, die haar telefoon heeft gericht op de reusachtige lichtkunstwerken (lampen kun je ze niet meer noemen) aan het onwaarschijnlijk hoge plafond.
'Ik wist niet dat jij dingen nog gênant vond,' kaatst lieftallige terug.
'Komt door al die beschaafde mensen om me heen.'
De kinderen hoeven zich niet te gedragen want die worden subiet afgevoerd naar de speelruimte, waar twee speeldames ze onder handen nemen. Ze kunnen daar ook eten. Je hoeft je eigen kinderen dus helemaal niet te zien als je naar het restaurant van Palais de Tokyo gaat; een win-win situatie. Naast ons wordt de vader van een jonge baby onmiddellijk door de moeder van tafel gestuurd, met baby, als die ook maar een kik geeft, om hem tot stilte te wiegen bij de toiletten. Te jong nog voor de speeldames, denkelijk.
Na afloop van de voortreffelijke lunch is het even de vraag of we het museum nog zouden moeten aandoen. Buiten zien we dat er zich een flinke rij heeft gevormd voor de museumkassa. Op zo'n moment kun je redeneren dat het wel iets moet zijn en aansluiten, of denken: misschien niet. Wij dachten het laatste.


Pussies

Op de fiets naar Montmartre – joechei, een heus fietspad dat we niet hoeven te delen met stadsbussen – trekt op Boulevard de Clichy de gevelnaam Pussy's mijn aandacht. Niet om de pussies, of misschien ook wel een beetje, of althans de belofte van dergelijken, maar om de apostrof. Staat die daar terecht? Wie het weet mag het zeggen, maar ik denk dat een Amerikaanse of Engelse seksshop zichzelf niet zo snel Pussy's zou noemen.
Even verderop worden 'couple'-cabines aangeboden à 10 euro, de verleiding om af te stappen voor een tussenstop wordt al groter, maar ja, vergeleken bij Amsterdam, etc.
Dan passeren we warenhuis Sexodrome. 'Kijk,' zeg ik tegen lieftallige, 'dat hebben wij thuis niet, zo'n Bijenkorf voor de lagere driften.' Ook de achtjarige toont zich verbaasd over het woord en giechelt, maar tijd of zin om af te stappen hebben we niet.
Thuis maar even googelen. Dit drie verdiepingen tellend lustpaleis, 'le plus grande love store du monde', deze Mail & Female met roltrappen, schijnt dertig man personeel in dienst te hebben. Uit de Time Out Paris recensie kan ik niet opmaken of het nu vunzig dan wel fris is daarbinnen, of fris-vunzig, of vunzig-fris. Ooit was er een club echangiste op de bovenste verdieping, maar die wordt verbouwd, en trouwens, van ruilen komt huilen. Homo- en zoöfielen, lees ik, komen in de Sexodrome ook ruimschoots aan hun trekken.
Volgens de recensente, Celine heet ze, bevat het assortiment ook drie seksspellen voor ouderen. Dat is dus voor mij bedoeld, maar ik kan er niets over vinden.

Sloffen

Blaise Lacolley

'Ik ga toch even kijken of hij er nog is,' zeg ik tegen lieftallige vlak voordat we naar bed gaan. 'Hij' is onze straatzwerver, die gisteren plotseling weer was verschenen, nadat hij de dag ervoor en op de dag van aankomst schitterde, nou ja, door afwezigheid. Zo'n straatzwerver wordt toch meer dan straatmeubilair, ja, een soort buurman van je, hoewel Parijzenaars ongetwijfeld een stuk cynischer zijn. De wet van de grote aantallen.
'Ja, ik ben ook wel benieuwd.'
Het is vrijdagavond, dit deel van de stad gonst van de hippe uitgaansgelegenheden, de overvolle kroegen, de stampende clubs en sfeervolle huiskamercafé's. Veel mensen op de been, rokend, drinkend, naar elkaar lonkend en loerend. Ik maak mijn gebruikelijke rondje en ik vraag me zoals gebruikelijk af of ik onder hen zou willen zijn.
Maar: geen zwerver. De zwerver is weer eens in het niets opgelost. Vreemd is dat niet. Niemand houdt dit vol. Zeker niet nu het wat frisser wordt. De motorkap van een auto is geen plek om een bestaan op te bouwen.
Maar wacht eens: dat daar, die hompen in de goot, zijn dat niet zijn zelfgemaakte sloffen? Putain. De zwerver, laten we hem Zed noemen, is weg, inclusief rugzak, maar zijn sloffen liggen er nog. Moet dit ons zorgen baren?
'Zijn sloffen zijn waarschijnlijk het laatste dat hij vrijwillig zou achterlaten,' commentarieert lieftallige, als ik me bij haar in bed schuif.

Eettentjes



Vakantievieren in een stad als Parijs, dat 13.822 restaurants telt (of wat daarop lijkt), is vooral mogelijkheden verkennen om te eten. Op de eerste avond van ons verblijf dacht ik een charmant tentje te hebben gevonden in de straat, gerund door een Thais tantetje met sproeten, dus ik sleepte mijn kinderen mee naar binnen en zette ze aan een kleine formica tafel achter de cola. 'J'attends ma femme,' verklaarde ik ongevraagd aan het tantetje mijn traagheid om te bestellen. Ze knikte, ging op een stoel staan om iets te pakken van een hoge plank. Dat was wel een grappig gezicht. Aan tafel werd druk geschermd met eetstokjes. Toen kwam ma femme. 'Hebben jullie nog niet besteld?' 'Ik wachtte op jou,' zei ik. 'Maar we gaan hier niet eten! We nemen het mee naar huis!' Ik zag niet in waarom we hier niet konden blijven, maar goed, c'est la femme qui etcetera, dus we bestelden, en opmerkelijk gauw (dat moest een magnetron zijn, maar opwarmen is opwarmen) werden de kartonnen doosjes, die me aan New York deden denken, bij ons afgeleverd. Openstaand. Ik vouwde ze weer dicht. Nu kwam het aan op betalen. Ik gaf het Thaise tantetje een briefje van 20. Ze keek heel lang, heel moeilijk, naar haar grote rekenmachine. Toen heb ik zelf maar het wisselgeld uit haar kassa gehaald, terwijl ik hardop de rekensom maakte. Thuisgekomen stortten we ons vol goede moed op de pad thai, die inmiddels lauw geworden was (of nooit heet was geweest to begin with), en bijzonder slecht smaakte, maar ma femme en ik deden alsof onze neus bloedde. 'Ik moet kotsen!' riep de achtjarige uit, met zijn mond vol, en haastte zich naar de WC. Gisteravond hadden we meer succes bij een piepkleine pizzeria om de hoek, die luide house draaide, waar de vierjarige, staand op haar stoel, wulps op danste.

Terug in Parijs

Léon Lhermitte, Les Halles, 1895

We waren benieuwd of de zwerver, ongeveer van mijn leeftijd, die van de zomer in ons straatje in het 10e met zelfgemaakte schoenen en een rugzak dag en nacht de wacht hield, er nog steeds zou zijn. Dat bleek niet het geval. Verhuisd – hoewel je van verhuizen eigenlijk niet kan spreken – of dood neergevallen en afgevoerd? Ik weet niet wat ik moet hopen. Wel was er een vestiging van G-Star Raw bij gekomen, inclusief anti-zwerver beugels voor de etalages. Die waren niet voor onze oude zwerver bedoeld want die sliep staand tegen een geparkeerde auto (niet de onze).
Het appartement troffen we in dezelfde, verrukkelijke staat aan (dus met overal waar je kijkt boeken), met dit verschil dat de achtjarige de Wii niet opgestart kreeg – dezelfde Wii waar hij zich zo op had verheugd en die 80 % van de reden uitmaakte om überhaupt naar Parijs te willen (de overige waren croissantjes en het ligbad, beiden voor 10 %). Gelukkig – voor ons – wist hij een andere game aan de praat te krijgen.
Vandaag op pad met als doel Irving Penn in het Grand Palais. Ik stelde voor te gaan fietsen, of desnoods met de metro, maar dat leverde al meteen de eerste vakantie-kissebis op: lieftallige wilde per se met de bus. Lopen dan maar, met de kleintjes in ons kielzog op de step. Dat ging wonderwel fantastisch, totdat de vierjarige niet meer wilde steppen. Dat betekende tillen, zowel de vierjarige als de step, dus eenmaal bij Grand Palais aangekomen, had ik geen zin meer in Irving Penn. Een versnapering in de cafétuin van het Petit Palais dan? Op weg daarheen stuitten we op een reusachtig, levendig schilderij van de Hallen. We zijn er even voor gaan zitten. 'Ik zie ik zie wat jij niet ziet en het is... een kip.' 'Dood of levend?' 'Levend.' 'In de grote mand.' Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.

Avondje

T w e e (2) eerstejaars Beetsianen waren er, gisteren bij het avondje in SPUI25 over groepsdruk en vernedering. De spam-acties bij de dispuutshuizen in de hoofdstad hebben dus toch hun vruchten afgeworpen. Daar was ik blij mede, met die twee eerstejaars, want ik was benieuwd naar de verschillen tussen het Multatuli dat ik beschrijf in Het dispuut en het Beets van nu, waarvan ik zelf lid werd dertig jaar geleden. Welnu, zeiden de twee, het beeld dat in de media wordt afgeschilderd klopt niet. Een van de eerstejaars somde een lijst goede werken op, die leden van het dispuut heden ten dage verrichten. Ik wilde roepen: zoiets als ouwe poepresten afkrabben in verpleegtehuis Open Einde? Maar ik heb dat niet geroepen, want dat zou zinloos zijn. Ze hadden mijn boek niet gelezen.
Er was nog een andere verrassende verschijning gisteravond: Vindicat-klokkenluidster Milou Deelen. Dankzij Milou Deelen weten we wat bangalijsten zijn. Zij kwam ertegen in opstand. Ze dacht dat haar klokgelui daar wel wat teweeg had gebracht.
Nog meer mensen in de zaal lieten van zich horen, hoewel misschien niet luid genoeg. Een bevriende corpsbal van de tennisbaan uit Rotterdam zat zich te verkneukelen bij alle getheoretiseer over excessen, vernederingen en groepsdruk. 'GELUL!' had hij willen roepen.
'Had dat dan ook gedaan,' zei ik tegen hem na afloop. Maar hij wou geen spelbreker zijn.
Na de deskundige inleiding van sociaal psychologe Liesbeth Mann over vernedering binnen groepen, voerden Persis Bekkering en ik een toneelstukje op (meer is het corps in zeker opzicht ook niet). Zij, in Navigators-kampcommandant-overall tegen mij, in een t-shirt met het opschrift LUL (in Boef-letters, die lieftallige er met genoegen op had gestift): 'Wat, Frölke!'
'Nou eh... ik wilde dus met de auwto naar de winkel om een colbertje te kopen en een stropdas maar toen ging de koelkast kapot en dacht ik weet je wat ik ga eerst een gebakje eten.'
'FOUT, Frölke! Het is oto, jasje, dasje, ijskast en taartje. Kikkeren!'
Ik kikkeren. Dat voelde goed. Ik had het al lang niet meer gedaan.

Delft


Samen met mijn gymnasiast en honderden VWO'ers uit uiteenlopende windstreken zit ik in de collegebanken bij Technische Natuurkunde tijdens de open dagen van de TUDelft en luister naar een opleidingsdirecteur die uitlegt dat de studie veertig 'contacturen' per week vergt.
In mijn tijd, bij Wijsbegeerte, was dat wel anders. 'Ik mocht al blij zijn,' fluister ik tegen mijn zoon, 'als ik vier uur college had per week.' Wat ik in de overige 36 uur uitvrat, behalve shaggies roken boven hermetische Hegel-stencils, op mijn slechtverlichte, onverwarmde zolderkamertje in de Pijp, met Miles Davis' Tutu op de draaitafel, en het op namiddagen in slaap sukkelen op de faculteitsbibliotheek: geen idee.
De introductie in de Technische Natuurkunde kan ik volgen totdat de Maxwell-vergelijkingen op het bord verschijnen (die kennelijk ook, hoe poëtisch, als diens grafschrift zijn gebruikt). 'Zijn er nog vragen?' vraagt de opleidingsdirecteur, en ik wil mijn vinger al opsteken. Ik weet me in te houden. Na het heldere proef-college over quantummechanica door een collega, besluit de opleidingsdirecteur: 'The universe is conclusively weird.'
Zoiets snapt een filosoof wel.
De voorlichtingsbijeenkomst over Computer Science & Engineering, waar we ons met moeite naar binnen dringen, bevat meer zelfstudie. 'Er wordt een beroep gedaan op je eigen verantwoordelijkheid,' zegt de voorlichter, in het Engels, voor een grotendeels Nederlandstalig publiek. Eigen verantwoordelijkheid? De student moet een huwelijk aangaan met zijn eigen luiheid. Het gelukkigste huwelijk geeft het meeste kans op succes.
Misschien, bedenk ik me aan het eind van de dag, is een 'Universiteit', – ook een technische –, uiteindelijk toch vooral een ingewikkeld ritueel, bedoeld om zowel studenten als hun ouders en de rest van de bevolking het gevoel te geven dat het mogelijk is om greep te houden op de werkelijkheid.



Het einde van de cultfilm



Volgens mij worden er geen cultfilms meer gemaakt, heeft het hele concept van de cultfilm zijn betekenis verloren. Ik kwam tot deze toch wel jammere conclusie na het zien van 'Blade Runner 2049'. Ten eerste lijkt het mij onwaarschijnlijk dat dit vervolg op Blade Runner ooit zal uitgroeien tot een cultfilm omdat hij veel te toegankelijk is. De enige echt vreemde scene is die waarin de B.R., gespeeld door de 100% transparante Ryan Gosling, aan een merkwaardige, poëtische ID-test wordt onderworpen ('cells, interlinked'); het Leitmotiv met het houten paardje is gewoon Disney; de man met de doffe ogen en een cassetterecorder achter zijn oor is onbedoeld hilarisch.
De oorspronkelijke Blade Runner was wel degelijk een cultfilm, maar het vervolg erop heeft dus ook al de ont-cultfilmisering van het origineel in gang gezet. B.R. is een franchise geworden, en franchise staat haaks op cult. Ik begrijp niet goed waarom deze film alom wordt bejubeld (op imdb krijgt hij nota bene een hogere score dan de versie uit 1982. '2049' is veel te lang – het verhaal komt zo goed als tot stilstand na pakweg anderhalf uur –, de dialogen zijn zouteloos, de handelingen voorspelbaar. Alles ziet er prima uit, maar dat mag je verwachten van een film met een cast van pakweg duizend mensen op drie continenten.
Als de eeuwig gefronste wenkbrauwen van de ouwe Harrison Ford in beeld komen tegen het einde, besef je weer hoe goed hij destijds was, en hoe volstrekt niet-verontrustend de huidige versie is. Sylvie Hoeks is verreweg het beste in de film: a bit weird, a bit creepy, and a bit sexy. Een mooie definitie van cult.

Golven van verdriet

De dag begint vrolijk, met mijn achtjarige die spontaan een stuk voorleest, in het halfdonker, uit zijn nieuwe boek, maar even later ligt hij in foetushouding op de bank te huilen. Want zijn jongere zus heeft een feestje vanmiddag en hij niet, en ze heeft ook een drakenpak voor het kinderboekenweekfeest – thema griezelen – en hij niet. En inderdaad: mijn dochter paradeert rond in een drakenpak dat ik ooit in New York kocht, inclusief muts met ingebouwde drakenkop, heel kunstig. 'Heb je in de verkleedkist gekeken?' probeer ik vanuit bed het verdriet van mijn zoon om te buigen in, nou ja, blijdschap. 'Daar ligt niks in!' Ik hijs mezelf uit bed, terwijl lieftallige aan de slag gaat met het blauwschminken van het draakje. Uit de verkleedkist trek ik een dozijn prinsessenjurken, maar ook een ridderpak. Dat wil hij wel aan. Met schmink? Met schmink. Als lieftallige klaar is met het schminken van de ridder, zwelt de volgende huilbui aan, nu uit de keel van het draakje. Want het draakje wil ook groene schmink, net zoals de ridder. 'Als je blijft huilen huil je alle schmink eraf.' Natuurlijk krijgt het draakje haar zin. Iedereen blij? Toch niet, want als ik het draakje heb afgeleverd op school wil ze de kunstige muts niet op, terwijl die nu juist, in mijn ogen, het verschil maakt. Ik laat hem achter in het klaslokaal voor het geval ze van gedachten verandert. Maar als ik haar zoals gewoonlijk van buiten door het raam luchtkussen toewerp staat het traanvocht in haar ogen. Het draakje eist dat ik de drakenkop weer meeneem. Jaloezie en schaamte: vermoeiende emoties.

Groningen

'Niemand steekt een lamp aan en bedekt die met een vat of zet haar onder een bed, maar hij zet haar op een standaard opdat wie binnentreden het licht mogen zien,' las ik op een willekeurig opengeslagen pagina van de hotelbijbel die ik, enigszins tot mijn verrassing, aantrof in het University Hotel, waar ik mocht overnachten van lieve literair dispuut Flanor, dat mij had uitgenodigd voor een lezing. De gratis verstrekte oordopjes op het hotelkamerbureautje verontrustten mij enigszins, maar het was pas zes uur, we zouden wel zien hoeveel overlast deze studentenstad mij ging bezorgen.
Voor het Javaans Eetcafé werd ik opgewacht door het lieve bestuur: vier prachtige studenten in de bloei van hun leven, en nog geïnteresseerd in literatuur ook – waar heb ik dit allemaal aan verdiend? Gelezen hadden ze mijn roman nog geen van allen, hoewel sommigen er in waren begonnen, maar dat was bijzaak.
'Wat doe ik hier eigenlijk, op deze planeet, of waar dan ook?' vroeg ik me af terwijl ik de Vegetarische Rijstschotel die ieder van ons had besteld naar binnen schoof, maar dat vraag ik me wel vaker af.
Spoorslags naar de Graanrepubliek, die op vijf minuten lopen bleek te liggen. Het met boeken bepakte, lieve bovenzaaltje vulde zich allengs met studenten/leden van Flanor, plus twee mystery guests. Een meisje vroeg of iemand trek had in een pannenkoek. Ik heb vaak trek in een pannenkoek, maar niet net na een rijstschotel, al was het een vegetarische.
'Hallo allemaal, nice dat jullie zijn gekomen,' sprak de voorzitter van Flanor, een lieve kunstgeschiedenisstudente, die ik wel mee naar huis had willen nemen, opgeruimd. 'En dan geef ik nu het woord aan Viktor.'
Ik had last van zenuwen, maar het waren goede zenuwen. Iedereen luisterde aandachtig naar het hoofdstuk De vergadering, waarin een sfeer wordt geschreven die niet verder af kon staan van de sfeer die thans in dit bovenzaaltje hing. Een niet-lieve sfeer, zou je kunnen zeggen.
Tijdens de discussie over de vernederingscultus van het corps bekende een blond meisje met springerige wenkbrauwen dat ze in therapie moest na een jaar lid te zijn geweest Vindicat.
'Ik moest ook in therapie,' zei ik, begripvol. Om er onmiddellijk aan toe te voegen: 'Het kan nooit kwaad om in therapie te gaan.'
Rond middernacht verheugde ik me op mijn University Hotel. Onderweg erheen stuitte ik op twee overlastgevende studentenhuizen, alsmede een groepje brallende studenten. Hun gedrag maakte dat ik mij enigszins ongemakkelijk voelde in mijn witte pak en mid life strohoed. Maar het 'Hé, kankerhomo, waar ga je naar toe?' bleef uit en ook de oordoppen konden in de verpakking blijven.

Zout is the least of my problems.

Eerst op mijn knieën in het natte zand. Daarna zitten op mijn voeten. Toen draaide ik me om en en zakte met mijn kont in het water. Het golfje dat van achter kwam en mijn lendenen omspoelde verraste me toch nog, hoewel ik het hoorde aankomen. Ik was voldoende gewend, meende ik, om het water in te lopen en nam een duik. Terwijl ik slagen maakte door de kalme nazomerzee, stelde ik me twee dingen voor. Het eerste was dat ik een hartaanval zou krijgen. Ik had er de leeftijd voor, en sommige harten, wellicht ook het mijne, hielden helemaal niet van kou; zo van: als je zo begint, hoeft het voor mij niet meer. Het tweede was dat ik me voorstelde dat ik een ocean swimmer was, en dat ik op weg was naar Dover, Bristol, of Newcastle of nog veel verder, zoals die ene vrouw, ik ben haar naam kwijt, die de Atlantische oceaan overzwom. Vreselijk. Was ik al lang genoeg in het water geweest om zonder gezichtsverlies terug te kunnen keren naar het droge? Ik vond van wel. Een meisje in een bikini stond te springen in het water, alsof ze in conversatie was met de golfjes. 'Zout, hè?' zei ze, toen ik boven water kwam. Ik knikte en dacht: zout is the least of my problems. Terwijl ik me uit het water hees, werd ik me bewust van mijn doorweekte herenslip. Waarom niet naakt gaan zwemmen? Ik heb niets tegen naaktzwemmen, zou het zelfs overal willen propageren, maar sommigen in mijn gevolg gaan gebukt onder plaatsvervangende schaamte. En waarom ook zo nodig op willen vallen? Opvallen of niet opvallen, dat is de vraag – niet dat ik dacht dat mijn mannelijkheid na kennis te hebben gemaakt met deze zee nog heel veel aanstoot zou geven.

Geheim paadje



'Toen jij zo oud was als ik,' zei ik tegen mijn vader, op een schaduwrijk bankje in het park, 'woonde jij ruim tien jaar in een kast van een huis dat je zelf had laten bouwen; je oudste twee zonen waren net op kamers en je had een zeilboot en een huisje in Frankrijk.'
Mijn vader wist niet wat hij daarop moest zeggen. Misschien viel er niets op te zeggen, het was meer een besef van mijn kant dan een uitnodiging tot commentaar.
Een bezoek aan mijn ouders is een bezoek aan de geschiedenis. Mijn moeder tovert schriftjes tevoorschijn van het gymnasium met opstellen van haarzelf ("slordig!" staat in de kantlijn) en van háár moeder, die niet alleen over een voorbeeldig handschrift bleek te beschikken, maar ook over een niet onaardige pen. (Ze putte inspiratie uit de praktijk van haar vader, een apotheker uit Groningen die huisarts werd in Eindhoven).
Ik beland in mijn eigen geschiedenis als ik min of meer toevallig mijn geheime paadje neem naar school. Het voert dwars door de bosjes, over een weg die geen snelweg is maar er erg op lijkt, bijvoorbeeld te oordelen naar de snelheid der automobilisten, linea recta naar het Lorentz Lyceum (thans Lorentz Casimir).
Het stille, lege schoolgebouw doemt op aan de overzijde van de Celebeslaan. Altijd opwindend om op een lieu de mémoire te stuiten waar je voor het eerst verliefd werd en probeerde iemand te zijn of te worden. Maar wat doet die waterpoel daar rechts? Van die poel kan ik me niets herinneren.
'Moet je je voorstellen,' zegt mijn moeder, 'wat voor angst ik uitsloeg als jij dat geheime paadje naar school nam vroeger!'
Zijnde vader van drie schoolgaande kinderen kan ik me daar inmiddels wel iets bij voorstellen.

Zestiende werkdag

De oud-bibliothecaresse zat op de bank met haar jas aan voor zich uit te staren. Radio4 sijpelde uit de vooroorlogse radio op de kast. Ze was blij me weer te zien. Het gevoelen was wederzijds. Nadat ik haar een kus had gegeven voor haar 86ste verjaardag, die vorig week plaatsgreep, liep ik door naar de keuken om koffie te zetten en pannenkoeken te bakken (lees: ouwe zemen op te warmen) in een steelpan zonder steel.
'Ik heb je boek uit,' riep ze vanaf de bank.
'En?'
'Een gruwelijk verhaal. Wat er gebeurt met die Mulder!'
'Je bent de eerste die dat zegt. En je hebt ook gelijk.'
'Is het waargebeurd?'
'Nee, maar ik beschouw het als een compliment dat je dat denkt. Wat wil je op je pannenkoek?'
'Niks.'
In twee stokoude, versleten kandelaars op tafel, viel me op, waren gloednieuwe kaarsen gestoken. Cadeau voor haar verjaardag, die kaarsen, van wie wist ze niet meer. Die kandelaars waren nog van haar moeder geweest.
Ik probeerde de kaarsen aan te steken, zonder succes.
'Er zit geen pit in,' zei ze, kauwend op haar pannenkoek.
Ik terug naar de keuken om de pit die er toch wel in bleek te zitten uit te graven met een mes.
Niet veel later stonden de kaarsen fel en vurig te branden alsof dat was wat ze het liefste deden.
'Willem vindt dit vast niet goed,' zei de oud-bibliothecaresse.
Ik wist dat ze eens een bijna-brand had veroorzaakt met de gaskachel en om die reden niet meer op gas mocht koken en geen vuur mocht hebben en dus eigenlijk ook niet meer mocht roken, en overwoog nu dat de pit in die kaarsen misschien opzettelijk was weggeknipt door Willem of een andere bezorgde verzorger.
'Leuk om naar te kijken toch?' vroeg ik naar de bekende weg. Wie in een goede bui is, zoekt geen informatie, maar bevestiging. Zij was ook in een goede bui.
'Doet me denken aan kerst,' mijmerde ze. 'Vroeger bij ons thuis.'
'Goede herinneringen?'
'Nee! Mijn broer wist niet hoe snel hij alle kaarsen moest doven tussen zijn vingertoppen. Alleen maar om te laten zien dat hij het kon, met speeksel.'
Ik laat ze nog maar even aan.

Kopkluiven



Een schrijver die is kopgekloven door Propria Cures kan drie, eigenlijk vier dingen doen. Hij kan gaan uithuilen bij zijn moeder. Hij kan een brandbom naar binnen gooien bij de PC-redactie (pas op voor de Groene!) en gaan uithuilen bij zijn moeder. Natuurlijk kan hij ook bij zichzelf een brandbom naar binnen gooien, gaan uithuilen bij de Groene en net doen alsof er niets gebeurd is. Maar er is nog een mogelijkheid. Een schrijver die is kopgekloven door Propria Cures kan in de spiegel kijken en zich afvragen of zijn haar nog goed zit. Als het antwoord luidt: ja, toch wel, op een bepaalde manier, dan kan het zijn dat het kopkluiven pretty-pretty onvoltooid is gebleven, dat de schedel nog aan een draadje hangt, dat de neocortex onbeschadigd is en dat er in principe prima doorgeschreven kan worden aan het oeuvre (wel even op tijd aankloppen bij het Letterenfonds).
In Angelsaksische landen bestaat de traditie van het roasten, het op speelse wijze afbranden van een gearriveerd persoon die dat toch wel kan lijen omdat hij nu eenmaal gearriveerd is. De arrivé laat zich de plaagstootjes 'sportief' welgevallen. Ik heb zulke roasting sessies nooit erg veel aan gevonden, omdat van te voren vast staat dat het allemaal niet gemeend is, dat ze maar een spelletje spelen, dat ze straks weer als vrienden enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid, amen.
Het doet, met andere woorden, geen pijn.
Doet het kopkluiven van Propria Cures dan wel pijn? Dat hangt af van de vraag of de tirade goed geschreven is. Dat was bij 'Fröbelaar' niet het geval, vond ik, en ik was niet de enige. Als iemand namen van personages uit een roman begint op te sommen en lukraak lappen tekst citeert (vooral uit het begin van het boek), dan weet je: die is haar stuk tot de vereiste lengte aan het oppompen omdat ze haar huiswerk niet heeft gedaan.
'Lui!' zou mijn moeder roepen. 'Gewoon: lui!'

Minnesota

Mijn vriend uit Minnesota geeft altijd hoog op over de levensstijl aldaar. Ik ben er nooit geweest; hij komt vaker in mijn buurt dan ik in de zijne. Het is er wel koud, begrijp ik, maar droog koud. Twee weken geleden was het nog 30 graden C. Er zijn veel meren. Iedereen is tall and blonde. (Veel mensen hebben Scandinavische voorouders.) Er wordt veel gefietst en gewandeld, de inkomensverschillen zijn te overzien, men is – over het algemeen – voorkomend en niet bezig elkaar, om maar iets te noemen, met zelfgemaakte mitrailleurs te beschieten vanuit een veilig hoge hotelverdieping tijdens een country concert.
'There are rules, certainly, you need rules in a society, but they are reasonable rules, and almost everyone abides by them,' zegt hij.
'Sounds like Holland,' reageer ik.
Hij knikt.
Gebeurt er wel eens iets in Minnesota?
Niet dat hij weet. Hoewel, jawel, er is eens iets gebeurd, niet lang geleden. Een man had geëjaculeerd in de koffie van een collega. 'Ik was verbaasd dat de lokale krant daar aandacht aan besteedde.'
Het is even stil.
'Nou ja,' probeer ik, 'het is... een verhaal.'
'Eigenlijk kan ik me er ook wel iets bij voorstellen,' gaat hij voort.
Later check ik het verhaal op internet. De man die ejaculeerde in de koffie van zijn collega verklaarde dat hij bij haar in de smaak probeerde te vallen. Dat is matig gelukt; de vrouw heeft een klacht tegen hem ingediend, hij is ontslagen, hij heeft 45 dagen werkstraf gekregen, en de politici in de staat Minnesota zijn gauw bijeengekomen om een wet te ontwerpen die de indirecte overdracht van bodily fluids onwettig verklaart (met name met seksuele bedoelingen en bij kinderen).
De getroffen collega, lees ik, vond haar koffie de laatste tijd al een raar smaakje hebben. Ze dacht dat de melk bedorven was.

A former colleague

You can't hide from the past. You can run, but you can't hide. The past will sooner or later catch up with you. Today I was reminded of that bromide when I caught a former postal colleague in the supermarket. That is, I saw him in the corner of my eye, and he saw me too, I thought, but I got the impression that he was avoiding me. A few minutes later, when I was standing in line, he walked right passed me towards the exit, carrying just one piece of grocery, but outside he had to wait in an alcove for the sudden shower to pass. I waved, he smiled. He let me join him in his shelter. 'So, you're still alive,' I said. He nodded. 'That's not true of our mayor.' 'I know. He got out of it.' The former postal colleague, who literally exuded bachelorhood, worked for the competition, and was more or less proud of the way he cheated the company by not doing everything properly (i.e. throwing mail in the waste that he deemed wastable, which was a lot) and still getting paid. He told me he didn't work there anymore, which slightly alarmed me, because I thought he might be sacked because of what I wrote about him in my Diary of a mailman. Turned out he could retire early without losing his benefits. 'A few more years of welfare, and I will get my state pension,' he said, matter of factly. 'So what are you doing all day?' I asked. He smiled. 'Nothing.'

Wildplakwapenwedloop



Gisteravond maar weer met plak, kwast en een stapeltje postertjes de straat op gegaan om mijn vrijheid van meningsuiting bot te vieren op een wildplakzuil, nadat ik eerder die dag met lede ogen had moeten aanzien dat mijn wildplakactie van eergisteravond alweer over was geplakt. Op deze wildplakzuil is een wapenwedloop tussen wildplakkers gaande. Wie kan het snelst de ander overplakken, oftewel het zwijgen opleggen, met zijn eigen – zonder uitzondering commerciële – boodschap? Maar de strijd is ongelijk. Ik voel me Noord-Korea tegenover de Verenigde Staten van Amerika. De wildplakkers waartegen ik ten strijde trek zijn zonder uitzondering professionele plakbureau's, die met groot materieel en geoefende plakkers, reusachtige posters en vooral heel veel plak (waar ik dan weer mijn voordeel mee doe, want de helft blijft onder de zuil liggen), mijn bescheiden advertisements for myself elimineren. Maar ik geef niet op. Natuurlijk geef ik niet op, al was het alleen maar omdat ik het  l e u k  vind.

(On)mogelijkheden. Requiem voor een logeerpoes

Het kon overal gebeuren,
Maar het gebeurde bij ons.

Het kon op elk moment gebeuren,
Maar het gebeurde 's nachts.

Het kon op elke plek gebeuren,
Maar het gebeurde in het kinderkamerraam.

Het kon iedere poes gebeuren,
Maar het gebeurde onze logeerpoes.

Het kon beide logeerpoezen gebeuren,
Maar het gebeurde de zwarte, zachtaardige.

Ze kon koud zijn toen ik haar pakte,
Maar ze was nog warm.

Het baasje kon verwijten maken,
Maar hij maakte geen verwijten. Hij treurde. (Net als wij trouwens; de andere logeerpoes gaf geen krimp.)

De tere kinderziel kon een kras oplopen,
Maar die leek gauw gewist.

In de wereld kon niets zijn gebeurd,
Maar daar gebeurde alles.









Geruchtenmachine

'Er gaan geruchten dat jouw boek BVDM wordt bij DWDD,' kreeg de schrijver van zijn uitgever te horen, waarop zijn hart een vreugdesprongetje maakte, zijn buik begon te borrelen en zijn geest ging zweven. Zou het nu dan echt gebeuren? Zou hij gaan doorbreken? Zou hij dan nu eindelijk dat zelfontworpen huis kunnen laten bouwen achter de voormalige Bijlmerbajes, waar hij al zo lang van droomde, dat driehoekige huis met een glazen punt helemaal voor hem alleen?
Niet veel later kwam de schrijver op straat een collega-schrijver tegen, die zei: 'Er gaan geruchten dat mijn boek BVDM wordt bij DWDD.'
'Hoe weet je dat?' vroeg de schrijver.
'Van mijn uitgever.'
'Mooie boel,' zei de schrijver, schoppend tegen een platgetrapt blikje, dat, omdat het platgetrapt was, niet vooruit wilde.
'Gun je het me niet?' vroeg de collega-schrijver. 'We zijn toch collega's?'
'Ik gun jouw alle succes van de wereld, en dat van de rest van het heelal erbij, maar mijn uitgever zei precies hetzelfde tegen mij.'
'Echt? Je vraagt je af waar die uitgevers hun geruchten vandaan halen. Die komen toch ook nauwelijks nog vanachter hun computer vandaan?'
'Uit de geruchten-machine van DWDD.'
'Zou zo maar kunnen.'
'DWDD wil een buzz creëren rondom dat BVDM, en om dat te bewerkstelligen fluisteren ze een paar uitgevers iets in het oor dat ze graag willen horen. Het is allemaal van een ziekmakende treurigheid.'
'Ja ja. Dat krijg je, in een verdringingsmarkt.'
Een paar dagen later blijkt noch het boek van de schrijver, noch het boek van de collega-schrijver te zijn uitgeroepen tot BVDM bij DWDD.
'Fuck DWDD!' fulmineert de schrijver per email tegen zijn collega. 'Fuck BVDM!'
'Ah,' reageert de collega-schrijver, 'zo ken ik je weer.'


Het alleszins overzichtelijke drama van de logeerpoes die de achtertuin in glipte

Lieftallige had twee poezen te logeren gevraagd en mij te verstaan gegeven dat de logeerpoezen, – eentje zwart, eentje strawberry blonde –  o n d e r   g e e n   b e d i n g  naar buiten mochten, dus toen ik de deur naar de achtertuin opende en de strawberry blonde logeerpoes langs mijn benen de grote boze buitenwereld in voelde glippen, ontstond bij mij enige paniek. 'Hé,' fluister-riep ik, 'kom terug!' Maar de strawberry blonde logeerpoes was allang door het gat in de schutting naar de buren geschoten, en toen hij daar een collega tegenkwam, blazend en sissend, schoot hij door weer een ander gat, om helemaal uit het zicht te verdwijnen.
Wat te doen? Eerst de zwarte logeerpoes fixeren. Daarna terug de tuin in, roepen en rammelen met brokjes. That failed to do the job.
Follow the money, was mijn tweede idee. Dus ik klom over schuttingen en kroop door gaten. Dit was ooit een hobby van me, overpeinsde ik nostalgisch. Maar: geen poes.
Een ramp? Jawel, maar dan toch een van beperkte omvang, want de logeerpoes kon de binnentuinen niet uit. Vroeg of laat zou hij zich wel weer melden. Tenminste, als hij de weg terug wist en ons leuk genoeg vond.
'Ik ben ook eens een poes kwijtgeraakt in de binnentuinen en die kwam maanden later pas weer tevoorschijn, helemaal gehavend,' vertelde een buurvrouw, 'maar dat wil je misschien helemaal niet weten.'
Lieftallige kwam ziedend thuis. Maar aan zieden, argumenteerde ik, hadden we op dit moment niet zo gek veel. Bij alle buren aanbellen in theorie wel, dus daar ging ze, om terug te keren met lege handen, maar wel veel goede anekdotes over die buren.
De avond viel. Moesten we ons zorgen maken?
Toen vertoonde de logeerpoes zich ineens in de keuken bij zijn etensbakje. Maar bij iedere toenadering van mijn kant vluchtte hij onmiddellijk de tuin weer in. En gelijk had hij. Wie eenmaal van de vrijheid heeft geproefd, wil nooit meer in gevangenschap leven.
Het was lieftallige die op het idee kwam om een touwtje vast te maken aan de deurklink, waarmee ze de deur achter de logeerpoes dicht kon trekken. Et voilà.

'Wat braaf'

Ik weet dat het usance is niet te reageren op recensies, want, zoals ik onlangs op een t-shirt las ter hoogte van de – aanzienlijke – boezem van de draagster, degustibus non disputandum est, en wie geschoren wordt moet stilzitten, en: anders kun je wel aan de gang blijven, etc. etc., maar de kwalificatie 'wat braaf' van Irene Start, literatuurcritica bij Elsevier, aangaande Het dispuut vond ik 'wel apart'.
Nu is literatuurcritica bij Elsevier zoiets als redacteur Verre Oosten bij de Allerhande – ik kan het weten want ik heb aan beide ooit bijdragen geleverd –, maar toch, de woorden 'wat braaf' bleven enigszins nagalmen in mijn hoofd.
Ik ben nog nooit van braafheid beticht, ook en vooral niet door mijn moeder, dus ik beschouw het als een compliment, maar ik heb het gevoel dat Start het als een nonpliment bedoelde.
Dat zij coprofagie 'wat braaf' vindt, maakt me inmiddels een beetje nieuwsgierig naar haar eigen fetisjen.