Dagboek van een postcode

Waarom is het zo erg om jezelf terug te horen op de radio? Zelfhaat gaat te ver, maar zelfhekel is het zeker. Hekel aan je stem, hekel aan je manier van formuleren, het hakkelen, de eh's, hekel aan je matige terzijdes. En dat, terwijl ik vooraf best zin had. En wel hierom: ik had een plan. Eigenlijk twee plannen. Plan A: een pacificerende shout-out naar Xaviera. Dat was het makkelijke plan. Om dat te doen slagen was het alleen maar nodig om haar naam op de rug van mijn hand te kalken om te voorkomen dat ik het zou vergeten. Ik vergat het niet. Het werd: 'Xaviera, ik mis je.' Het ongemakkelijke plan B was weglopen uit de studio bij de constatering dat de interviewer mijn boek niet had gelezen. Ik wist vrijwel zeker dat hij mijn boek niet zou hebben gelezen, aangezien zijn voorbereider een dag eerder die moeite ook niet bleek te hebben gedaan. 'Die interviewer doet er niet toe,' meende lieftallige, 'je moet je over die interviewer heen tot de luisteraar richten.' De interviewer, Hemmen heette hij, haalde de angel uit mijn ergernis door voorafgaand aan het interview ruiterlijk toe te geven dat hij geen letter had gelezen. Het doet denken aan een uitgever als Maij Spijkers die boeken uitgeeft die hij niet heeft gelezen. Al even ruiterlijk stond Hemmen mij vervolgens toe de eerste pagina on the air voor te lezen. (Ik hekelde mijzelf opnieuw om mijn versprekingen.) Ook dit – vijfde! – radio-interview ontrolde zich op voorspelbare wijze. De eigenaardigheid bestond eruit dat Hemmen afsloot met 'Dat was Viktor Frölke, schrijver van Dagboek van een postcode' en ik een kwartier na de uitzending uit mijn bed werd gebeld op mijn geheime telefoonnummer door een IT-deskundige, die aanbood de geheimheid van mijn telefoonnummer en andere privégegevens enigszins op te krikken. Ik ga binnenkort met hem koffiedrinken.
Voor wie nog zin heeft: Hemmen, minuut 104 - 115. 

Eigenaardigheden



Technisch gezien heb ik geen reden meer om te bloggen, – ik zou het zelfs beter kunnen laten –, maar gister toog ik naar Hilversum voor een interview met EenVandaag, en het zou zonde zijn als de eigenaardigheden daaromheen niet ergens werden geboekstaafd.
Ik moest bij het NOS-gebouw zijn. Wie met de trein reist, en dat leek me in mijn geval verstandig (ik heb eens, op weg naar de studio, met toenemende wanhoop rondjes gereden door Hilversumse woonwijken), wandelt door het Mediapark, langs het Tineke de Nooij-pad ("eerste vrouwelijke DJ van Nederland") en de Leen Jongewaardweg (Nederlands eerste TV-homo, vermoed ik).
Het grote, Oostblok-achtige NOS-gebouw lag er desolaat bij in het late herfstlicht. Voor de deur hing een stalen sculptuur van een dikke knoop. Zitten ze in de knoop bij de NOS? Zitten we allemaal in de knoop, met onszelf?
Ik meldde me bij de receptioniste in de lege lounge, en zeeg neer op een bankstel met een folder over 'Nieuwsbehoeften'. 'Wat zijn de dieperliggende motivaties van mensen om nieuws te consumeren?' Goeie vraag. Ikzelf consumeer al jaren geen nieuws meer, althans niet van de NOS. De tijd dat het NOS-Journaal het venster op de wereld was, lijkt een eeuw geleden.
Een vriendelijke jongeman met een Limburgs accent liet mij een toegangspasje afhalen, en loodste me mee naar boven, maar de beveiligingspoort die was aangelegd nadat een gewapende man de studio in was gestormd om zendtijd op te eisen, bliefde mijn pasje niet. Ik vond dat veelzeggend, zoniet mijn begeleider.
Met een bekertje automatencappuccino werd ik in een wachthoek geparkeerd. Ik sloeg mijn meegebrachte Verzameld Werk van Karel van het Reve open, en las verder over Gogol. In de verte nam ik gedempte stemmen waar, alsof de sprekers een hand voor hun mond hielden. Ik voelde het zweet in mijn oksels ophopen. Bij mij werkt drank goed tegen plankenkoorts, maar ik wilde vandaag eigenlijk nuchter blijven, en scherp liefst. Was er wel een exemplaar van mijn boek in de studio aanwezig? Ik had er zelf een mede moeten nemen. Een vertegenwoordiger van stofzuigers gaat toch niet zonder stofzuiger op pad?
En inderdaad, toen ik plaatsnam in de studio zag ik dat er maar één boek op tafel lag bij de presentator van dienst, en dat boek was niet van mij. ZELFMOORD stond op het omslag. Ook dat vond ik veelzeggend, maar zo kun je overal wel betekenis aan geven. Ik nam mij ondertussen voor niet te vergeten mijn boek ter sprake te brengen.
Zoals alle interviews verliep ook dit interview voorspelbaar, en toch ook niet voorspelbaar, wat het voor de beide deelnemers aan dit journalistieke ritueel 'spannend' houdt. Terwijl ik aan het woord was, zag ik de presentator knikken naar de regiekamer achter mij, waar, zo stelde ik me voor, de regisseur CUT-gebaren maakte, met de duim langs de hals, enzovoorts.
Na mijn segment zou het programma verder gaan 'over de liefde'. Het nieuws daarover heb ik niet geconsumeerd, want ik zeilde in een vloeiende beweging het NOS-gebouw weer uit, terug naar het treinstation.
Svigermor appte. Als zij mijn enige luisteraar was, is het niet voor niets geweest.
In de voetgangersbrug boven het spoor werd ik aangesproken door een figuur naast een met huisraad bepakt winkelwagentje, die me deed denken aan Wim de Bie's Dirk. 'Heb je nog wat over voor twee boeddhisten?' Ik overhandigde hem wat kleingeld. 'Waar is de andere boeddhist?' vroeg ik. 'Die is boodschappen aan het doen.'
Gogol had het kunnen bedenken.

Après nous le cinema

Met dank aan Jaap van Eyck (regie), Pelle Asselbergs (montage),
Anne (camera),
Lola (Lola),
Lucy (blaf)
en haar handler Lauren.
No mail was demolished during the making of this movie.

Dankzegging



Mijn dank gaat allereerst uit naar alle mensen die in mijn dagboek voorkomen dan wel in het postbode-deel van mijn leven: collega’s, jullie weten wie jullie zijn. In het bijzonder wil ik 'Jeff', 'Klaas', 'Thea', 'Govert', 'Hotpants', 'Duco', 'Edith', 'Connie', 'Yusuf', 'de Siciliaan', Romke, Koen, Maarten en Sacco bedanken. Buurtbewoners in de Apollobuurt: ik ga jullie missen, met name mijn zenuwarts, Anne Sluizer, Octave en 'Kate'.

Nu moet ik Rob van Essen noemen. Ik ben gezegend om iemand op zeshonderd passen van mijn huis te hebben wonen die een goede schrijver is, de tijd neemt mijn werk van opbouwende kritiek te voorzien en die in zijn totaliteit een bijzonder aangenaam mens is. Rob, ik zou graag ook eens voor jouw boek een blurb schrijven, maar misschien wil je dat helemaal niet.

Iemand anders die mij van opbouwende kritiek en wijze raad voorziet – niet zo vreemd want dat is haar werk – is Lolies van Grunsven. Toen ik dit dagboek afhad, zo’n 9 maanden geleden, dacht ik: waarom hiervoor een literair agent inschakelen? Wat valt er te verbeteren aan een dagboek? Er valt toch ook niets te verbeteren aan de werkelijkheid zoals die zich heeft voorgedaan? I couldn’t have been more wrong, want Lolies heeft niet alleen grote lappen overbodigheden en saaiheden geschrapt, maar ze zei ook: ‘Viktor, dit boek gaat eigenlijk over schaamte. Diep dat uit.’ Dat heb ik gedaan, en niet alleen volgens mij is het er beter van geworden.

Het zou hypocriet zijn om het Letterenfonds niet te bedanken, dus bij deze. De mensen bij het Letterenfonds zorgen beter voor mij... dan goed voor me is, wil ik schrijven, maar ik bedoel: dan ik ooit voor mogelijk had gehouden, zeker niet nadat ik in 2009 een vlerkerig briefje terugstuurde na mijn eerste subsidie-afwijzing.

Het is usance om je uitgever te bedanken bij zo’n gelegenheid, want zonder uitgever geen boek. Maar in dit geval is het meer dan een plichtpleging, want Arend Hosman, mijn uitgever bij Thomas Rap, heeft dit boek niet alleen uitgegeven, hij heeft me ervan overtuigd dat dit boek  e e r s t  moest worden uitgegeven, nog vóór mijn roman Het dispuut, die al af was. Zijn argument: dit boek gaat jou vermoedelijk wat aandacht opleveren, waar je andere boeken hopelijk ook plezier van hebben. Is het te vroeg om te zeggen dat Arend Hosman gelijk heeft gekregen? Nee, dat is het niet. Ik ben 14 keer geïnterviewd over dit boek, iets waartoe Soesja Schijven, die achter de knoppen zit in de War Room bij De Bezige Bij, ook voor een groot deel toe heeft bijgedragen. Nooit gedacht dat ik een diepte interview aan de Echo zou geven, maar dankzij Soesja vond ik het de normaalste zaak van de wereld. (Die krant blijkt trouwens beter te worden gelezen dan de NEE-stickers doen vermoeden).

Andere munitie kwam evenmin uit de lucht vallen. Ik dank Elselien van der Kooi voor de postzakken en de stempel, the one and only Annelies Frölke voor de briefkaarten, en Saar Schwachöfer, mijn redacteur, voor haar nimmer aflatende geestdrift voor mijn werk naar alle kanten toe.

Floris van der Kleij mag niet ontbreken in dit dankwoord al was het maar omdat ik hem in mijn vorige dankwoord, drie jaar geleden bij Zalig uiteinde, verzuimd heb te noemen. Floris ontwierp de de schrijftempel in mijn tuin – het mooiste werkvertrek, durf ik staande te houden, van Amsterdam en omstreken. Work smarter. Work Hubbel.

Moker zij geprezen voor hun prachtige omslag. Dit is een boek dat zelfs ik cadeau zou willen doen.

Als ik gelovig was geweest had ik op deze laatste plek God bedankt, Vishnu of The Theory of Everything, maar ik ben niet gelovig dus het wordt de CEO van PostNL. Here’s to you, Herna.

Boekpresentatierecensie



'Ontspannen en toch inhoudelijk,' sms ik mijn zus, die, nogal out of character, niet aanwezig was bij mijn boekpresentatie, vrijdagavond in Arti & Amicitiae. 'Een zevenjarige heeft xxx boeken verkocht. Er is gedanst en ik lag laat in bed.'
Dat is het goeie van smssen, en denkelijk van flutteren, maar daar heb ik weinig ervaring mee, dat je wordt gedwongen tot inkorten, samenvatten, tot de kern komen. Aan langdradigheid heeft, behalve de langdradigheidsverslaafde, niemand iets.
In de sms aan mijn zuster ontbreken evenwel details die 'niet onvermeld mogen blijven'. Allereerst natuurlijk prof. dr. Zomerplaag (echte naam moet ik opzoeken, hij heeft me zijn kaartje in de hand gedrukt maar dat kaartje ben ik kwijt), die tegen het einde van het openbare interview afgenomen door Karin Overmars en Merijn de Boer, opstond en verklaarde: 'Ik vind het een slecht boek.' Zijn argumentatie: 'Er zit teveel ik in.'
Nu is een dagboekschrijver betichten van teveel ik zoiets als sneeuw verwijten dat zij wit is, maar ik probeerde zo goed en zo kwaad als dat ging deze hooggeleerde van repliek te dienen. Of ik daarin geslaagd ben weet ik niet, maar wat ik wel weet is dat hij na afloop nog wel bereid was zijn boek door De Man Met De Zelfgeraapte Ganzenveer En Eigenhandig Vervaardigde Inkt te laten signeren. (Misschien was hij een beroeps-heckler. De vraag is dan door wie hij is ingehuurd.)
Nu ik erover nadenk was me eerder op de avond, die begon met een maaltijd uit de mensa die me helemaal niet tegenviel, ook al iets opgevallen. Ik zag mijn oudertjes eten in de historische sociëteit onder rode reflectoren aan de muur die samen in het groot het woord SEX vormden. Ik vond die rode reflectoren op zichzelf geen kunst. Met mijn ouders eronder weer wel.
Dan dit: moedertje, die, terwijl New Amsterdam Voices de dansbare Timberlake-deun Señorita zongen, op haar telefoon zat te swipen. Ze was wel weer zo gul (zij is de gulste die ik ken), om na afloop deszelven optreden te financieren.
Ontroerd werd ik niet alleen door de hartverwarmende opkomst van vele oude en niet zo oude bekenden, alsmede hun geschenken (waaronder prachtig briefpapier, een uitbundige bos bloemen, een duimpie (lees Dagboek), en een paar kasjmier kousen die ik sindsdien niet meer heb uitgetrokken, een kaart met Werknemer van de Maand waarin mijn foto was geplakt, twee vuurpijlen en veel wijn), maar vooral ook door oud-collega bij de post en singer-songwriter Maarten de Mink, a.k.a. Reaganesk, die twee songs ten beste gaf die ik sindsdien niet meer uit mijn hoofd krijg: Lately life seems to be slowing me down, en 99 Years of love.
Er ging ook wat mis. De boektrailer die Jaap van Eyck en ik maakten met camerawerk van Anne Reinke en acteerwerk van de rising star (als in: bezig uit bed te komen) Lola en barking star Lucy, werd niet, zoals gepland vertoond in de rookruimte, alwaar een scherm beschikbaar was gesteld; overigens niet wegens protest van anti-rookactivisten. Misschien kwam het, omdat hij nog niet af was.
Iemand die schitterde door afwezigheid, in alle opzichten, was Xaviera Hollander. Haar opmerkelijk jonge uitgever – één van haar uitgevers, vermoed ik – was er wel. 'Ik begrijp ook niet precies waarom ze er niet is. Ze had een mooie rel kunnen schoppen.' Dat had ze zeker. 'Zeg maar dat ik van haar hou,' zei ik tegen de uitgever.
Het bleef nog lang onrustig in de stad, ook en vooral nadat een select gezelschap zich had verplaatst naar De Pels, want de man die zich op onze Franse boerenbruiloft in 2005 had misdragen, misdroeg zich deze nacht wederom. Ik was daar niet rouwig om. Een feest zonder misdraging is geen feest, maar een routineuze samenklontering van mensen.


Werkeloos

'Ik voel me een beetje werkeloos,' verzucht ik tegen lieftallige wellicht binnenkort ex-kostwinner aan het eind van de tweede week sinds mijn ontslag.
'Verbaast me niets, je bent ook werkeloos.'
En inderdaad, het valt niet mee om van het schrijverschap een baan te maken. Wel van: een marketing-oorlog voeren ten gunste van je net verschenen boek. Het schrijven zelf, vooral als het een Nieuw Meesterwerk betreft, is toch iets dat zich zeker in de eerste fase niet helemaal serieus laat nemen als arbeid. Het lijkt meer op fröbelarij, zelfbedrog, auto-fellatio.
Mijn ambitie om bij de pojisie te gaan werken om in 2019 of daaromtrent een Dagboek van een pojisie te doen verschijnen, bestaat nog steeds maar verlicht mijn huidige werkeloosheid niet echt.

Bericht van de cramping (7): De ingewikkelde egel

In de voortuin van het tenthuisje ontdekten we een egel, verstrikt in het net van een voetbal-goaltje. Hieronder verbatim het laatste interview met de egel.
Dus u kwam rustig aangeschuifeld en toen zat u ineens met uw snuit in een maas van het net?
Dat hebt u goed gezien. Ik kreeg hem er niet meer uit.
De voetbal-goal was een fuik, waarop u niet had gerekend.
U bent opmerkelijk snel van begrip.
Waarom stak u uw snuit in dat net, was er aan de andere kant iets eetbaars, een paddenstoel of zo?
Niet dat ik weet, ik zat gewoon niet op te letten.
En toen?
Toen probeerde ik mijn snuit wild los te rukken.
Maar?
Dat maakte het alleen maar erger. Ik weet nu: als ik verstrikt dreig te raken, moet ik het hoofd koel houden en mijn kop rustig terugtrekken. Dan is er niets aan de hand. Paniek is een slechte reflex, die je bijna altijd moet onderdrukken. Maar dat is een levensles waar ik nu niets meer aan heb.
In het hiernamaals wellicht?
Voor egels geen hiernamaals. En al zou er een hiernamaals zijn, dan denkelijk geen voetbal-goaltjes in duin-campings.
Crampings zult u bedoelen.
O ja. Dat is een woordgrapje van u. Ik dacht dat woordgrappen niet mochten.
Alleen als ze goed zijn.
Bij herhaling wordt hij toch steeds minder goed? Geen enkele grap overleeft dat toch, herhaling?
Een zekere mate van herhaling maakt de grap beter, daarna wordt hij slechter. Een psycholoog zou dat eens moeten uitzoeken... of misschien heeft Freud dat al gedaan in Der Witz und seine Beziehung zum Unbewußten. Enfin, we hadden het over uw doodsstrijd.
Ik kon niet meer ademhalen. Ik had mezelf gewurgd. Ik had nog best zin om even door te leven, maar dat zit er dus niet meer in voor mij.
U had zichzelf totaal ingewikkeld, als een rollade.
Bent u in de verleiding geweest mij te braden en op te peuzelen?
Geenszins. Wij eten nauwelijks dieren. Bovendien steeg er een kadaverlucht uit u omhoog, die mij de eetlust ontnam.
Yech. Ik moet daar een dag of zo hebben liggen rotten... Maar wat hebt u dan gedaan? Mij losgepeuterd en doorgespoeld in de sanitaire ruimte, waar ook de poepemmers worden geloosd?
U viel niet los te peuteren, u zat muurvast. We hebben u los moeten knippen. In het voetbal-goaltje zit nu een gat.
Waar een voetbal doorheen past?
Dat niet. Het is makkelijk te repareren, hoewel we daarmee geen haast hebben.
En wat hebt u met mijn stoffelijke resten gedaan?
[Hier wordt het interview plotseling ruw verstoord door keiharde herrie uit de wasmachine.]


Nazorg

'Wat wil je, als je schrijver bent wordt iedereen boos op je,' probeerde mijn gesprekspartner sinds '83, beter bekend als Jasper Blom, mij gerust te stellen. 'Ik vraag me al een tijdje af wanneer ik aan de beurt ben om boos op jou te worden.'
Ik maakte me zorgen om de bijna gepensioneerde oud-depothouder GovertDie belde me vrijdagavond op, maar toen zat ik in de Tolhuistuin bij de voorstelling Books are weapons. (Wat zouden boeken anders moeten zijn? Onderzetters?) De tweede keer belde hij me maandag, de postloze werkdag van de week.
'Ik ben tot pagina 85 gekomen,' begon hij, met trillende stem, 'maar ik lees niet verder... en ik denk dat ik ook niet naar de boekpresentatie kom... Ik...'
Hij was ernstig teleurgesteld. Hij geloofde er geen snars van dat ik naïef postbezorger was geworden, volgens hem was het allemaal doorgestoken kaart. Het had geen zin om hem tegen te spreken. 'Schrijf me een brief waarin je alle bezwaren tegen het boek opsomt,' stelde ik voor. Hij zou het in overweging nemen, maar hij wilde hoe dan ook gezegd hebben dat hij niet gelukkig was met mijn boek. Boos, om precies te zijn.
Hij was niet de enige. Vorige week trof ik een serie boze emails van Xaviera Hollander aan in mijn mailbox.
Wat te doen?
Ik besloot bij haar langs te gaan met de troostcake en sauvignon blanc die zo goed had gewerkt op depot, maar ik werd weggestuurd. Te kort door de bocht, denkelijk. Er volgden meer boze emails, nu ook van haar man. 'Stuur haar bloemen,' adviseerde lieftallige, 'dat werkt bij een vrouw altijd.'
Zaterdag componeerde ik een elektronische brief (de post is ook niet meer wat zij geweest is), waarin ik schreef dat ik aan onze vriendschap gehecht was geraakt en beslist niet de bedoeling had gehad haar te kakken te zetten, en dat andere lezers, dat er ook niet uit hadden gehaald.
Toen bleef het stil. Ik dacht: ze overlegt met haar advocaten. Maar vanochtend opende ik een nieuwe email van haar, verstuurd om 1.19 AM, met een gedicht van Leo Vroman getiteld Samen rimpelen, waarin tenminste drie termen voorkwamen die ik moest googelen (van één term, quitaalgewricht, had ook google nog nooit gehoord, omdat Vroman hem verzon). Nadat ik rond koffietijd ook nog werd getracteerd op een link naar Juliette Gréco's Déshabillez moi, kon ik weer rustig ademhalen. Zie hier de zalvende werking der tijd. Waarheid doet eerst pijn, en bevrijdt daarna – of zoiets.
Hoop ik.

Afscheid

In mijn ontslagbrief stond dat mij per onmiddellijk iedere toegang tot PostNL-gebouwen werd ontzegd, maar dit bleek bij aankomst op depot mee te vallen. Ik kon gewoon naar binnen. Het was ongewoon druk. De collega die in het boek Klaas heet gaat van zijn welverdiende pensioen genieten en was zo aardig om mij toe te staan als een zwaan kleef aan mijn afscheid aan dat van hem te koppelen.
'Zal ik AT5 meenemen?' had ik de avond ervoor aan Jeff gevraagd. Het bleef even stil. Toen antwoordde hij: 'Ik blijf liever een fictief personage.' Ik kan daar inkomen, ik blijf ook liever een fictief personage, maar er is voor mij nu geen weg meer terug.
Ik deelde her en der stukken uit van zelfgebakken troostcake, schonk enkele glazen zelfgekochte sauvignon blanc in, en las hardop voor uit mijn ontslagbrief, waarin puntsgewijs de stoutigheden uit mijn boek worden opgesomd.
'Als je zo'n dagboek publiceert, ga je dat er toch niet allemaal in zetten?!' riep de oud-depothouder, in het boek Govert, verbijsterd uit. Ik knikte schuldbewust. Misschien lag het aan de sauvignon blanc, maar ik hoorde me ineens voor de vuist weg beweren dat ik inderdaad gemasturbeerd had op depot, hoewel daarvan nu weer g e e n  melding werd gemaakt in de ontslagbrief. Was dit nodig? Had ik het achterwege moeten laten? De tol der eerlijkheid.
'W a t  heb jij gedaan?' Govert weer. Toen wist ik zeker dat hij de afgelopen twee weken onder een steen had geleefd, of in elk geval niet de moeite had genomen mijn persoontje te googelen (ik ook niet trouwens, ik word via andere kanalen op de hoogte gehouden van de stemming in het land). De vrouwelijke collega kon er alleen maar om lachen. Daar was ik blij om. Waar ik dan weer om kon lachen was het geschenk dat mijn collega's voor me hadden bedacht. Een kraakverse Le Monde.

Ode aan de postbode

Elke dag met een pakje op pad
Omdat de brieven op zijn
Hij drukt in z'n appje op start
Zo houdt de Post hem klein

Ik schrijf een ode aan de postbode
Omdat die er nog niet is
In tegendeel tot eentje aan de doden
Of een ode aan vergiffenis

Daar gaat ie kijk maar oma
In z'n oranje apepakkie
Je hebt vlugge je hebt slome
Sommige slepen als 'n slakkie

Je hebt er ook die post jatten
Een beetje maar niet hele sloten
Je hebt er dan weer die gaan ratten
En die 't voor de rest verkloten

Maar de bode mevrouw is geen rode
Hij ziet slechts geel blauw of paars
Soms vergeet hij ineens de code
En lapt ie de principles aan z'n laars

Maar deze ode dreigt te ontsporen
Terug naar de rechtgeaarde
Hardwerkende nooit balorige
Soms gladgeschoren dan wel bebaarde

Kalme intelligente belezen
Mans- en soms ook wel vrouwspersoon
Die nooit en te nimmer loopt te kezen
En noest arbeidt voor bijna niets en heel alone

Noorwegen

Toen ik van mijn eerste radio-interview terugkwam reageerde lieftallige verbolgen: 'Je hebt niks over mijn land gezegd! En dat had je beloofd!' Ik had inderdaad beloofd iets aardigs te zeggen over haar land – eigenlijk het land van haar moeder: Noorwegen – omdat dat land er in Dagboek van een postbode nogal bekaaid vanaf was gekomen (althans volgens haar), maar de sluikreclame was erbij ingeschoten. Ik was er vooral op gebrand om het M-woord te voorkomen, misschien was daardoor het N-woord op de achtergrond geraakt.
Uiteraard beloofde ik, omdat ik het beste voor heb met Scandinavië, maar vooral met Noorwegen, dat ik weer zou proberen om reclame te maken voor Noorwegen in mijn tweede radio-interview. Dat interview was aan de korte kant, en vond plaats in een stampvolle kroeg in Utrecht, dus na afloop had ik lieftallige aan de telefoon, wandelend tussen de shoppende Utrechters, en moest bekennen dat ik opnieuw had verzaakt.
Er was nu nog één mogelijkheid over om Noorwegen onder de aandacht te brengen, en dat was het derde interview, met een provinciale nieuwszender. Opeens hoorde ik mezelf midden in het gesprek met de alleraardigste interviewster zeggen: 'Noorwegen is een prachtig land... ik ga er graag naar toe...' om vervolgens weer de draad op te pakken, welke draad dat ook geweest mag zijn. Missie volbracht.
 

Non-actief

Losjes draai ik mijn auto van de Johan Huizingalaan het terrein van de Voorbereidingslokatie Amsterdam West op, een reusachtige doodskist waar ik ooit eerder ben geweest, voor een werkoverleg zonder koffie. Ik parkeer achter het gebouw en loop naar binnen. Ik ben iets te laat, ik ben wel vaker te laat, als postbezorger, en als mens, maar ik ga nog meer te laat komen, want ik kan het kantoor niet vinden waar de regiomanager mij heeft ontboden.
In de enorme hal vraagt een chauffeur mij of ik op zoek ben naar gezelligheid.
'Niet in de eerste plaats,' antwoord ik. 'De kantoren, waar zijn die?'
Hij heeft geen idee. Ik bel mijn teamcoach. 'Jij zou toch naar het café komen?' reageert hij verbaasd.
'Het gesprek is verplaatst naar het hoofdkantoor... Maar dat betekent dat jij er dus niet bij bent.'
'Nee, ik weet van niks.' Hij weet wel waar de kantoren zijn in de hal: alsmaar rechtdoor, helemaal tot aan het einde, dan zie je het vanzelf.
Op een drafje loop ik de loods door langs zwijgende sorteermachines tot aan een muur met ramen, waarachter rookpauze-nemende PostNL-lers. Moet ik   d a a r  zijn? Maar er is geen deur! Ik hol terug de hal uit naar mijn auto, rijd naar de voorkant van de Voorbereidingslokatie, maar daar kan ik niet parkeren. Wat nu? Ik ben op het matje geroepen maar ik kan het matje niet vinden... HELP.
In een vlaag van verstandsverheldering herinner ik me dat ik het nummer van de secretaresse die de afspraak heeft gemaakt in mijn telefoon heb staan. De secretaresse legt vriendelijk en geduldig uit dat ik weer terug moet naar achter, waar ik vandaan kwam. Daar zal iemand mij opvangen.
Wat ook zo is. Een lange, bleke jongen van in de dertig, die zich voorstelt als HR-manager, neemt me mee naar het kantoortje, voetgangerspijlen op de vloer volgend (als ik dat had geweten). Bij een kantine biedt hij me iets te drinken aan. 'Tomatensoep? Doe maar water.'
De regiomanager zit in zijn nood-kantoortje. Een aimabele man, die, dat is nieuw voor mij, zijn baardje modieus heeft laten staan. Ik verontschuldig me voor mijn vertraging. 'We zagen je al rennen door de hal,' zegt hij, niet geheel zonder leedvermaak, 'ga zitten.'
De HR-manager gaat aan de kop van het tafeltje zitten en haalt notitieblok en balpen tevoorschijn. De regiomanager neemt tegenover me plaats met een mapje fotokopietjes. 'Viktor, we hebben je boek gelezen. Van pagina 1 tot pagina 350.'
Ik wil hem feliciteren, maar slik op tijd mijn felicitaties in.
'Dat jij een boek hebt geschreven, is jouw zaak. Zoals je advocaat geloof ik al had gezegd, – zo heb ik op je blog kunnen lezen – hebben wij wel belangrijker zaken aan ons hoofd dan een boek.'
Juist.
'Maar,' vervolgt hij, 'we hebben je hier uitgenodigd om het waarheidsgehalte van een aantal passages vast te stellen. Waarheidsvinding, dus.'
'Ja,' valt de HR-manager hem bij, 'want in die passages overtreed je onze business principles'.
Ik neem een slokje water.
De regiomanager pakt de fotokopietjes erbij, de belastende passages in geel. 'Viktor. Hier schrijf je dat je een Le Monde meeneemt die is bestemd voor het Franse Consulaat. Berust dat op waarheid?'
Als rechtgeaard romancier en beroepsfantast kan ik uiteraard glashard volhouden dat ik alles uit mijn duim heb gezogen, maar dat is niet zo. Het zou ook een laffe verdediging zijn. Dagboek van een postbode is mijn eerste – en vermoedelijk laatste – boek waarin elke zin op waarheid berust. Eerlijkheid is een sine qua non voor een dagboek. Wie geen zin heeft in de waarheid, moet geen dagboek schrijven. Zulks leg ik uit aan de regiomanager.
Een verdediging kan het nauwelijks worden genoemd.
Mijn advocaat zou het hier vast ab-so-luut niet mee eens zijn geweest, maar ik heb mijn advocaat niet bij me. (Ze is in Rome.)
Nu knikt de regiomanager. Volgende fragment. 'Hier schrijf je dat je een pakje met twee boeken erin in de papierbak gooit. Waar?' Ik bezig de letters a en j in de gebruikelijke volgorde. Dit hele gedoe is onnodig, want alles is waar, maar ik beleef een pervers genoegen aan deze ontleding van mijn proza. Bij mijn weten is mijn proza nooit eerder zo minutieus ontleed.
'Dat je hebt gemasturbeerd op depot is ook niet bepaald reclame... Wat nu als jouw vrouwelijke collega's er bijvoorbeeld niet meer willen komen?'
'Ik heb maar één vrouwelijke collega,' werp ik tegen, mij beseffend dat ook dit niet mag worden beschouwd als een adequate verdediging, of een verdediging überhaupt.
'Dat zal in de toekomst veranderen,' zegt de regiomanager met een blik van verstandhouding naar de HR-manager. 'Samenvattend, Viktor. Je begrijpt, dat ik je met deze wetenschap niet zomaar door kan laten werken. Ik heb mensen ontslagen voor minder.'
Dat begrijp ik. Ik begrijp de morele spagaat waarin de regiomanager en bij extensie PostNL zich bevindt maar al te goed. Ik heb de luxe van de vrijheid van meningsuiting, de luxe van eerlijkheid, en hij en PostNL niet. Noem het het prerogatief van de kunstenaar, en de knechting der commercie.
'Daarom moet ik je op non actief plaatsen. Met behoud van salaris, dat wel. Volgende week gaan we met onze juridische afdeling in Den Haag bekijken hoe we verder moeten met jou, en met je boek, want je boek is, als alles waar is wat er in staat, toch een soort blamage. Hoe leuk zullen cliënten zoals bijvoorbeeld het Franse Consulaat, het vinden dat jij hun post achterhoudt?'
Ik kan moeilijk volhouden dat ik verrast ben. Dit moment heb ik ongeveer een jaar, misschien twee jaar, aan zien komen.
'In het nawoord van je boek schrijf je dat het je niet gelukt is om ontslagen te worden,' besluit de regiomanager, rond wiens fijnbebaarde mond ik een Mona Lisa-achtig glimlachje meen te ontwaren, 'maar ik denk dat het je binnen afzienbare tijd toch gaat lukken.'