Bedstee

Slapen in een bedstee heeft als voordeel dat je je bed niet uit kunt vallen; het nadeel is dat iemand vrij makkelijk van buiten de deurtjes dicht kan doen, en de sleutel in de waterput gooien. Niet voor claustrofoben, dit. Het geeft een veilig en warm gevoel, inderdaad, om samen opgesloten te zitten in een eeuwenoude muur, maar ik ging grote, hoge slaapkamers plotseling ook waarderen, en niet alleen omdat mijn knie, pols of voorhoofd de wand van de bedstee tegenkwam tijdens het woelen. Het lijkt alsof er geen ruimte is om te dromen, hoewel dromen bij uitstek ongevoelig zou moeten zijn voor fysieke inperking. Is er ruimte voor hogere hydraulica? Overal is ruimte voor hogere hydraulica, maar een bedstee nodigt er niet bepaald toe uit. Deze slaapkast deed me denken aan Japanse hotels die even groot zijn als een matras. Efficiënt inderdaad, maar je ligt toch in een soort doodskist. Overigens slaap ik hier fantastisch, maar dat heeft te maken met de inspannende werkzaamheden die komen kijken bij het verzorgen van boerderijdieren. Toen ik Aukje en Luna gistermiddag losliet in de achtertuin, bij het uitmesten van hun stal, begonnen ze meteen vrolijk rond te huppelen. Aukje, of Luna, daar wil ik vanaf zijn, werd speels als een jong veulen, dat ze zeker niet meer is en onderging dankbaar haar borsteling. De ander ging meteen languit in het gras liggen en rolde op haar rug, met de benen in de lucht.

Waterput

Van alle rurale, agrarische elementen waarmee ik hier op de ruilboerderij in het achterste uithoekje van de Achterhoek word geconfronteerd, ben ik het meest onder de indruk van de waterput – omdat hij het doet, vermoed ik, en omdat je er technisch iemand in zou kunnen gooien. (Alleen technisch. In de praktijk zal het in de put gooien tegenvallen voor de gooier, en meevallen voor de gegooide, omdat er een rooster zit boven het wateroppervlak en hij/zij waarschijnlijk met enige moeite wel dankzij de overvloedige klimop eruit zou kunnen klauteren, en in elk geval om versterking roepen, bellen of appen). Water haal je omhoog met een ijzeren emmer die aan een haakje hangt, en dat haakje zit weer vast aan een lange hefboom met contragewicht, waardoor het nauwelijks kracht kost om een tot de rand toe gevulde emmer omhoog te takelen. Dat water haal je trouwens voor de paarden. Die staan in een stal. Ze zijn bejaard. De ene heet Aukje, de ander Luna, maar we weten niet wie wie is. Als ik ze hooi en haver en zemelen heb gegeven, allemaal gortdroge spullen, dan snakken ze naar een bak water. Ze duwen me bijna om, als ik hun stal in stap. Ik moet denken aan het bruikbare spreekwoord (waar ik geen Nederlands equivalent van ken, wie het weet mag het zeggen) you can bring a horse to water but you cannot make it drink. In dit geval is aanbieden genoeg. Hoe simpel, en hoe dankbaar. Nu nog poep scheppen. Er ligt een flinke berg vijgen. Ik verheug me.

Tractatie

Banksy

Bij terugkeer uit de achtergebleven gebieden werden we op een rat getracteerd in ons bed. Hij zat op het hoofdkussen en keek alsof hij zich betrapt voelde. Het tafereel deed me denken aan een boodschap van de maffia. Had ik onlangs iets gedaan dat gewroken moest worden? Was dit de voorbode van een lugubere afrekening? Ik sloot de schuifdeuren, om de rat te isoleren. Toen deed ik de deuren naar de tuin open, om hem uit te nodigen zijn natuurlijke habitat op te zoeken. Hij sprong op de grond en verdween onder het bed. Nadat ik daar flink lawaai had gemaakt, vermoedde ik dat de rat, nou ja, het hazepad had gekozen. Ik draaide mijn hoofdkussen om en legde mijzelf te rusten. Dat had ik wel verdiend. Toen hoorde ik gekrabbel, en zag een dikke staart onder de gordijnen uit steken. Ik stond snel op om de logeerpoes te halen. Die had de rat immers ook het huis in gebracht, als een trofee, of een speeltje, schatte ik. De kat had zijn interesse in de rat verloren. Het nieuwe was ervan af. Hij wilde hem nog wel even achterna zitten, maar oppakken en mee naar buiten nemen, nee, dat niet. Voor mij zat er weinig anders op dan met een pan achter de indringer aan te gaan. Ik had inmiddels medelijden met de rat. Ten eerste had hij er niet voor gekozen om in mijn slaapkamer te zijn, tweedens had hij er niet voor gekozen als rat geboren te worden en kon hij er niets aan doen dat hij zo'n slechte reputatie had, enzovoorts, enzoverder, tot in de eeuwigheid amen, maar hij moest wel weg, en als hij daarbij kwam te overlijden, was dat pech. Maar zo makkelijk ging dat niet. Telkens als ik hem voor me had, en uithaalde, sloeg ik mis. Niet omdat hij zo snel was, maar omdat ik als jager slapstickachtig faalde. Uiteindelijk kreeg ik hem toch in de tang tussen mijn pan en een kaars, en slaagde er hem zodoende terug in de tuin te deponeren.

Iets te vieren

De vierjarige is eigenlijk te moe, maar we hebben iets te vieren, en dat doen we graag in Amsterdams grootste, plezierigste (vooral ook met kinderen, zolang ze althans niet op de vloer gaan liggen en obers over ze struikelen) restaurant: Café Restaurant Amsterdam, in een voormalige machinehal in de buurt van de Westergasfabriek. 'Misschien dat ze nog even in de auto op weg erheen haar ogen dichtdoet,' opper ik hoopvol, 'dan is ze daarna beter te genieten.'
Lieftallige knikt. Wat we vieren gaat over haar: gunstig medisch nieuws, dat een eind maakt aan zes weken onzekerheid, die voelden als zes maanden.
'Ik ben best blij dat ik niet doodga,' zegt ze opgeruimd.
'Ik ook. Ik ben ook blij dat jij niet doodgaat.'
Ik merk dat ik zwierig autorijd. Ik heb een paar glazen wijn achter de kiezen, maar het gaat goed, zoals het zo vaak goed gaat.
Op de ring belanden we in een file. Waarom ook niet thuis gebleven? verzucht ik in gedachten. Als kluizenaar ben ik niet gewend aan files en op weg naar een etentje kan ik ze nog minder hebben, maar zie, de file lost alweer op.
In de achteruitkijkspiegel bespeur ik dat mijn dochter haar ogen dicht heeft. Haar kopje hangt. Wonderlijk, dat ik uit zo'n aanblik nooit afleid dat ze misschien niet meer leeft.
'Welke afslag moet ik ook alweer hebben? Toch die van Ernstige Zaken?' Ernstige Zaken is de fotostudio waar ik lieftallige dikwijls heen heb gechauffeerd voor een fotoshoot, maar het laatste halfjaar of zo niet meer. Ik begrijp niet hoe dat komt; de vraag naar beeld lijkt me oneindig. Misschien zijn er teveel fotografen. Misschien is fotografie te toegankelijk geworden, en daardoor steeds minder waard.
'Ja, hier moet je eraf,' zegt ze, zonder haar ogen van haar telefoon te halen. Al bracht ze wijselijk zo min mogelijk mensen van haar medische status op de hoogte, nu zijn er toch veel mensen met wie ze haar nieuws moet delen. Goed nieuws laat zich goed delen – vooral als het jezelf betreft.
'Nu niet vergeten parkmobile aan te zetten,' zeg ik tegen mezelf als ik de auto parkeer. Vorige keer dat we hier waren, vergaten we dat, waardoor het etentje onnodig duur uitviel. Ik wil niet eens weten hoeveel geld ik jaarlijks over de balk smijt aan snelheidsovertredingen en parkeerboetes, maar het verklaart wellicht mede waarom ik nooit in luxe zal baden.
'Wat een stank,' mompel ik, terwijl ik de vierjarige, die langzaam, en gelukkig niet chagrijnig, ontwaakt, uit haar stoeltje til. Er hangt hier een weeë, penetrante afvalverwerkingslucht. 'Ja, stank,' zegt mijn dochter. 'Stank, stank.' Leuk woord om uit te spreken. Ze heeft trouwens ook een goede neus, is me opgevallen.
'Zij gaan vast naar Café Amsterdam,' zie ik een buurtbewoonster die bij haar fiets staat in de schemering denken met een mengsel van afgunst en afgrijzen.
Ik houd de deur open voor mijn gezin; in het kielzog besluiten ook wat rokers en andere gasten naar binnen te gaan. 'Dank u, meneer,' zegt een van hen, mild-spottend, 'aardig van u.' 'Aardig hè? Kom binnen.' Misschien moet ik een bijbaan zoeken in de portiersbusiness. Dagboek van een portier klinkt nog eens zo slecht nog niet.
Bij binnenkomst word ik zoals altijd getroffen door de grandeur van dit restaurant, die misschien nog het meest op de stationsrestauratie uit een negentiende-eeuwse droom lijkt. Een reusachtige kerstboom staat in de hoek. 'Ik ga even voelen of hij echt is,' zegt de achtjarige en hij rent erheen.
Hoewel zeer ruim, is dit restaurant toch sfeervol. Kinderen kunnen er vrijelijk ronddwalen, als door hun grootouderlijk huis, maar wanneer de vierjarige in haar eentje naar de toiletten gaat en dus enige minuten buiten bereik is, schiet het scenario door me heen dat iemand haar oppakt en meeneemt; ik maak een mentale notitie, misschien iets voor een kort verhaal. Die middag maakte ik ook al een mentale notitie toen ik in een openstaande afvalcontainer keek en dacht: precies groot genoeg voor een baby. Naargeestige verhalen.
Als ze weer aan tafel zit, eist de vierjarige dat ik de houten beugel bevestig van haar kinderstoeltje. Ik kan tegen haar slecht nee zeggen. Wat inhoudt dat ik continu op moet staan om haar te bevrijden en weer vast te zetten. Totdat ze zich gelukkig met de meegebrachte stiften stort op een kleurplaat. Opvoeden is 80 procent bezig houden.
'Eén flesje cola delen voor de kinderen?' stelt lieftallige voor.
'Ach, doe maar voor ieder een,' zeg ik, maar ik krijg spijt van mijn spilzucht als ik de kinderen niet zie eten van hun tomatensoep met brood, maar alleen aan hun rietje zuigen om zoveel mogelijk van dat dropachtige, koolzuur- en cafeïne-houdende goedje naar binnen te werken. Du moment dat ze even weg zijn, zet ik een van de halfvolle flesjes naast mijn stoel. Dat merkt de vierjarige later natuurlijk op, een protest-huilbui ten gevolge hebbend, maar dat niet alleen: ik stoot het flesje om met mijn schoen, mijn jaspanden hangen in de cola en het wordt een grote plak- en glijboel naast ons tafeltje. Ik heb medelijden met het jonge romantische duo aan het tafeltje naast ons dat van dit alles getuige moet zijn.
'Er zijn veel obers hier, maar toch nog niet genoeg,' klaag ik tegen lieftallige. We wachten al zolang op onze tweede glas wijn, dat het al niet meer hoeft. Daar staat tegenover dat de hoofdgerechten bijzonder rap op tafel kwamen – het voordeel van een fabriekskeuken.
'En ze zijn ook zo jong,' vult lieftallige aan. Inderdaad, het zijn amper studenten. Scholieren eerder.
Ik moet denken aan die zomerdag dertig jaar geleden dat ik op het terras van Café Esprit aan het Spui serveerde, aan het einde waarvan ik vriendelijk werd verzocht niet meer terug te komen (het overhemd mocht ik houden). 'Ik weet nog dat je als ober soms ook expres niet om je heen kijkt. Je wilt er niet nog een bestelling bij hebben.'
Tenslotte zie ik een ober met een dienblad met onze desserts uit de keuken komen, hij laadt de gerechten uit op het mobiele werkstation, waarvan er meerdere door het hele restaurant staan opgesteld. Naadloos pakt een collega de schaaltjes op en serveert ze uit. De sticky toffee cake is wederom niet te versmaden, zeker niet met een sauternes erbij.

Op zijn Zweeds

Claes Oldenburg: Knäckebröd (1966)

'Zullen we het op zijn Zweeds doen?'
'Als jij dat wilt.'
'Ja dus?'
'Misschien.'
'Misschien? Misschien kan ik niks mee. Word ik niet warm of koud van, laat staan daaronder. En trouwens, misschien is niet goed genoeg, misschien maakt mij nog steeds strafbaar. Een verkrachter, volgens de wet.'
'Niet mijn probleem.'
'Nee, jij hebt weer andere problemen.'
'Zoals?'
'Dat je nooit zin hebt, bijvoorbeeld.'
'Ik heb  w e l   zin! Hoe kom je daar nou weer bij? Ik heb  a l t i j d  zin!'
'Als jij altijd zin hebt, ben ik altijd vrolijk... Alleen als het je uitkomt heb je zin.'
'Ik spring niet meteen bovenop je, nee, dat is waar. Maar dat zou ik, als ik jou was, als een voordeel beschouwen.'
'Ik zou heel graag door jou besprongen willen worden.'
'Zonder toestemming?'
'Natuurlijk. Wat dacht je dan? "Mag ik je bespringen?" In drievoud? Op handgeschept papier? Met ellenlange disclaimer? Dan is de lol er toch vanaf?'
'Welke lol?'
'Van het bespringen. De lol van het bespringen bestaat voor 40 procent uit verrassen.'
'Twintig.'
'Dertig.'
'Oké, misschien vijfentwintig... '
'Dat is toch nog steeds significant?'
'Ik zit anders in elkaar, begrijp dat nou eens. Ik wil niet verrast worden. Ik wil  v o o r b e r e i d  worden,  i n g e l e i d , langzaam opgewarmd... met zoete lieve woordjes... vol instemming en toestemming...'
'Maar dat is toch een enorm cliché?'
'Nee, dat is biologie. En nieuwe wetgeving.'
'Oké, laten we dan maar naar Ikea gaan. Voor die €1 kerstboom.'
'We hebben al een kerstboom.'
'Voor de klerenhangers dan.'
'We hebben al klerenhangers. Maar we kunnen wel een nieuwe afwasborstel gebruiken.'
'En knäckebröd.'
'En knäckebröd.'
'Ik ben blij dat we het in elk geval daarover eens zijn.'
'Inderdaad.'
'Misschien dat we dan nog stiekem op de slaapafdeling...'
'NEE.'

De buurvrouw met de vinger

Roffel op de voordeur. De buurvrouw van ver weg staat voor me, de buurvrouw die geen moslima is (voorzover ik weet), maar toch een hoofddoekje draagt, in de stijl van de jaren vijftig/zestig, en die eigenlijk te ver weg woont om een buurvrouw te kunnen heten. Ze houdt haar gehandschoende hand omhoog. 'Wil je mijn fiets even op slot zetten, want dat lukt mij niet.' Ze knikt naar haar vinger.
'Gewond?'
'Ja.'
Nu herinner ik me dat ik haar vanochtend ook al zag, wachtend op haar fiets bij het kruispunt, de vinger met een pleister ostentatief de lucht in gestoken.
Nadat ze me heeft laten zien hoe ze met een vinger die het nog wel doet, het achterlichtje uitschakelt, dirigeert ze me met haar fiets naar een plek in het fietsenrek. 'Behalve dat ringslot heb ik nog een hangslot maar daar zit een sleutel in die er niet uitkan, dus of je dat hangslot zo op wilt hangen dat niemand ziet dat hij eigenlijk niet op slot zit... Nee, probeer die sleutel er maar niet uit te krijgen, want dat is nog niemand gelukt. Het is de verkeerde sleutel, zie je.'
Ik doe wat mij wordt opgedragen. 'Wat is er met je vinger gebeurd?' wil ik toch nog wel weten, al was het maar voor dit stukje. Ze vertelt, met half overslaande stem van opwinding, hoe haar vinger tussen de balkondeur kwam, zo'n plastic deur. Haar hand en haar hoofd zaten even niet op dezelfde golflengte, vandaar, ze opereerden onafhankelijk van elkaar, een duidelijk gebrek aan coördinatie kortom, en toen ging het dus mis.
Ik knik. 'Als ik nog iets kan doen voor je dan geef maar een gil.'
'Als mijn vinger genezen is, koop ik een bos bloemen voor je.'
'Dat is nou ook weer niet nodig,' mompel ik nog, maar ik denk niet dat ze me heeft gehoord.



Kerstverhaal #3

William F. Buckley interviewt Hefner in 1966. Let op het tongetje van Buckley.


Dit jaar schreef ik mijn derde kerstverhaal* en omdat de premisse niet van actualiteit was ontbloot (Hugh Hefner die op zijn sterfbed nog gauw tot de islam bekeert 'om geen maagd mis te lopen'), dacht ik: misschien heeft een krant of tijdschrift er wel belangstelling voor. Dat viel tegen. Het Parool, toch een krant die vorig jaar een kerstverhaal van James Worthy publiceerde, – een slecht kerstverhaal, maar toch – had er geen zin in. De Correspondent zei: wij houden ons bij de feiten. Maar  n a t u u r l i j k  hou je je bij de feiten, dacht ik, maar dat wil toch niet zeggen dat je af en toe (1 x per jaar!) je lezers mag tracteren op fictie? Het zou wat! Enfin, HP/de Tijd had er wel oren naar, maar The Post Online was net iets sneller. The Post wat? Is dat niet eh... een alt right website, een fabrikant van vreemdelingenhaat, een PVV-uithangbord, een gevaar m.a.w. voor de democracie? kneejerkten mijn politiek correcte vrienden (toegegeven, dat zijn er niet veel). Ik wist van nix. Het enige dat ik wist, was dat The Post Online vorig jaar de moeite had genomen Dagboek van een postbode serieus te bespreken (in plaats van een makkelijk intevjoetje met de auteur).
'Wat schuift zoiets,' wilde ik nog wel weten van de redactie (om de markt voor kerstverhalen niet te versjteren). Bert Brussen antwoordde dat hij helemaal geen budget had, maar dat ie voor mij wel een kleine uitzondering wou maken, mits ik mijn nota in het nieuwe jaar wilde sturen. Ik werd daar warm van. Net zo warm als ik hoop dat u wordt, lezer, van Hefs hiernamaals.

*dus het kan met recht een afwijking worden genoemd. Mijn eerste kerstverhaal, 'De Vlaamse Reus', over een dakloze die troost zoekt bij een groot konijn dat hij steelt uit de kinderboerderij, verscheen in Het Groot Kerstverhalen Boek. Vorig jaar was mijn kerstverhaal getiteld 'Heroïne', over een arts die bezoek krijgt van ongewenste vreemdelingen, en dat kwam uit in Playboy. Misschien dat mijn gedachten hierom iets langer verbleven bij de dood van de oprichter deszelven. Overigens was dat blad thans niet genegen tot publicatie van 'Hefs hiernamaals', evenmin als Esquire, dat tegenwoordig trouwens ook aan veilig bloot doet, maar dit terzijde.

Herdenken



In een handvol belendende kamers op de eerste verdieping van tHuis aan de Amstel, pal tegenover de adjunct ingenieurswoning waar 'ik als jongen van acht bij grootmoeder kwam', werd tante piano onder grote belangstelling herdacht – door haar kinderen en kleinkinderen vooral, maar ook door mijn vader en zijn enige nog levende zus (mijn laatste tante, trouwens).
Ik had nog nooit een achtentachtigjarige en een vijfentachtigjarige een drieëntachtigjarige horen herdenken. Dit ging als volgt: mijn tante stond op van haar stoel, begaf zich naar de microfoon en begon te lezen van een stuk papier. Vrijwel onmiddellijk werd ze onderbroken door mijn vader, die ook van zijn stoel opstond en zich richting microfoon haastte voor de nodige historische context. Toen liet mijn vader zijn zus weer even spreken, om vervolgens opnieuw in te breken in haar verhaal.
'Ze hebben zich heel slecht voorbereid!' siste iemand.
Iemand anders siste: 'Hij wil natuurlijk eerst, want hij is de oudste!'
Zoals wel meer vaders (I plead guilty; denk 'Nu nog even vragen van het bankje' uit De avonden), bewandelde mijn vader een pad dat hij al vaak had bewandeld, namelijk dat van de internering op Sumatra, waarbij het jonge gezin bruut werd verdeeld over mannen- en vrouwenkampen, naar hoe hij uiteindelijk als eerste, in zijn eentje, op het schip naar Nederland werd gezet.
'Gaat hij het nog over Marijke hebben?' siste weer iemand. Het antwoord was ja, maar het interessantste inzicht kwam van hun twintig jaar jongere broer (een 'naleg', zou je kunnen zeggen, van mijn grootouders, nadat ze waren geremigreerd uit Indië, en mijn jongste oom dus voor wie het nog kan volgen), die in zijn grafrede betoogde dat Marijke als enige rebels durfde te zijn, terwijl de rest vooral 'braaf' was – mijn vader incluis.
Naar huis fietsend vroeg ik me af in hoeverre ik de braafheid van mijn vader had geërfd.

Negentiende werkdag

Benieuwd of de elektrische deken die ik twee weken geleden inbracht bij de oud-bibliothecaresse haar kwaliteit van leven heeft opgeschroefd, zoals de bedoeling was, of toch de weg naar de hel heeft geplaveid, wat ook zomaar zou kunnen, en waaraan ik in gedachten al menig nachtmerriescenario heb gewijd. Als ik haar groet vraag ik of er recent nog iemand langs is geweest. Nee, zegt ze, verbaasd, hoezo? En hoe gaat het met de elektrische deken? Goed. Heel goed. Potje scrabbelen?
Typisch hoe het korte termijn geheugen van deze vrouw wordt gewist als krijt van een schoolbord, want even later komt de dienstdoende mantelzorger met de naam waar een hertachtige in is verwerkt terug van boodschappen doen, en zij weet te melden dat 'die deken van mij' naar de gallemiezen is. Iemand was zo schrander om hem onder in de stoel bij de kachel te plaatsen, waar hij vervolgens op de grond viel, tegen de kachel aan; tot overmaat van ramp (maar dit was eigenlijk een blessing in disguise) was 'mevrouw' de deur uitgegaan in haar verkeerde jas, waar dus geen huissleutel in zat. Welnu, het liep, zoals wel vaker gelukkig, af met een sisser. De deken belandde in de vuilnisbak, maar iemand heeft hem daar weer uitgevist. Tot zover de kwaliteit van leven.
HELDER legt de oud-bibliothecaresse, met de R op 3 x woordwaarde: 48 punten in totaal. Een mooi woord. Ze dreigt te gaan winnen, zoals vorige keer met dammen. Dan staat ze op, op zoek naar haar tabak, en laat ze een lange, reutelende ruft.
Ik kijk om me heen, naar het plafond, de muur, in geveinsde verbazing à la 'next week you'll hear doctor bob say'. Daar moet ze kort en hard om lachen.
'Stinken jouw scheten?' Ik tuur naar de letters op mijn balkje, waar ik tot dusver niet veel soeps uit heb weten te destilleren.
'Nee,' zegt ze, resoluut, haar shagje dichtlikkend. Voor zover ik kan nagaan heeft ze gelijk. Een van de voordelen van het vegetarisme.

Knippen met twintig scharen

Saro, onze knuffelkoerd, die zich sinds twee jaar Nederlander mag noemen, is een virtuoos visagist en haarkunstenaar, zoals op zijn Instagram-account te zien is, en in die laatste functie was hij gevraagd het gezin onder handen te nemen. De ooit door haar hartsvriendin gemaltraiteerde pony van de vierjarige werd gefatsoeneerd, en de achtjarige kon na zijn knipbeurt zo door naar Eton. Toen ik aan de beurt was, om mijn vogelnest te reduceren, gaf hij mij het Guinness Book of Records 2012 terug, dat ik hem kennelijk had uitgeleend. Zijn pogingen om de langste haar-extensie te creëren heeft hij opgegeven, maar nu stelt hij zich ten doel om het record knippen met de meeste scharen te breken. Dat staat op 16 scharen. Saro mikt op twintig. Om te laten zien dat het hem menens is, schuift hij alvast vier scharen over drie vingers en knipt in de lucht. Hij wil trouwens ook een YouTube celebrity worden. En hij is aardig op weg gezien de duizenden volgers die hij nu al heeft. 'De oprichter van Kentucky Fried Chicken begon ook klein, en hij was niet meer de jongste,' redeneert hij, in zijn, er is geen ander woord voor, charmante gebroken Nederlands. 'Toen Coca Cola op de markt kwam, wilde niemand het drinken, in het eerste jaar zijn er maar een twintig flessen verkocht of zo. En nu...' Hij wil maar zeggen. 'Alles is mogelijk,' voegt hij er nog, ten overvloede, aan toe. Ik knik. Als hij klaar is met me en de losse haartjes uit mijn oren stofzuigt, zegt hij: 'Iedereen zegt: je moet niet naast je schoenen lopen. Wat betekent dat eigenlijk?'

Kleine boom

'Nog even over de boom die jullie gaan kopen,' sprak lieftallige aan de ontbijttafel met gezag, als er iemand gezag heeft op dit vlak, dan zij, 'laten we dit jaar een –'
'K l e i n e   boom kopen!' gilde ik. 'Mijn idee!' Ik hamer al zolang ik kerstbomen koop op het belang van een kleine boom. Wie klein woont moet geen grote boom kopen. Die moet eigenlijk helemaal geen boom kopen, maar dat is onbespreekbaar, en bovendien, geen boom grenst aan kindermishandeling.
'Dat dacht ik ook. Een boom niet groter dan...'
'De vierjarige!' gilde ik nogmaals.
Lieftallige knikte. We waren het een keer eens over de grootte van de aan te schaffen boom. Dat mocht in de krant.
De vierjarige straalde. De achtjarige, die net zijn pannenkoek had weg gekauwd, verbleekte. Daarna trok hij een pruillip. Toen rolde, als kaarsvet in een overlopende kaars, een traan uit zijn ooghoek. Ik streelde hem zacht met de rug van mijn vingers over zijn wang, en bedacht hoe prachtig hij kon huilen.
'Maar...' protesteerde hij, 'dan kunnen de ballen er niet in!'
'Welke ballen?'
'Die mooie ballen!'
'Jawel,' suste lieftallige, 'die passen er prima in. Wacht maar.'
Die middag togen de achtjarige, de vierjarige en ikzelf door de natte sneeuw naar de hoek van de straat, om daar bij de bloemist, die voor de gelegenheid zijn baard had laten staan, een boom aan te schaffen. Hij had alleen maar bomen ter grootte van de achtjarige (of, als je de piek meerekende, van de vijftigjarige), dus die namen we, tot groot genoegen van de achtjarige. In deze boom, wist hij, zouden al zijn ballen een plaats krijgen.
'Timmer er maar een kruis onder,' zei ik tegen de zoon van de bloemist, die de helpende hand bood. Eerst boorde hij een gat in de versgezaagde stam, daarna zette hij er een houten X tegenaan, waarin al een ongeveer tien centimeter lange spijker zat, – hetgeen me nogal lang toescheen, maar ik heb er geen verstand van. Tenstlotte begon hij met een vierkante moker keihard op die lange spijker te beuken. Niet vier keer, maar veertig keer.
'Au,' zei ik voor de boom, met plaatsvervangende pijn.
Mijn achtjarige keek naar me op. Hij begreep me.

Enough about bitcoin, let's talk about bitcoin

'Laat mij maar betalen,' zei Nieuwe Vriend P. vannacht in het biercafé. 'In de tijd dat wij hier hebben gezeten zijn mijn bitcoins zevenhonderd euro meer waard geworden.' Hij keek op zijn iPhone. 'Achthonderd.'*
Ik liet hem betalen en voelde me opnieuw, of nog steeds, een greater fool. Hoe langer ik wachtte mijn zuurverdiende eurootjes om te zetten in bitcoins, hoe minder profijt ik zou trekken van de bitcoinbubbel, tenzij dit nog maar het begin is, en de koers, die nu rond de 15.000 ligt, exponentieel richting de 100.000 gaat – iets waarvan Nieuwe Vriend P. overtuigd is. 'Mijn broer zegt dat als dit zo doorgaat hij binnenkort met pensioen kan.'
'En dan? Wat gaat ie dan doen? Het probleem is dat er straks geen werk meer is. Voor niemand niet, nergens, nooit meer.' Ik nam een slok van mijn Brugse Zot.
Nieuwe Vriend P. had zijn eerste bitcoin-bijeenkomst in de Oosterkerk bijgewoond en sprak met nog meer vuur over zijn speeltje dan voorheen. Toen ik het woord 'pyramide-spel' liet vallen, reageerde hij als door een wesp gestoken. 'Alleen mensen die er niets van begrijpen denken dat het een pyramide-spel is.' Bij het woord 'bubbel' zei hij: 'Is het een bubbel? Huizen zijn een bubbel. Facebook is een bubbel. De vraag is dus eigenlijk: wat is géén bubbel?' En: 'We zitten midden in een revolutie. Bitcoin gaat de wereld overnemen. Het minen kost nu al meer energie dan heel Nieuw Zeeland verbruikt, maar over de impact die dat heeft op het milieu hoor je niemand... Trouwens, jouw gymnasiast heeft toch IOTA's gekocht? Die zijn met 400 % gestegen.'
'Ja, maar daarna, althans volgens mijn gymnasiast, heeft er een correctie plaatsgevonden.'
Die hele handel in bitcoins, IOTA's en andere cryptomunten begint op gokverslaving te lijken, en de community eromheen op een sekte. NVP was het niet helemaal met me oneens. 'Een vent in Griekenland die veel voor bitcoin heeft gedaan, schreef een verhaal op Reddit dat hij zo goed als blut was en dat hij zo dom was geweest niets in bitcoin te investeren. Toen een stel bitcoiners dit lazen hebben ze meteen een miljoen op zijn rekening gestort. Cool, toch?'
Bitcoiners willen van ouderwets geld af, ze willen van banken af, en, als ze toch bezig zijn, willen ze van overheden af. 'Anarchie!' riep NVP goedkeurend uit, nippend van zijn Charbon.
Ik had nog wel een puntje, zoals ik over alles wel een puntje heb, en mijn puntje hield uiteraard verband met het feit dat ik 0 bitcoins in mijn wallet heb zitten – ook al geef ik, zoals ik zelf graag volhoud, niks om geld. 'Is het niet pervers dat bitcoiners niet uitgepraat raken over de waardestijging van hun speeltje uitgedrukt in een munt die ze zeggen overbodig te willen maken?'
NVP knikte. Hij had alle argumenten al een keer gehoord. Mijn informatie was hopeloos verouderd. Ik speelde een achterhoedegevecht. 'Hard core bitcoiners en whales zijn er niet op uit om te cashen. Dat is veel te makkelijk... Lui als Bill Gates en Jeff Bezos zitten er mega in... De gebroeders Winklevoss, die claimen dat Mark Zuckerberg er met hun idee vandoor is gegaan, kunnen binnenkort Facebook terugkopen... Virtueel dan, hè?'
'Ja, behalve als de boel morgen, of vannacht nog, crasht omdat iemand de stekker eruit trekt.'
'Je kunt de stekker er niet uittrekken, want alles is gedecentraliseerd!'
We probeerden het over iets anders te hebben, maar het lukte niet.

*Een dag later is er van zijn 700/800 euro winst weinig meer over. Het lijkt nu meer op 2500 verlies. Virtueel dan hè?


De beschaving van een vierjarige

Vanochtend, bij het aankleden, houdt de vierjarige – vier jaar plus drie maanden oude, om precies te zijn – ineens haar handjes voor haar kruisje. 'Mag je niet zien, mijn poesje,' verklaart ze plechtig. 'Dat is mijn vagina.'
'Vulva zal je bedoelen,' zeg ik, in het midden van mijn ochtendgymnastiek.
'Vagina. Heb ik geleerd van Eva.'
Dit was nieuw voor mij. Dit gedrag bedoel ik, bij haar. Ze had het al eerder over haar vagina gehad, dankzij haar vriendin Eva, wier moeder ik verdenk van anatomisch correct-spreken (hoewel incorrect, want niet vagina maar vulva; de vagina blijft vooralsnog bij de meeste meisjes en vrouwen onzichtbaar, tenzij ze hun lippen uit elkaar houden).
Ik maak een mentale notitie: het begin van de beschaving. Van de schaamte. Van de cultuur. Beschaving en cultuur beginnen met het onderscheid maken tussen publiek en privé. Daarom hebben dieren geen cultuur. (Dieren kennen wel schaamte; schaamte, lieve lezers, is dus een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde voor beschaving).
De kortste definitie die ik ken van beschaving, ik geloof van socioloog Norbert Elias, luidt: het ophouden van de eigen behoefte. Het bedekken van de edele delen zal daarmee wellicht verband houden. Ik hecht ook wel aan tafelmanieren, trouwens.
Ik herinner me nu dat ik zelf ook met mijn handjes voor mijn kruis stond, in de gang van het huis waar ik ben geboren, voor mijn moeder (en ik geloof mijn zuster), die daar toen wel een beetje om moesten giechelen. Maar ik was toen volgens mij twee keer zo oud als mijn dochter nu. Betekent dat dat we beschaafder zijn geworden?

Tante piano in memoriam



Ik rouw om tante piano. Volgens mijn berekeningen de eerste Frölke in ruim twintig jaar die het loodje legt, de jongste zus van mijn vader: Marijke. Toen ze twee of drie jaar geleden een kamer in het Rosa Spierhuis kreeg, na tien jaar een prachtig maar onherbergzaam huis in de Hérault te hebben bewoond, nam ik me voor om haar op te gaan zoeken*. Niet alleen uit nieuwsgierigheid, omdat ik nog nooit in dat fameuze tehuis was geweest, maar ook omdat ik 'iets' met haar had. Ze was pianiste, om te beginnen (ik speel ook, een beetje; haar moeder en tante pianeerden trouwens eveneens, meer dan een beetje). Marijke liet me kennis maken (en de rest van de familie, vermoed ik) met Ivo Pogorelich, de jonge god die met Chopin aan de haal ging in de jaren tachtig. Dat maakte indruk. Maar zelf heb ik haar 'dus' nooit horen spelen. Er moeten musici zijn die niet gehoord willen worden, maar misschien hield ze de klep selectief dicht, hoewel mij überhaupt geen uitvoeringen van haar bekend zijn. Ieder mens is fundamenteel onkenbaar, maar volgens mij kampte ze met faalangst of overmatige zelfkritiek, hetgeen op hetzelfde neerkomt. Ze zeilde over de Egeïsche zee. Had een veel jongere vriend. Woonde jarenlang in een jaloersmakend pakhuis in de Jordaan, gevuld met vleugels, waar ze les gaf. Maar er was meer. Op onze Franse bruiloft hield ze zich als een van de enigen aan de dress code (hoedje), en overnachtte in de kasteeltuin in een tentje met de banier Vive les mariés, hoewel ze, als gescheiden, alleenstaande vrouw, waarschijnlijk een broertje dood had aan dat instituut. Ze lachte niet vaak, maar als ze lachte, schaterde ze. Ze had lak aan, nou ja, veel. Ze was vrij, vermoed ik.**

* Dat lukte uiteindelijk ook, maar toen lag ze te slapen.
** Marijkes herdenking.

Printer à €10

'Ik zie op Facebook een printer voorbijkomen voor €10,' zei lieftallige vanachter haar laptop. 'Doen?'
'Ja, doe maar,' had ik geantwoord, gedachteloos. Het was waar, we hadden een printer nodig, omdat de vorige printer een kadaverlucht verspreidde. Aanvankelijk had ik gedacht, niet voor het eerst trouwens, dat het tijdperk van het Paperless Office eindelijk was aangebroken, maar niet dus. Trouwens, een schrijver die verlangt naar het paperless tijdperk kan beter meteen in een kist gaan liggen.
'Je kunt hem nu ophalen op de Keizersgracht,' zei ze, een paar dagen later.
Ik sprong in mijn volvo, en bedacht onderweg dat het grensde aan waanzin om een printer te kopen à €10, en tevens, om er eentje à €10 te willen v e r k o p e n  – vooral als je woonachtig bent aan de Keizersgracht, trouwens.
Toen ik aanbelde kwam een kleine vrouw naar beneden met het apparaat. Een steenpuist van een ding. 'Doet hij het?' vroeg ik, omdat ik niets beters wist te vragen.
'Nee,' antwoordde de vrouw, ironisch kennelijk, maar ik kon er niet om lachen. Om er, niet geheel samenhangend, aan toe te voegen: 'Alleen de snoertjes zijn al €2,50 waard.' Ik denk dat zij ook niet wist wat te zeggen. Tijdens de overdracht van een printer à €10 is communicatie van ondergeschikt belang.
Thuisgekomen downloadde ik de laatste driver-software, sloot het ding aan, en... paper jam. Maar er zat geen papier in, ook niet vast, en volgens mij hield zich ook niet een klein knaagdier, of zijn stoffelijk overschot, verborgen in de machinerie.
'Zeg maar tegen die vrouw dat ie het niet doet,' zei ik tegen lieftallige, die de boodschap overbriefde. Retour kwam de mededeling dat de printer het bij haar wel deed, en dat ze hem heus wel weer terugnam, als ik hem langsbracht. 'Neem dan wel de goede mee,' grapte ze nog.
Tot twee keer toe meldde ik me, in de regen, op de Keizersgracht, tot twee keer toe gaf de verkoopster niet thuis. Uiteindelijk duwde ik snoertjes en manual en opstartschijf door de bus, en plaatste de printer pontificaal tegen haar voordeur, met een briefje erbij: 'Hier, je printer terug. €10,-!'
Hoofdschuddend over mijn eigen idiotie, en mijn nog te aardige boodschap op het briefje, aanvaardde ik, printerloos en €10 armer, de terugtocht.

Pistoolschot in de buik

Na vele hele en halve pogingen om Loving Vincent te gaan zien met mijn achtjarige, zitten we dan eindelijk in de bioscoop, op de tweede rij, als niet lang na de openingsbeelden ('Mooi geschilderd!') het woord zelfmoord valt. Ik had het me eigenlijk nog niet afgevraagd, maar zou dit de eerste keer zijn dat hij ervan hoort? Ik was enigszins voorbijgegaan aan dit biografische feit, zo onder de indruk als we waren geweest van de al die bewegende Van Gogh-achtige schilderijen. Dat andere biografische feit – schilder snijdt zijn oor af en geeft het aan zijn favoriete prostituée – is wellicht ook wat rauw, maar het is ook te bizar om lang bij stil te staan. Dat iemand, zo'n groot kunstenaar!, zichzelf in de buik schiet met een pistool, ja… daar heeft de achtjarige nog wel een vraag over. Hardop, in de bioscoopzaal. W a a r o m  doet hij dat, pappa? Ik mompel wat terug over ziekte en gekte. Later wordt in de film een variant op de vraag op forensisch-plastische wijze gesteld: als Van Gogh zichzelf wilde doden, waarom stak hij de loop van zijn pistool dan niet in de mond – de 'beproefde methode' –, om door het dak van het verhemelte zijn bewustzijn uit te schakelen? Het antwoord op die vraag: omdat hij het eigenlijk niet wilde, ligt zo voor de hand, zelfs voor een achtjarige, dat de filmmakers het vergeten te geven.

Achttiende werkdag

Er waren twee noviteiten gisteren bij de oud-bibliothecaresse in de Jordaan, en ik heb zelf gezorgd voor een derde. De vrouw met de krullen en de wonderlijke voornaam (waarin een hertachtige zat verwerkt; wie hem raadt maakt kans op een netje mandarijnen*), die deel uitmaakte van het nieuwe zorgteam, was de eerste noviteit. De tweede, dat zij met de oud-bibliothecaresse zat te dammen. 'Ik ga weer,' zei ik, maar de vrouw met de krullen zei dat haar dienst erop zat, en dat ik haar dampartij mocht overnemen. Zij – en daarmee ik, stond op verlies. 'Wil je van plek ruilen?' vroeg de oud-bibliothecaresse. Zo zeker was ze van haar winst. Toen ik dacht een goede zet te hebben gedaan, met meervoudige slagen, waardoor ik voorkwam dat ze een dam haalde, stond ze op en ging bij de kachel staan. Ik wist dat ze een koukleum was, en had deze wetenschap ook al gecombineerd met de dalende temperaturen, dus ik zei, out of the blue: 'Wil je een elektrische deken?' 'Een elektrische deken? Ja, die wil ik wel.' Ik belde de mentor, en die gaf me haar fiat, maar ze belde even later, toen ik al voor een vitrine met elektrische dekens in de Kijkshop stond, terug. 'Is het wel zo'n goed idee, gezien haar bedplassen? We willen niet dat ze geëlektrocuteerd wordt.' 'Nee,' zei ik. Ik googlede incontinentie en elektrische deken en zag dat het goed was. Vanmiddag even bellen om te vragen hoe het is bevallen, of ze hem überhaupt aan de praat heeft gekregen. Misschien heb ik haar onbewust nog een reden gegeven om in bed te blijven liggen.

 *Melande gokt Eelco. Hij is warm. Eelco's tweede gok: Elande. Nog warmer.

Tijl Uylenspiegel

Ik chauffeer mijn blinde buurman naar het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, waar hij voor de laatste keer bloed zal prikken. Het hoeft niet meer, omdat zijn behandeling voor longkanker erop zit. Hij is 'genezen' verklaard. Hij rookt ook weer – of eigenlijk, nog steeds. (Maar wel minder. Of althans, dat probeert hij.) Hij heeft ontzettende mazzel gehad dat de nivolumab bij hem wel aansloeg (en bijvoorbeeld bij Eberhard en Cruyff niet). Met zijn blindheid (veroorzaakt door een zeldzame ziekte) had hij weer wat minder mazzel.
We staan voor de receptie van de bloedafname en hij meldt trots dat hij voor het laatst bloed komt prikken.
'O, maar dat is prachtig nieuws,' zegt de receptioniste.
'Ja, ik ben net Tijl Uylenspiegel die op het koord danst,' kraait hij, waarop hij in een hoestbui uitbarst. Als die voorbij is, mompelt hij: 'Dat hoesten is niet zo mooi, maar goed.'
Ik gids hem naar bloedaftapbalie 6, hoewel dat niet nodig is, hij weet waar hij moet zijn, hij is er eerder geweest. Een besproette jonge vrouw van wie de kapotte spijkerbroekknieën onder haar witte jas uitpiepen, tapt vijf, zes buisjes bloed af. Het kleurt donkerbruin. Ik had het roder verwacht. 'Alle bloed heeft precies dezelfde kleur,' zegt de verpleegster.
Ieder mens is uniek, iedere tumor ook, lees ik als we weer naar buiten stiefelen op de muur in de gang van het ziekenhuis. Een weinig hoopgevende slogan. Er had ook bij mogen staan wat mij betreft, dat de oorlog tegen kanker soms op verrassende wijze wordt gewonnen.

IJzersponsje

Na afloop van Becoming, een moderne dansvoorstelling van Iván Pérez met elektronische muziek, of beter gezegd: een 'landschap van geluid', liep ik naar het tafeltje vol apparatuur van waarachter Rutger Zuydervelt (Machinefabriek) dat landschap had voortgebracht. Tot mijn verbazing trof ik op zijn tafeltje geen laptops, iPad etc. aan, maar diverse cassettebandjes en een transistorradiootje (en natuurlijk ook allerlei panelen met schuiven en knoppen, want daar had ik hem aan zien schuiven en draaien tijdens de voorstelling). Ik stond daar nog geen tien seconden of Zuydervelt kwam zelf aangelopen, vanuit de kleedkamers, alsof hij voorvoelde dat er nog vragen waren. En niet alleen van mij. Er had zich een groepje mensen verzameld rond zijn intrigerende electronica-opstelling. 'Er ging van alles fout,' verontschuldigde hij zich, maar dat hadden wij onmogelijk kunnen opmerken, want hij 'plays to tape', zoals hij uitlegde, en wij wisten niet wat er op die tape stond of wat hij daaraan toe had moeten voegen. Mij deed zijn uur durende compositie af en toe prettig denken aan Mogwai, maar soms deed hij ook minder prettig een schepje bovenop mijn tinnitus, (maar dat had Zuydervelt niet kunnen weten). De drie dansers in de voor de rest lege zaal boden, en kregen, weinig aanknopingspunten. Improvisatie maakt een voorstelling spannender maar ook kwetsbaarder. Het geluid kwam in golven en de dans kwam in golven en soms kwamen ze samen. Ik wees op een ijzersponsje dat op een ijzeren plankje lag, met nog wat ijzeren staafjes erbij, die op antennes leken, en vroeg: 'Hoe werkt dat?' 'O,' zei de Geräuschmacher verontschuldigend, 'als je dat een beetje zo op en neer wrijft, krijg je gekraak en geschuur. Werkt heel goed. Lekker goedkoop ook.'

Lieve porno

Al een tijdje probeerde ik de 'vieze films' bij de VPRO te streamen, maar dat kan, ter bescherming van de tere kinderziel, alleen na 22.00 (hoe doen ze dat?), maar dan slaap ik de slaap der rechtvaardigen. Gisteravond lukte het dan eindelijk toch. Gelukkig waren het korte filmpjes, maar dat was dan ook, afgezien van onbedekte lichaamsdelen en kortcyclische bewegingen, de enige overeenkomst met porno. Want deze filmpjes waren lief. In het eerste, MF, deden ze het in het maïsveld, in het tweede filmpje, Interracial, deden ze het in het donker, en in het derde, GAY, deden ze het bij een meertje. Nu heb ik niets tegen lief, integendeel, maar liefde gaat niet goed samen met porno. Liefde introduceren in porno is zoiets als marktkooplui introduceren bij de Bijenkorf (misschien andersom). Zou het niet toch iets met schaamte te maken hebben, dat zelfs de VPRO, in 2017, niet all the way durft te gaan? Geen schaamte voor seks, nee dat niet, Ari Deelder, die het liefste filmpje maakte, verklaarde ook niets tegen seks te hebben – wel tegen porno, hetgeen bij mij de vraag deed rijzen: waarom wordt een regisseur die niets met porno heeft gevraagd een 'porno' te maken? Rudy Kousbroek schreef jaren geleden eens dat het probleem met porno niet de daad is, maar de afstotende lelijkheid waarmee die wordt vormgegeven, maar volgens mij was ook bij hem de schaamte er toch via de achterdeur in gekropen. Echt vieze filmpjes zijn, nou ja, vies. Enigszins verontrustend, weerzinwekkend zelfs. Wie zijn fantasie gebruikt, of wat rondklikt op zijn favoriete site, weet wat ik bedoel. Het fascinerende is dat wat in onopgewonden staat weerzinwekkend is, in opgewonden staat, nou ja, geil kan worden. 'Kom je nog naar bed,' vroeg lieftallige gisteravond. 'Ik moet nog even deze gay neukscene afkijken,' zei ik vanaf de bank. 'Van wie?' 'Van de VPRO.' En inderdaad, het was leerzaam. Educatief wellicht. Waarvoor dank. Maar porno was het niet.

De jas van buurman Jan

'Viktor, ik heb nog een jas,' zegt buurman Jan, niet voor het eerst. 'Neckermann.' Hij had, de schat, al diverse malen gewag gemaakt van een jas die hij nog had, Neckermann, en die volgens hem voor mij uiterst geschikt was. Ik heb geen jas nodig, en ik twijfelde aan de geschiktheid voor mij van zijn Neckermann-jas, maar hoe maak je zoiets beleefd duidelijk? Dat kan niet. Dus ik bel aan bij buurman Jan, die, moet ik er denk ik wel bij vermelden, in de zeventig is, sinds zeven jaar weduwnaar en een tevreden roker bovendien.
'Viktor, kom binnen. Koffie?'
Ik wil eigenlijk geen koffie. 'Ja, graag.'
De buurman verdwijnt in de keuken om koffie te zetten. De jas hangt in de gang. Hij is niet te missen. Hij hangt aan een hanger, met een plasticje om zijn schouders. Het is een lange, donkere jas. Een ouderwetse jas. Aardiger is het om te zeggen: een klassieke jas.
Buurman Jan haalt het plasticje van de schouders en geeft mij de jas. Ik trek hem aan. Hij zit mij als gegoten. Eindelijk een heertje, of zo. 'Er zit een split aan de achterkant. Dat is handig, want dan kun je er ook mee op de fiets.'
Society Shop zie ik in de voering staan , maar buurman Jan herhaalt: 'Neckermann' en ik corrigeer hem niet. Schuldgevoel maakt zich van mij meester. 'Hoe kom je aan die jas?'
'Heeft mijn vrouw gekocht. Maar mij past hij niet. Te groot.'
'En je zoon?'
'Die heeft mijn schouders.'
'Je hebt hem al die jaren hangen en toen dacht je: misschien iets voor mij?'
Hij knikt. Straalt. 'Ik heb hem nog laten stomen.'
Ik trek de jas weer uit. 'Moet je er wat voor hebben?'
Jan schudt hevig zijn hoofd, gebaart naar de zitkamer, waar de televisie aanstaat op formule 1, zonder geluid, hetgeen mij de beste manier lijkt om formule 1 te kijken.
We kletsen wat, maar ik wil eigenlijk naar huis. Dus als hij een nieuwe sigaret draait, loop ik naar de keuken met mijn koffie, giet de koffie in de gootsteen en zeg: 'Ik moet gaan.'
Thuisgekomen incasseer ik bewondering alom voor mijn klassieke, perfect passende jas, behalve van de vierjarige, die haar neus in de wol steekt en zegt: 'Je stinkt.'

Rode vlaggen

Nieuwe Vriend P. heeft een nieuwe, lees: veertien jaar oude auto op het oog bij een tweedehandsdealer in het Gooi. Of ik zin heb om mee te gaan. Later denk ik: hij heeft een chauffeur nodig, maar ook: een tweedehandsdealer in het Gooi? Anytime.
Op weg erheen, het zonlicht schittert over de weilanden, vertelt P. dat hij telefonisch had gevraagd of het mogelijk was een aankoopkeuring te laten doen. Daar had de dealer nogal onwelwillend op gereageerd. Eerste rode vlag, maar je kunt je vergissen.
We lopen door de showroom die vier keer zo groot lijkt vanwege de spiegels rondom. De dealer is nergens te bekennen. Wel een man die bezig is een auto te stofzuigen. We kijken naar een glimmende Jaguar voor nog geen 4000 euro. Dat is niet veel voor een glimmende Jaguar, maar als het geen goede Jaguar is, is het weer  w e l  veel.
De man stopt met stofzuigen, haalt een ring tevoorschijn tjokvol autosleutels en neemt ons mee naar een belendende garage. Daar staat de Saab op gas uit 2003 voor minder dan 3 mille waar P. zijn oog op heeft laten vallen. Hij is nog nat van het wassen. Een mooie auto, maar is hij ook goed?
P. start hem, ik ga achterin zitten en probeer alle knopjes. 'De stoelverwarming achter werkt!' kraai ik, als een klein kind. 'Maar een van de lichtschakelaars is lam.'
'De koplampen flikkeren als je ze aandoet,' ziet P. in de auto voor hem. 'Soort disco lights. Heel raar.'
Dan komt de dealer, een grote, ongeschoren vent, gekleed in een krap zittend jack. P. doet de motor uit, dat werd ook tijd, ik had niet zo'n zin te worden vergast.
'Je mag alleen een proefrit maken als we het eens worden over de prijs,' zegt de dealer. Tweede rode vlag.
P. protesteert dat hij juist een proefrit wil maken om te kijken of de Saab die prijs waard is.
'Ik ga hier niet de hele tijd groene kaarten uitlenen aan mensen om ze dan, als ze terugkomen, te horen zeggen: we zien ervan af, er zit een kras op de bumper.'
De dealer blijft tijdens het gesprek, als een roestige versnellingsbak, weinig soepel schakelen tussen vriendelijk en onvriendelijk.
Uiteindelijk neemt hij plaats achter het stuur en start de auto. Als hij de koplampen aandoet, klinkt er een hard kloppend geluid. Hij zet de auto meteen weer uit.
'Lastig beroep, tweedehandsautoverkoper,' zeg ik, op de terugweg.
P.: 'Zeker, maar de strategie van deze man werkt in elk geval n i e t .'



Kleine komedie

Omdat mijn verlangen op te gaan in de boeventronie van Dimitri Verhulst eindig is, en uit verkeerde zuinigheid, kocht ik enkele weken voor de voorstelling 'Godverdomse dagen op een godverdomse bol' met en door Corrie van Binsbergen c.s. in de Kleine Komedie, het allergoedkoopste kaartje.
'Slecht zicht' stond er nog bij, maar ik dacht dat dat wel zou meevallen. En anders was het niet zo erg. Het viel ook mee, daar op het tweede balkon helemaal rechts, en nogmaals, mijn goesting naar Verhulsts smoelwerk kent haar grenzen, maar er was nog een probleem.
Ik zat daar, in mijn eentje, totaal voor lul.
Mensen wezen omhoog en opzij, begonnen met hun telefoon foto's te maken. Verdomd, daarboven zit nog iemand! Moet je kijken, daar in het schellinkje, un enfant du paradis!
Of het plaatsvervangende schaamte was, een brandvoorschrift, of welwillendheid weet ik niet, maar nog voor de voorstelling begon kwam een allervriendelijkste plaatswijzer me weghalen en dirigeerde me naar een leeg gebleven plek vlak voor het podium.
In korte tijd was ik van de allerslechtste naar de allerbeste plek verhuisd. Zonder ervoor te hoeven betalen. Of ik nu wilde of niet, ik kreeg de volle lading.

Pulitzer

Het is zondagochtend. Ik zit op een krukje voor mijn ouders, die pontificaal op twee fauteuils zijn geplaceerd in de lounge van het Pulitzer Hotel, waar ze de nacht hebben doorgebracht op uitnodiging van Broer de Miljonair, die recent een appartementje op de kop heeft getikt om de hoek.
'En,' vraagt mijn moeder, 'heb je goed geslapen?'
'Nee,' zeg ik. Daaraan is niets gelogen.
'Ik ook niet,' zegt mijn moeder, opnieuw hoofdschuddend over de kamer in het Pulitzer. 'Bespottelijk! Weet je wat de duurste kamer hier kost?'
'Duizend euro?'
'Vijftienhonderd. Ik heb het zelf gevraagd. En weet je wat je dan krijgt? Een eigen opgang vanaf de Keizersgracht...'
'...ok´, dat kan prettig zijn...'
'En kunst aan de muur. Kunst! Voor 1500 euro!'
'Wat voor kunst? Mag je mee naar huis nemen?'
Ze hoort me niet meer. Morele verontwaardiging is niet bevorderlijk voor de communicatie.
Ik moet toegeven dat ik vijftienhonderd euro wat aan de hoge kant vind, per overnachting. Aan de andere kant, er zijn ongetwijfeld duurdere hotels in Amsterdam. Dat wil mijn moeder best geloven.
'En wie zijn al die mensen?' wijst ze om zich heen in de drukke lounge. 'Ze zien er niet heel erg, nou ja, wat zal ik zeggen...'
'Toeristen,' opper ik.
'Toeristen?'
'Amsterdam wordt gezien als een prime destination in de toeristenbrans.'
Mijn moeder schudt opnieuw, of nog steeds, haar hoofd.
Mijn vader kent de waarde van de stad, maar hij zal blij zijn als hij weer thuis is.

Veiligheidsactie

De dienstdoende reparateur voor onze dysfunctionele oven, een man van in de veertig met een oorringetje, huppelde opgewekt met twee kunststof koffers het huis binnen. Ik had niet zo veel reden tot opgewektheid. Ik dacht aan de voorrijkosten.
'Wat is het probleem: de koppeling, of de verwarmingselementen?' vroeg hij, een blik werpend op het apparaat, dat ik voor zijn komst braaf had schoongemaakt.
Ik wist niks van een koppeling. 'Hij verwarmt slecht,' zei ik. 'Maar hij is dan ook al tien jaar oud en wordt intensief gebruikt.'
De reparateur dook in de oven en meldde even later, nog steeds opgewekt, dat een van de elementen was ontploft, hetgeen de gebrekkige verwarming verklaarde, en dat de reparatie daarvan ongeveer even duur was als een nieuwe oven. Dat was het slechte nieuws, dat ik ook al min of meer had verwacht. Het goede nieuws was dat hij de gaskoppeling ging vervangen in het kader van een wereldwijde veiligheidsactie van de fabrikant, die op radio televisie en in kranten was wereldkundig gemaakt maar waarvan wij niets wisten, om explosiegevaar tegen te gaan, en dat in het kader hiervan de voorrijkosten kwamen te vervallen.
'Het gaat om een hele kleine kans,' zei hij, nog altijd opgewekt. 'Als het je overkwam dat je oven ontplofte zou je meteen een staatslot moeten kopen, want daarmee win je dan geheid.'

Aanzoek (roddel)

Zodra je me too of I have aan de koffietafel laat vallen, komt het gesprek pas goed op gang. Ongepast seksueel gedrag: echt een conversation starter.
'Ken je dat verhaal al van Dieter van Zwanenburg?'
'Nee, wat is er met Dieter van Zwanenburg? Dat is toch die vent van dat ene liedje, kom hoe heet het ook alweer?'
'Die ja. Nou, die zag eens in een café een bekoorlijke jongedame staan voor de toog, die haar handen ontspannen achter haar rug hield, zo losjes in elkaar gevouwen, met de handpalm naar buiten, en weet je wat die Dieter van Zwanenburg toen gedaan heeft?'
'Nee. Vertel me wat Dieter van Zwanenburg toen gedaan heeft.'
'Hij is achter die bekoorlijke jongedame gaan staan, heeft zijn lid uit zijn broek gehaald en heeft hem zo bij haar in de handen gedrukt.'
'Ook een manier.'
'Ik zou bang zijn voor scherpe nagels. Je moet er toch niet aan denken dat zo'n bekoorlijke jongedame haar nagels in je lid zet. Of in je balzak.'
'Was ie hard, Dieter van Zwanenburg?'
'Hoezo?'
'Nou ja, het lijkt me voor een bekoorlijke jongedame aan de ene kant een nadeel om een harde Dieter van Zwanenburg achter je te hebben staan, maar aan de andere kant is het misschien ook een belediging om een zachte Dieter van Zwanenburg achter je aan te treffen.'
'Geen idee. Maar weet je wat het mooie is: ze zijn dus wel met elkaar getrouwd, die twee.'
'Het was dus een huwelijksaanzoek.'
'Zo zou je het kunnen zien.'
'Romantisch.'

Spinnen en sadisme

Eigenlijk had ik een hagiografisch katten-stukje willen schrijven, zo'n irritant kattenstukje waarin de schrijver en lezer een complot aangaan waarin alleen katten er zogenaamd toe doen. De aanleiding was het spinnen van onze logeerpoes. Dat doet hij nogal vaak en het blijft een nogal vreemd geluid. Eigenlijk wilde ik het daar ook niet over hebben, maar over ronronner, de prachtige onomatopee voor spinnen die de Fransen hebben bedacht. (In het Nederlands zou spinnen een accuratere beschrijving van het geluid kunnen zijn, ware het niet dat niemand meer weet hoe een spinnewiel klinkt.) Ik ging me afvragen of er nog meer mooie onomatopeeën waren (in het Noors bijvoorbeeld), maar ik heb geen zin om te googelen of mijn schoonmoeder lastig te vallen. Bovendien eist ander kattengedrag mijn aandacht op: sadisme. Een keer trof ik de huispoes aan in de gang jonglerend met een halfdode muis. Hij lag op zijn rug, de poes, terwijl hij de halfdode muis, versuft, nauwelijks in staat nog enige overlevingsdrang te tonen, met zijn klauwtjes in de lucht hield. Heel knap inderdaad, maar mag het misschien ook ietsjes minder wreed? Vanochtend was het weer raak. De vierjarige was van streek omdat ze logeerpoes met muis in bek door de kamer zag banjeren. Ik heb de laatsten met succes naar buiten gejaagd, want hoe je het ook wendt of keert, beesten horen buiten. Een uur later was hij nog niet klaar. Het weerloze schepsel bibberde en zijn vacht was doorweekt. Zijn gepiep ging door merg en been. De angst van de muis deed me denken aan die van een gemartelde gevangene. Ik heb hem tenslotte met stoffer en blik opgeraapt en hem aan gene zijde van de schutting aan een nieuw hoofdstuk in zijn leven laten beginnen.

Verstoring

Gisteravond, bij de monoloog Montyn die acteur Yorick Zwart hield in Saskia's Huiskamer, waar we op uitnodiging van Jans weduwe, Hi-en, samen waren gekomen, werden we opeens ruw gestoord in ons semi-geheime samenzijn. Terwijl we met een man of dertig, gezeten aan een lange tafel, aandachtig luisterden naar Yoricks theatrale versie van Montyns nog altijd krankzinnige verhaal, geënt op Dirk Ayelt Kooimans gelijknamige roman, klonk er gelal vanaf de Albert Cuyp. Een stel gabbertjes, zag ik door het grote vensterraam, was doende met een brommer op de stoep, ginnegappend, stoned of dronken. Ze leken niet van plan weg te gaan, omdat er toevallig daarbinnen iets gaande was dat stilte vereiste. Ik stoorde me niet alleen aan hun geluid, ik stoorde me ook aan hun moedwil en daar ging het fout. Ik dacht aan een uitspraak van Yorick/Montyn, dat van alle ontberingen afstomping en onverschilligheid de ergste zijn. Toen is er kennelijk een stofje in mijn hersenen aangemaakt, dat een serie pulsjes in gang zette, waardoor ik opstond van mijn stoel, zachtjes de deur opende naar de straat en siste of het wat zachter kon. 'We zijn hier bezig.' Ik sloot de deur en ging weer zitten. Of mijn actie het gewenste doel had bereikt, werd niet lang daarna duidelijk. 'O, we moeten weer stil zijn ha ha!' brulde een van de jongens door het raam naar de zwijgende menigte. 'Voor een of andere vergadering. Boeien!'

Zeventiende werkdag

De oud-bibliothecaresse zit voorovergebogen bij de kachel, alsof ze haar veters strikt. Ik overhandig haar een brief uit Canada die ik van de deurmat heb geraapt. 'Mooi dat je nog brieven krijgt. Ik krijg nooit brieven.'
'Zal ik jou eens een brief schrijven?'
'Graag.'
Ze had me bij binnenkomst niet herkend, maar nu is ze weer bij. 'Wat ben je vrolijk,' zegt ze.
'Somberheid brengt een mens ook niet veel verder,' riposteer ik.
Dat kan ze beamen.
Als ik in de keuken een peer klaarmaak, zegt ze vanuit haar leunstoel: 'Viktor, ik hou veel van je.'
Ik overhandig haar bordje en zeg dat ik ook van haar hou. 'Ik kom hier niet omdat het moet,' voeg ik er nog aan toe, hetgeen eigenlijk weer iets afdoet aan mijn liefdesverklaring.
'O, een peer, in stukjes, met een vorkje erbij, wat heerlijk,' zegt ze. En: 'Die peer is perfect rijp. Verrukkelijk.'
'Er schijnen vierhonderd perensoorten te zijn,' zeg ik vanuit de keuken, want ze wil ook nog een eitje, 'en ik ken er maar twee.'
'Jodenman,' mompelt de oud-bibliothecaresse.
Nooit van gehoord.
Als we uitgekoffied zijn vraag ik: 'Vind je het goed dat ik op zolder nog wat ga werken en dan later weer wat koffie zet?'
'Ik vind alles goed wat jij doet.'
'Dat is liefde.'
Ze straalt.
Als ik weer beneden kom, is er een pianoconcert van Rachmaninov op de radio. Dat hele romantische, uit Brief encounter.
'Hou je van romantisch,' vraagt de oud-bibliothecaresse, met ogen waarin toch wel een zeker verlangen valt te bespeuren.
'Soms,' red ik me uit de situatie, zonder te hoeven liegen.
Als ik aankondig dat ik alweer moet gaan om de kinderen van school te halen, zegt ze: 'Ik wou nooit kinderen.'
'Omdat je dat zo'n gedoe vond?'
Ze knikt. 'Dan weer is er een ziek, dan weer dit dan weer dat.'
Nu knik ik.
Later dringt het besef tot me door dat niet het gebrek aan een geliefde de oorzaak vormt van haar kinderloosheid, maar juist andersom.

De verkeerde brug



Is dat het hoogste voor een mens, een brug naar zich vernoemd te krijgen? Denkelijk niet. Maar een vliegveld of stadion is niet voor een schrijver weggelegd. Niet in dit land, waar schrijvers ongeveer gelijk staan aan glazenwassers.
Goed, bruggen dus. Er zijn nieuwe benoemd in Amsterdam.
W.F. Hermans heeft een lullige loopplank gekregen op de Oosterdokseiland naar een naamloze drijvende wandelstrook. Dat was niet meer dan logisch, want de Willem Frederik Hermansstraat – een tochtige steeg naar nergens – ligt in het verlengde.
Het is ook nooit goed. Nee, het is ook nooit goed! Behalve natuurlijk in het geval van de Nesciobrug, die zo poëtisch, en alleen voor voetgangers, fietsers en de sporadische brommerende aso, over het Amsterdam-Rijnkanaal slingert.
Goed, de nieuwe Gerard Reve-brug dan. Ik passeerde hem gisteren bij toeval. Was ik geschokt? Nee. Was ik teleurgesteld? Nee. (Ja, natuurlijk.) Maar ik was vooral verbaasd, dat de bruggenbenoemingscommissie  w e l  de goede kade had weten uit te kiezen – de Josef Israëlskade, lees Schilderskade, waar de Volksschrijver op de hoek van de Diamantstraat van een De Avonden-fanclub een smaakvolle plaquette op de muur heeft gekregen met 'Frits van Egters' erop –, maar dan alsnog de verkeerde brug neemt.
Want waarom niet gekozen voor de dichtstbijzijnde brug (gemeten vanaf 'Schilderskade 66'), die, dat komt goed uit, tevens de mooiste brug is over het Amstelkanaal, enige jaren geleden helemaal gerestaureerd in oude, Amsterdamse school-glorie?
Welnu, die heeft al een naam: de Pieter Kramerbrug. What the? Dat P.L. Kramer de architect is van die brug, hoeft toch niet te betekenen dat hij die naam ook draagt?
Dus, geachte bruggennamencommissie, schroef dat bordje, dat trouwens iets te eenvoudig te bekrassen is door hangjeugd (hoewel dat ook weer revisties kan worden uitgelegd) van brug 403, en laat een kunstenaar de volgende belettering maken voor de P.L. Kramerbrug: 'Gerard Revebrug. Ontworpen door P.L. Kramer.'
Dat Reve een hekel had aan Hildo Krop moet maar even voor lief worden genomen, en is, gezien de snoezige zeehondjes met 'wrede' staartjes die Krop bovenop de Pieter Kramer brug heeft gebeeldhouwd, ook eigenlijk onterecht.

Essay

'Ik heb zin om een essay te schrijven over vrouwelijke hypocrisie,' zeg ik tegen lieftallige aan de borreltafel, na de zoveelste 'ontmaskering' van iemand die ik ken wegens seksuele intimidatie. 'Of beter: een essay over seksueel opportunisme. Het meten met twee maten. Aan de ene kant begeerd willen worden en dan, als een man denkt te kunnen handelen naar zijn begeerte, hem toebijten: blijf met je gore rotpoten van me af engerd of ik klaag je aan wegens aanranding. Zoiets.'
'Daar ga je geen vrienden mee maken,' reageert lieftallige. 'Iedereen die het opneemt voor de dader, maakt zichzelf medeplichtig.'
En dat is niet het enige probleempje met mijn theorie: de tsunami aan publieke aantijgingen en bekentenissen gaat voorbij het moeizame spel tussen man en vrouw, het gaat om machtsmisbruik – maar een man misbruikt per definitie zijn macht omdat hij fysiek sterker is. Echter, hoelang nog? Het wachten is op een vrouwelijke dader, een beetje naar het voorbeeld van 'Disclosure', dat verhaal van Michael Crichton, over die man die gechanteerd werd door zijn vrouwelijke superieur, maar alweer met de dreiging naar buiten te komen met een beschuldiging van seksuele intimidatie – wat toch weer een zwaktebod is.
Ik hoop dat Michael Haneke een film maakt over een man die op een geloofwaardige manier wordt verkracht door een vrouw, en dan niet geestelijk, maar in den vleze. Die zou ik wel willen zien.

Ontwijking

Uit het belastingparadijs

Zesentwintig jaar geleden publiceerde ik mijn eerste stukje zelfgemaakte journalistiek voor de Economieredactie van NRC Handelsblad onder chef Jurriaan Kamp. Onderwerp: de nieuwste trucs voor bedrijven om belasting te ontwijken. Gesponsord door Deloitte (en toen nog) Touche. Het kwam erop neer dat ik, nitwit op het gebied van fiscale shit, een glanzende presentatie van de nieuwe CD-rom bijwoonde op een kantoor van Deloitte (in Rotterdam), waarop in voor iedereen begrijpelijke taal werd uitgelegd hoe je als bedrijf zo min mogelijk belasting hoefde te betalen, door de verschillende BV's in je holding op vernuftige wijze onder te brengen in landen met lage belastingen voor die specifieke bedrijfsactiviteit. Ik zie de kerstboom nog voor me, die je volgens de fiscalisten van Deloitte voor dit doel speciaal kon optuigen. Ze noemden het natuurlijk ook geen belastingontwijking, maar fiscaal management (of zoiets).
Ik moest aan deze jeugdzonde terugdenken toen ik me probeerde te verdiepen in de Paradise Papers, een mooi staaltje onderzoeksjournalistiek waarvoor ik geloof de Süddeutsche Zeitung de meeste credits verdient. (Hier leggen ze uit dat het nog helemaal niet zo eenvoudig is om van de Paradise Pap. chocola te maken.)
Dat Nederland zelf een Steueroase is, om met de SDZ te spreken, waar Apple en Nike en nog veel meer bedrijven, dankbaar gebruik van maken, en, laten we niet vergeten, een heleboel vermogende Nederlanders, wisten we natuurlijk al lang, maar het blijft een onderwerp waaraan nog wel het een en ander te onderzoeken valt, lijkt me. (Niet door mij overigens, want ik ben daar te oud voor.)

Rood

Mark Rothko, Untitled


Een jonge vrouw zat voor me en bloosde, van oor tot oor en kin tot haargrens, echt haar hele gezicht werd rood, en, dit was ook gek, ze liet haar roodheid rustig van alle kanten bekijken. Eerst was ik verbaasd, en daarna gecharmeerd, van deze onwillekeurige bloed-tentoonstelling. Het was alweer een tijdje geleden dat ik iemand zo zag blozen. Als ik aan blozen denk, denk ik dikwijls aan H.J.A. Hoflands stelling, jaren geleden in een column geponeerd, dat we in 'bloosloze' tijden leven. (Hofland heeft dus nog niet helemaal gelijk gekregen.) Maar misschien wordt er minder gebloosd dan vroeger omdat we, nou ja, allemaal wat minder verlegen zijn geworden, assertiever, expressiever (ja, wijt het maar weer aan de social media). Dat lijkt me moeilijk meetbaar en eigenlijk ook onwaarschijnlijk. Zoveel veranderen we niet, biologisch gezien. De functie van blozen is nog altijd onduidelijk – volgens Frans de Waal wijst dit op een gat in het darwinisme. Ja, het zal met schaamte te maken hebben. De blozende geeft aan zich iets gelegen te laten liggen aan de reactie van degene voor hem/haar op iets dat net is gezegd of gedaan. Dat haal je de koekoek. Maar waarom? Dat maakt de blozende toch alleen maar kwetsbaarder? Of is dit gedrag een onmiddellijke poging tot verzoening? Blozen fascineert me omdat het een exponent is van ons oeroude dier-zijn, terwijl het alleen schijnt voor te komen bij mensen. Ik heb mezelf nooit zien blozen, bezit er ook geen selfie van, maar ik weet zeker dat ik het doe; althans, de plotselinge, niet te stoppen rush naar het gezicht, het warm worden van het gelaat in schaamtevolle situaties ken ik maar al te goed. Alleen valt het bij mij minder op, omdat ik al rood ben van mezelf.

De ontdekking van de hemel




Stelt u zich een sfeervolle, klassieke boekhandel voor in het oude centrum van een Gooische groeigemeente met in de etalage, jawel, niet alleen uw vrijwel gansche oeuvre, maar ook, en dit ontroerde me, op het verhaal van uw zojuist verschenen roman toegespitste parafernalia, zoals rokkostuums, en een fles sterke drank.
Binnen treft u goed gesorteerde boekenkasten aan, een heel persoonlijke keuze van cd's en dvd's, en pakweg twee dozijn stoelen bezet met geïnteresseerde mensen opgesteld richting een klein bureautje, met daarop een display met het boek in kwestie. Er wordt zwijgend geluisterd, maar de erop volgende discussie is levendig.
Uiteraard is er wijn. Een lezing zonder wijn is zoiets als coïtus zonder orgasme. Op de stoep wordt stiekem gerookt: ook dat spreekt me aan.
Slechts één bezoeker vertrekt voortijdig. Dat is de bezoeker die te oud lijkt voor dit soort dingen. Nauwelijks een motie van wantrouwen te noemen dus, dit. Eerder een aanbeveling.
Maar ik ben er nog niet. De lezing wordt opgeluisterd door Esther Steenbergen die korte fragmenten speelt van de Japanse folksong Sakura. Die stukjes passen uitstekend bij de voorgelezen passages, maar waarschijnlijk passen ze bij  i e d e r e  passage, omdat ze zo mooi zijn.
Tenslotte duwt de innemende eigenaar, Luud van Lelyveld, u na afloop als dank voor uw komst de schitterend uitgegeven, driedelige memoires van Casanova  in de hand, alsof het niets is.
U kunt met een gerust hart sterven.

Bewilliging

Wat is toestemming? Dat lijkt me een vraag die we onszelf dezer dagen, met de tsunami aan seksuele misbruikzaken, zouden kunnen stellen. Of we daar iets mee opschieten is vers twee. Ik google het Lycaeus Juridisch woordenboek.
Toestemming Eng.: consent : strafrecht - voorafgaande instemming. Indien een persoon bepaalde handelingen pleegt zonder de uitdrukkelijke ~ van de ander, kan er sprake zijn van een strafbaar feit. Bijv. plegen van ontuchtige handelingen met een bewusteloos persoon. Bepaalde handelingen zijn echter met de uitdrukkelijke ~ van de betrokkene nog steeds strafbaar. Bijv. hulp aan een ander bij zelfdoding waarop de dood volgt is strafbaar. In dit geval is er sprake van ~ van de zelfdoder, maar is er toch sprake van een strafbaar feit. Art. 247 WvSr en 294 WvSr
toestemming / toestemmen / toegestemd Eng.: consent : rechtswetenschap - bewilliging. Bijv. voor een aantal vérstrekkende rechtshandelingen behoeft een echtgenoot ~ van de andere echtgenoot. Art. 88 Boek 1 BW en 37 Boek 1 BW
Bewilliging: mooi woord. Kende ik nog niet. Klinkt ook eigenlijk beter dan toestemming. Bewilliging geeft aan: ik wil het. Wat op het eerste gezicht een stuk minder complex is dan ik stem toe (want is gebrek aan protest genoeg? Moet het worden uitgesproken? Zo ja, dan hebben we een nieuw probleem.) Aan de andere kant, wie bewilligt moet weten wat zij wilt, en kom daar nog maar eens om. Vaak weet ik pas na afloop wat ik wil, of beter gezegd, dat ik het niet wil. Want wij weten niet wat wij willen en wij doen maar wat.

Overeenkomsten met de werkelijkheid berusten louter op toeval

De zaak Brandt Corstius vs Van Dam, in casu Barend & Van Dorp, een zaak van edele moed, dan wel grenzeloze naïveteit, maar die liggen wel vaker dicht bij elkaar, bracht bij mij een bepaalde passage, een zekere scene, uit een niet zo heel lang verschenen ontwikkelingsroman in herinnering. Hier was een puber het slachtoffer, in plaats van een twintiger, maar voor de rest gaat de vergelijking  – drogering + gedwongen orale seks = weinig romantiek – behoorlijk goed op. Laat klager er zijn voordeel mee doen. Tot verhoging van het juridisch drama ben ik bereid tot een voordracht in de rechtszaal.

Charlie pakte me bij mijn schedel en duwde mijn mond in de richting van zijn kruis. Vervolgens maakte hij wat overdreven stootbewegingen en begon, nogal voorbarig vond ik, te kreunen als een hond.
(...)
'Komt er nog wat van?'
Voorzichtig deed ik wat er van mij verwacht werd, omdat ik dat in mijn leven tot dan toe altijd had gedaan.
(...)
Charlies kale balzak schokte tegen mijn kin. Hier moest zijn zinloze zaad in zitten. Charlies zaad, dat nog nooit tot voortplanting had geleid, vermoedelijk, tot nooit iets anders dan genot.
(...)
Als ik al iets voelde, dan was het walging, en niet alleen omdat Charlie tegen mijn huig stootte, in een al dan niet bewuste poging antiperistaltische reacties op te wekken in mijn slokdarm.

Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.

Leuke ontdekking



Het Parijse leenhuis was, terugkijkend, niet anders dan anders, hooguit was de stapel asbakken die ik telde in de keuken iets hoger of juist iets lager dan de vorige keer, en waren er all around weer wat nieuwe boeken bijgekomen – onder andere uit Amsterdam, waar onze ruilvrienden zo te zien boodschappen hadden gedaan bij de Taschen Bookstore – maar het was meer onze perceptie die was gekanteld. Wij leefden in de veilige veronderstelling dat de heer des huizes een sieradenwinkel exploiteerde. Goed, daarvoor had hij wel  e r g  veel  bandes dessineés (BD), in het Nederlands nogal oneerbiedig vertaald met stripboeken, in zijn boekenkasten staan, ook en vooral van de obscure soort, plus bijbehorende figurines, ook alweer zo'n onvertaalbaar woord (poppetjes, mannetjes of figuurtjes klinkt toch heel anders. Kinderachtiger vooral) in diverse standjes. Totdat ik op zijn bureau een stapeltje visitekaartjes zag liggen met de naam van zijn blogspot, Vive la France. O la la! Dus dit was wat hij deed. En hij is er goed in. En hij heeft veel vrienden die ook kunnen tekenen. Ik weet niet of dit nog mag, maar ik vond het een leuke ontdekking.

Misery



Na het leenhuis grondig te hebben schoongemaakt en de nu eens plotseling verdwijnende, dan weer plots opduikende straatzwerver gedag te hebben gezegd, gingen we toch nog op tijd weg uit Parijs, om vervolgens op de A1 voor Lille een vreemde trek aan het stuur te voelen (ik dan), een vreemde trek naar links, terwijl ik aan het inhalen was. Lek. Snel de snelweg af dus, de vluchtstrook op. Daar bleek, o voorzienigheid, een Frans wegenwachtbusje te staan niet zo drukdoende met een verderop stilstaande vrachtwagen. Dat kwam goed uit, want ik kon in mijn troeperige achterbak zo gauw geen gereedschap vinden om de krik te bedienen en de reserveband te monteren. Toen ik die eindelijk wel gevonden had, was de hulpvaardige Fransman al klaar. Weer op weg om een garage te zoeken die de voorband kon repareren. Als die toch moest worden gerepareerd, konden we dat net zo goed m e t e e n laten doen. Geen onzinnige redenering. Er kwamen nog meer zinnige redeneringen en bijbehorende handelingen bij, toen de garage naast de gigantische supermarkt die erin geslaagd was het dorpje (Péronne, bij Misery) van zijn middenstand en dus ziel te ontdoen, de band irréparable verklaarde en twee nieuwe voorbanden adviseerde à €80. Wij voor een second opinion naar een nabijgelegen bandencentrum. Ook die verklaarde onze band irréparable maar had geen nieuwe banden. Wij met hangende pootjes terug naar garage 1. Daar aangekomen werden we in de wachtrij gezet. Dit zijnde Frankrijk, duurde het niet een beetje, maar heel veel langer dan je zou willen, of lieftallige zich nu urgent opstelde bij de garagisten, de kinderen de winkelruimte terroriseerden (denk: rondfietsen op stepjes, autozitjes uitproberen, koffiebekers omgooien) of ik bleef informeren hoe lang het nog duurde. 'Dix minutes, monsieur.' Maar dat zei hij een uur geleden ook! Drie uur later vervolgden we onze terugreis met spiksplinternieuwe voorbanden. Ik dacht aan de Franse, Amerikaanse, Australische, Canadese, Chinese (!) en Duitse soldaten, die, had ik gelezen in een folder bij het koffiezetapparaat, honderd jaar geleden precies op deze plaats een kansloze oorlog voerden.

Palais de Tokyo

We zitten in het restaurant van Palais de Tokyo op aanraden van een in Parijs bekende nicht met goede smaak. Het is een restaurant in het hogere segment, maar dat moet maar een keer mogen, vinden wij, ook al ga ik op een haar na failliet (wie nog geld over heeft voor een armlastige schrijver: NL88ABNA0545272254; als dank maak ik een boekje voor u).
Beeldige gastvrouwen (wat een vreselijk woord is dat toch) brengen ons naar onze tafel en dito obers, die ook nog eens aardig zijn, serveren ons verrukkelijke, verrukkelijk geprijsde gerechten.
'Hou eens op met dat foto's maken!' sis ik tegen lieftallige, die haar telefoon heeft gericht op de reusachtige lichtkunstwerken (lampen kun je ze niet meer noemen) aan het onwaarschijnlijk hoge plafond.
'Ik wist niet dat jij dingen nog gênant vond,' kaatst lieftallige terug.
'Komt door al die beschaafde mensen om me heen.'
De kinderen hoeven zich niet te gedragen want die worden subiet afgevoerd naar de speelruimte, waar twee speeldames ze onder handen nemen. Ze kunnen daar ook eten. Je hoeft je eigen kinderen dus helemaal niet te zien als je naar het restaurant van Palais de Tokyo gaat; een win-win situatie. Naast ons wordt de vader van een jonge baby onmiddellijk door de moeder van tafel gestuurd, met baby, als die ook maar een kik geeft, om hem tot stilte te wiegen bij de toiletten. Te jong nog voor de speeldames, denkelijk.
Na afloop van de voortreffelijke lunch is het even de vraag of we het museum nog zouden moeten aandoen. Buiten zien we dat er zich een flinke rij heeft gevormd voor de museumkassa. Op zo'n moment kun je redeneren dat het wel iets moet zijn en aansluiten, of denken: misschien niet. Wij dachten het laatste.


Pussies

Op de fiets naar Montmartre – joechei, een heus fietspad dat we niet hoeven te delen met stadsbussen – trekt op Boulevard de Clichy de gevelnaam Pussy's mijn aandacht. Niet om de pussies, of misschien ook wel een beetje, of althans de belofte van dergelijken, maar om de apostrof. Staat die daar terecht? Wie het weet mag het zeggen, maar ik denk dat een Amerikaanse of Engelse seksshop zichzelf niet zo snel Pussy's zou noemen.
Even verderop worden 'couple'-cabines aangeboden à 10 euro, de verleiding om af te stappen voor een tussenstop wordt al groter, maar ja, vergeleken bij Amsterdam, etc.
Dan passeren we warenhuis Sexodrome. 'Kijk,' zeg ik tegen lieftallige, 'dat hebben wij thuis niet, zo'n Bijenkorf voor de lagere driften.' Ook de achtjarige toont zich verbaasd over het woord en giechelt, maar tijd of zin om af te stappen hebben we niet.
Thuis maar even googelen. Dit drie verdiepingen tellend lustpaleis, 'le plus grande love store du monde', deze Mail & Female met roltrappen, schijnt dertig man personeel in dienst te hebben. Uit de Time Out Paris recensie kan ik niet opmaken of het nu vunzig dan wel fris is daarbinnen, of fris-vunzig, of vunzig-fris. Ooit was er een club echangiste op de bovenste verdieping, maar die wordt verbouwd, en trouwens, van ruilen komt huilen. Homo- en zoöfielen, lees ik, komen in de Sexodrome ook ruimschoots aan hun trekken.
Volgens de recensente, Celine heet ze, bevat het assortiment ook drie seksspellen voor ouderen. Dat is dus voor mij bedoeld, maar ik kan er niets over vinden.

Sloffen

Blaise Lacolley

'Ik ga toch even kijken of hij er nog is,' zeg ik tegen lieftallige vlak voordat we naar bed gaan. 'Hij' is onze straatzwerver, die gisteren plotseling weer was verschenen, nadat hij de dag ervoor en op de dag van aankomst schitterde, nou ja, door afwezigheid. Zo'n straatzwerver wordt toch meer dan straatmeubilair, ja, een soort buurman van je, hoewel Parijzenaars ongetwijfeld een stuk cynischer zijn. De wet van de grote aantallen.
'Ja, ik ben ook wel benieuwd.'
Het is vrijdagavond, dit deel van de stad gonst van de hippe uitgaansgelegenheden, de overvolle kroegen, de stampende clubs en sfeervolle huiskamercafé's. Veel mensen op de been, rokend, drinkend, naar elkaar lonkend en loerend. Ik maak mijn gebruikelijke rondje en ik vraag me zoals gebruikelijk af of ik onder hen zou willen zijn.
Maar: geen zwerver. De zwerver is weer eens in het niets opgelost. Vreemd is dat niet. Niemand houdt dit vol. Zeker niet nu het wat frisser wordt. De motorkap van een auto is geen plek om een bestaan op te bouwen.
Maar wacht eens: dat daar, die hompen in de goot, zijn dat niet zijn zelfgemaakte sloffen? Putain. De zwerver, laten we hem Zed noemen, is weg, inclusief rugzak, maar zijn sloffen liggen er nog. Moet dit ons zorgen baren?
'Zijn sloffen zijn waarschijnlijk het laatste dat hij vrijwillig zou achterlaten,' commentarieert lieftallige, als ik me bij haar in bed schuif.

Eettentjes



Vakantievieren in een stad als Parijs, dat 13.822 restaurants telt (of wat daarop lijkt), is vooral mogelijkheden verkennen om te eten. Op de eerste avond van ons verblijf dacht ik een charmant tentje te hebben gevonden in de straat, gerund door een Thais tantetje met sproeten, dus ik sleepte mijn kinderen mee naar binnen en zette ze aan een kleine formica tafel achter de cola. 'J'attends ma femme,' verklaarde ik ongevraagd aan het tantetje mijn traagheid om te bestellen. Ze knikte, ging op een stoel staan om iets te pakken van een hoge plank. Dat was wel een grappig gezicht. Aan tafel werd druk geschermd met eetstokjes. Toen kwam ma femme. 'Hebben jullie nog niet besteld?' 'Ik wachtte op jou,' zei ik. 'Maar we gaan hier niet eten! We nemen het mee naar huis!' Ik zag niet in waarom we hier niet konden blijven, maar goed, c'est la femme qui etcetera, dus we bestelden, en opmerkelijk gauw (dat moest een magnetron zijn, maar opwarmen is opwarmen) werden de kartonnen doosjes, die me aan New York deden denken, bij ons afgeleverd. Openstaand. Ik vouwde ze weer dicht. Nu kwam het aan op betalen. Ik gaf het Thaise tantetje een briefje van 20. Ze keek heel lang, heel moeilijk, naar haar grote rekenmachine. Toen heb ik zelf maar het wisselgeld uit haar kassa gehaald, terwijl ik hardop de rekensom maakte. Thuisgekomen stortten we ons vol goede moed op de pad thai, die inmiddels lauw geworden was (of nooit heet was geweest to begin with), en bijzonder slecht smaakte, maar ma femme en ik deden alsof onze neus bloedde. 'Ik moet kotsen!' riep de achtjarige uit, met zijn mond vol, en haastte zich naar de WC. Gisteravond hadden we meer succes bij een piepkleine pizzeria om de hoek, die luide house draaide, waar de vierjarige, staand op haar stoel, wulps op danste.

Terug in Parijs

Léon Lhermitte, Les Halles, 1895

We waren benieuwd of de zwerver, ongeveer van mijn leeftijd, die van de zomer in ons straatje in het 10e met zelfgemaakte schoenen en een rugzak dag en nacht de wacht hield, er nog steeds zou zijn. Dat bleek niet het geval. Verhuisd – hoewel je van verhuizen eigenlijk niet kan spreken – of dood neergevallen en afgevoerd? Ik weet niet wat ik moet hopen. Wel was er een vestiging van G-Star Raw bij gekomen, inclusief anti-zwerver beugels voor de etalages. Die waren niet voor onze oude zwerver bedoeld want die sliep staand tegen een geparkeerde auto (niet de onze).
Het appartement troffen we in dezelfde, verrukkelijke staat aan (dus met overal waar je kijkt boeken), met dit verschil dat de achtjarige de Wii niet opgestart kreeg – dezelfde Wii waar hij zich zo op had verheugd en die 80 % van de reden uitmaakte om überhaupt naar Parijs te willen (de overige waren croissantjes en het ligbad, beiden voor 10 %). Gelukkig – voor ons – wist hij een andere game aan de praat te krijgen.
Vandaag op pad met als doel Irving Penn in het Grand Palais. Ik stelde voor te gaan fietsen, of desnoods met de metro, maar dat leverde al meteen de eerste vakantie-kissebis op: lieftallige wilde per se met de bus. Lopen dan maar, met de kleintjes in ons kielzog op de step. Dat ging wonderwel fantastisch, totdat de vierjarige niet meer wilde steppen. Dat betekende tillen, zowel de vierjarige als de step, dus eenmaal bij Grand Palais aangekomen, had ik geen zin meer in Irving Penn. Een versnapering in de cafétuin van het Petit Palais dan? Op weg daarheen stuitten we op een reusachtig, levendig schilderij van de Hallen. We zijn er even voor gaan zitten. 'Ik zie ik zie wat jij niet ziet en het is... een kip.' 'Dood of levend?' 'Levend.' 'In de grote mand.' Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.

Avondje

T w e e (2) eerstejaars Beetsianen waren er, gisteren bij het avondje in SPUI25 over groepsdruk en vernedering. De spam-acties bij de dispuutshuizen in de hoofdstad hebben dus toch hun vruchten afgeworpen. Daar was ik blij mede, met die twee eerstejaars, want ik was benieuwd naar de verschillen tussen het Multatuli dat ik beschrijf in Het dispuut en het Beets van nu, waarvan ik zelf lid werd dertig jaar geleden. Welnu, zeiden de twee, het beeld dat in de media wordt afgeschilderd klopt niet. Een van de eerstejaars somde een lijst goede werken op, die leden van het dispuut heden ten dage verrichten. Ik wilde roepen: zoiets als ouwe poepresten afkrabben in verpleegtehuis Open Einde? Maar ik heb dat niet geroepen, want dat zou zinloos zijn. Ze hadden mijn boek niet gelezen.
Er was nog een andere verrassende verschijning gisteravond: Vindicat-klokkenluidster Milou Deelen. Dankzij Milou Deelen weten we wat bangalijsten zijn. Zij kwam ertegen in opstand. Ze dacht dat haar klokgelui daar wel wat teweeg had gebracht.
Nog meer mensen in de zaal lieten van zich horen, hoewel misschien niet luid genoeg. Een bevriende corpsbal van de tennisbaan uit Rotterdam zat zich te verkneukelen bij alle getheoretiseer over excessen, vernederingen en groepsdruk. 'GELUL!' had hij willen roepen.
'Had dat dan ook gedaan,' zei ik tegen hem na afloop. Maar hij wou geen spelbreker zijn.
Na de deskundige inleiding van sociaal psychologe Liesbeth Mann over vernedering binnen groepen, voerden Persis Bekkering en ik een toneelstukje op (meer is het corps in zeker opzicht ook niet). Zij, in Navigators-kampcommandant-overall tegen mij, in een t-shirt met het opschrift LUL (in Boef-letters, die lieftallige er met genoegen op had gestift): 'Wat, Frölke!'
'Nou eh... ik wilde dus met de auwto naar de winkel om een colbertje te kopen en een stropdas maar toen ging de koelkast kapot en dacht ik weet je wat ik ga eerst een gebakje eten.'
'FOUT, Frölke! Het is oto, jasje, dasje, ijskast en taartje. Kikkeren!'
Ik kikkeren. Dat voelde goed. Ik had het al lang niet meer gedaan.

Delft


Samen met mijn gymnasiast en honderden VWO'ers uit uiteenlopende windstreken zit ik in de collegebanken bij Technische Natuurkunde tijdens de open dagen van de TUDelft en luister naar een opleidingsdirecteur die uitlegt dat de studie veertig 'contacturen' per week vergt.
In mijn tijd, bij Wijsbegeerte, was dat wel anders. 'Ik mocht al blij zijn,' fluister ik tegen mijn zoon, 'als ik vier uur college had per week.' Wat ik in de overige 36 uur uitvrat, behalve shaggies roken boven hermetische Hegel-stencils, op mijn slechtverlichte, onverwarmde zolderkamertje in de Pijp, met Miles Davis' Tutu op de draaitafel, en het op namiddagen in slaap sukkelen op de faculteitsbibliotheek: geen idee.
De introductie in de Technische Natuurkunde kan ik volgen totdat de Maxwell-vergelijkingen op het bord verschijnen (die kennelijk ook, hoe poëtisch, als diens grafschrift zijn gebruikt). 'Zijn er nog vragen?' vraagt de opleidingsdirecteur, en ik wil mijn vinger al opsteken. Ik weet me in te houden. Na het heldere proef-college over quantummechanica door een collega, besluit de opleidingsdirecteur: 'The universe is conclusively weird.'
Zoiets snapt een filosoof wel.
De voorlichtingsbijeenkomst over Computer Science & Engineering, waar we ons met moeite naar binnen dringen, bevat meer zelfstudie. 'Er wordt een beroep gedaan op je eigen verantwoordelijkheid,' zegt de voorlichter, in het Engels, voor een grotendeels Nederlandstalig publiek. Eigen verantwoordelijkheid? De student moet een huwelijk aangaan met zijn eigen luiheid. Het gelukkigste huwelijk geeft het meeste kans op succes.
Misschien, bedenk ik me aan het eind van de dag, is een 'Universiteit', – ook een technische –, uiteindelijk toch vooral een ingewikkeld ritueel, bedoeld om zowel studenten als hun ouders en de rest van de bevolking het gevoel te geven dat het mogelijk is om greep te houden op de werkelijkheid.



Het einde van de cultfilm



Volgens mij worden er geen cultfilms meer gemaakt, heeft het hele concept van de cultfilm zijn betekenis verloren. Ik kwam tot deze toch wel jammere conclusie na het zien van 'Blade Runner 2049'. Ten eerste lijkt het mij onwaarschijnlijk dat dit vervolg op Blade Runner ooit zal uitgroeien tot een cultfilm omdat hij veel te toegankelijk is. De enige echt vreemde scene is die waarin de B.R., gespeeld door de 100% transparante Ryan Gosling, aan een merkwaardige, poëtische ID-test wordt onderworpen ('cells, interlinked'); het Leitmotiv met het houten paardje is gewoon Disney; de man met de doffe ogen en een cassetterecorder achter zijn oor is onbedoeld hilarisch.
De oorspronkelijke Blade Runner was wel degelijk een cultfilm, maar het vervolg erop heeft dus ook al de ont-cultfilmisering van het origineel in gang gezet. B.R. is een franchise geworden, en franchise staat haaks op cult. Ik begrijp niet goed waarom deze film alom wordt bejubeld (op imdb krijgt hij nota bene een hogere score dan de versie uit 1982. '2049' is veel te lang – het verhaal komt zo goed als tot stilstand na pakweg anderhalf uur –, de dialogen zijn zouteloos, de handelingen voorspelbaar. Alles ziet er prima uit, maar dat mag je verwachten van een film met een cast van pakweg duizend mensen op drie continenten.
Als de eeuwig gefronste wenkbrauwen van de ouwe Harrison Ford in beeld komen tegen het einde, besef je weer hoe goed hij destijds was, en hoe volstrekt niet-verontrustend de huidige versie is. Sylvie Hoeks is verreweg het beste in de film: a bit weird, a bit creepy, and a bit sexy. Een mooie definitie van cult.