19. Schennis



De hoofdhuurder is daadwerkelijk – met de nadruk op daadwerkelijk – doende Hasso's ledematen en romp in hanteerbare hompen te zagen. Hij knielt voor het lichaam, zet zijn Japanse zaag aan en trekt. Opmerkelijk soepel, en geruisloos, dat moet gezegd, beweegt de zaag zich door het lijf van mijn voormalige indringer. De hoofdhuurder weet wat hij doet, dat kan niet anders. Hij heeft dit eerder gedaan. Hij vraagt mij een arm omhoog te houden, een knie, zodat hij er beter bij kan. Hij concentreert zich op de gewrichten. Waarom je een weg banen door het merg, als het ook langs het gewricht kan? Om mijn walging in toom te houden, probeer ik me te concentreren op het proces, op het werk, en op de aanstaande voltooiing ervan, in plaats van op de schennis. Als alle ledematen verwijderd en opgedeeld zijn, en er alleen nog een romp op de grond van de slaapkamer ligt, met een hoofd erop, dat overigens nauwelijks meer als zodanig herkenbaar is, draait de hoofdhuurder het geheel op zijn rug, alsof het om een ziek veulen gaat, kiest met zorg twee wervels, en trekt hij het verfijnde gereedschap, waaraan nu trouwens wel wat bloed-, huid- en vleesresten kleven – dat is onvermijdelijk – naar zich toe. Zo gaat hij telkens een paar wervels omhoog, tot hij bij de nek aankomt. In no time ligt de hele slaapkamer bezaaid met hompen slordig verpakt vlees.

18. Chaos

Charles Krafft.


Ik draai door. Het wordt me teveel. Als stevig aan de weg timmerend K.K. ben ik chaos gewend, ik kan goed met chaos omgaan, verwerk het in mijn installaties, maar de chaos van het totaal in de war geschopte appartement van de hoofdhuurder, en vooral zijn kennelijke onverschilligheid ten opzichte van die chaos, alsmede de nieuwe chaos die hij aan het aanrichten is in de slaapkamer - hij heeft Hasso van het bed afgesleept en is met hem bezig op de vloer - kan ik niet meer aan. Ik zou het liefst stilletjes de deur achter me dicht willen trekken, met achterlating van mijn spullen. Alleen mijn iPad, mijn American Express en mijn paspoort heb ik nodig, in die volgorde, ik kan overal heen waar ik maar wil, ich bin ein Hotelmensch, daar ligt het niet aan, ik ben totaal onthecht van mijn omgeving, losgezongen van iedere materie, maar de hoofdhuurder heeft de deur afgesloten, met een ingewikkelde sleutel, van binnenuit, en de muur in de tuin kom ik niet over. Die komt niemand over. Althans niet van deze kant. Iedereen heeft te stellen met de muur. De muur staat er nog en zal er altijd staan. Ik speel met het idee om met een bloedhete theepot (geen IKEA) de kamer in te lopen en deze per abuis over het hoofd van de hoofdhuurder uit te storten. Chaos met chaos bestrijden heet dat.

17. Ik moet inpakken.



'Ik weet genoeg,' zeg ik als de hoofdhuurder routineus de derde lege fles Grauburgunder over de muur heen werpt. Ik ben op een punt aanbeland dat ik niet meer weet wat ik moet geloven. Ik teken er meteen bij aan dat ik erg van dat punt houd. Niet alleen als Konzeptkünstler, ook als toeschouwer en deelnemer. Als ik weet wat ik moet geloven vind ik er niets meer aan. Dus ik houd de waarheid liever in het midden. Need to know? Neen. Need to doubt. Need to wonder. Need to fear. Maar ik dwaal af. Ik moet inpakken. Ik moet inpakken en wegwezen. Ik moet inpakken, wegwezen en nooit meer terugkomen. Maar zo makkelijk gaat dat niet, want ik krijg de indruk dat de hoofdhuurder steeds meer op me gesteld raakt. Eerst dacht ik dat ik hem kon gebruiken, nu denkt hij dat hij mij kan gebruiken. Waarvoor? Het lichaam, om te beginnen. Ik heb sterk het vermoeden dat de hoofdhuurder mij niet laat vertrekken voordat het langzaam afkoelende lichaam uit de weg is geruimd. Voor mij was Hasso een cosmetisch probleem, een hygiënisch probleem, een sanitair probleem, zo je wilt. Voor de hoofdhuurder is Hasso een existentieel probleem. Mogelijk ben ik dat daarmee voor hem ook.

16. New woman




'How are the kids?' vraag ik om het gesprek met de hoofdhuurder, we zitten inmiddels met een glas Grauburgunder in de achtertuin met uitzicht op een met graffiti – KILL KAPITALISM – besmeurde muur, een andere wending te geven. Als hij vragend terugkijkt, wijs ik op een rondslingerend stuk IKEA-speelgoed. 'The vakking kids never came,' lacht hij. 'I date new woman, with kids, I redo my apartment, to accomodate new woman and kids, then: new woman leaves, kids gone too. I never even saw them!' 'Good for you,' zeg ik, omdat ik niets beter weet te zeggen. Het is even stil. Dat is het met deze hoofdhuurder: hij laat stiltes vallen op ongebruikelijke momenten, en ik kan niet in zijn getattoeerde hoofd kijken. Hij speelt met de Glock in zijn hand, hij is gefascineerd door de Glock. Ik ben ook gefascineerd door de Glock maar hij had hem eerst. Hij was het die hem uit Hasso's vingers peuterde. De Geige liet hij zitten. 'The new woman was a violinist?' probeer ik de losse eindjes aan elkaar te knopen. Ja, ja, ze was, en is, violiste. Op het allerhoogste niveau nog wel, vandaar dat de hoofdhuurder in zijn hoedanigheid van armzalige Konzeptkünstler bij de scheiding bijzondere belangstelling toonde voor haar Stradivarius. Bij wijze van compensatie voor gemaakte kosten, zeg maar. 'But the one you used is fake,' buldert hij. 'Die Geige in Hasso's hand is made in vakking China.'

15. Blood art

Blood art by Kubrick.


Ik heb veel uit te leggen, besef ik. Maar de hoofdhuurder heeft ook veel uit te leggen. Hasso heeft nog meer uit te leggen, maar hem zijn de uitlegmogelijkheden ontnomen. Ik wil beginnen met uitleggen, maar de hoofdhuurder is mij voor met vragen stellen. Hij zegt: 'Where the vak did you get that violin?' En: 'Don't tell me that guy is really dead?' En: 'What about that blood? Is that vakking pigblood from the slaughterhouse? To create chaos in my apartment voor art's sake I don't mind, but to pour vakking pigblood in my bed is something else?' Even overweeg ik het uitleggen te laten voor wat het is, de Glock uit Hasso's hand te peuteren en de hoofdhuurder onschadelijk te maken. Maar dat zou mijn probleem alleen tijdelijk oplossen, en uiteindelijk juist nieuwe problemen opleveren. Ik kan beter proberen antwoorden op zijn vragen te formuleren waar hij mee kan leven. Dus ik zeg dat ik die viool even geleend heb, dat die vent echt dood is, dat dit blood art is – is hij daar soms niet mee bekend? – en dat ik alle stomerijkosten zal vergoeden. Even krabt hij beteuterd aan zijn kale kets. Dan zegt hij: 'And what the vak were you planning to do with the vakking body?' Zonder een moment na te denken zeg ik: 'That, my friend, is where you come in.'

14. De hoofdhuurder



Als ik honderd foto's van Hasso heb gemaakt met mijn iPad – ik doe alles met mijn iPad tegenwoordig – voel ik een vinger tikken op mijn schouder. Ik schrik me dood. Ik draai me om en kijk in het gezicht van een kleine, in het leer gehulde, kale man, met bovenop zijn schedel een tatoeage van een anarchisten-A. Dit moet de hoofdhuurder zijn. Ik heb hem nooit ontmoet. Voor het wereldwijde uitwisselingsproject van Konzeptkünstler is het niet nodig elkaar te ontmoeten. Het is misschien zelfs beter van niet. De sleutels cq. deurcodes worden discreet uitgewisseld. 'What the vak is going on here?' zegt hij in vlekkeloos Duits-Amerikaans, hetgeen hysterischer klinkt dan de uitdrukking op zijn biefstukrode gezicht doet vermoeden, want dat staat op neutraal. De hoofdhuurder kijkt als een buurman die komt vragen of de auto een stukje kan worden verplaatst. Sorry about the mess, zeg ik, I didn't know you would be back so soon. I thought I had at least another week to return your apartment to its original state... Having said that, it strikes me how extremely well organised you are. And tidy. For a conceptual artist, that is. I bet you thought my apartment was a pigsty. 'Not at all,' antwoordt hij. Zijn leren outfit kraakt als hij langs mij heen kijkt naar de dode op het bed. 'I don't know your work, but I must admit it looks intriguing.'

13. Concatenatie, geen connectie.

Spatzen.

Als ik de douche uitkom, me heb geschoren, geurtje opgedaan, aangekleed, eieren gebakken, koffie gedronken, enzovoorts enzoverder, muziekje opgezet, Gesualdo nota bene, merk ik opeens dat ik me niet meer alleen voel, of misschien moet ik het zo zeggen, opeens besef ik hoe alleen ik ben geweest in de maanden dat ik hier verblijf, eenzaam zelfs, ook al waren de Berlijners sympathiek, Berlijners zijn altijd sympathiek, dat is algemeen bekend, maar zelfs ondanks dat sympahieke, ja, welwillende Berlijn, bleef ik solitair. Ja, ik dronk cappuccino met Berlijners op de Helmholtzplatz, ja, ik dronk Riesling met ze op de Oderbergerstraße, ja, ik dronk witbier in de Wrangelstraße, alles onder toezicht van Spatzen, maar er gebeurde niets. Concatenatie, geen connectie. Maar misschien straalde ik ook te weinig uit dat ik bronstig was. Misschien straalde ik uit dat ik, Marius Mobius, Konzeptkünstler, meer dan genoeg had aan mezelf. Maar nu, met een doorboorde Hasso in de slaapkamer, voel ik me plotseling bijzonder op mijn gemak, ontvangen, thuis in deze stad, in deze IKEA modelwoning zelfs. Gezelligheid: een vreemd ding.

12. Voyeurisme

Forensics.


Het kogelgat fascineert me. Als ik Hasso's bleke hoofd – het Hitlerhaar zit nog altijd intact –  voorzichtig kantel door aan het hoofdkussen te trekken, komt de exit-wond mooi in beeld. Ik ben blij dat ik aan deze verwonding part noch deel heb. Het geeft een vreemd soort voldoening om leed dat men niet heeft berokkend te aanschouwen. Het is iets anders dan leedvermaak. Er komt geen sadisme aan te pas, geloof ik. Het is voyeurisme in de lijn van de kijkfile en het omstanderseffect. Leed is fascinerend punt. Dat het leed mijn indringer is aangedaan is een cadeautje van het noodlot. Ondertussen heb ik er wel een probleem bij, maar dat kan wachten, en trouwens, ik heb er ook een Geige bij. Nog een cadeautje. Per saldo kom ik er dus niet zo slecht vanaf, op deze vroege grijze ochtend in Berlijn. Ik heb slechtere ochtenden meegemaakt, grijzere en vroegere, hoewel waarschijnlijk niet zulke bizarre. Zelfs niet in Damascus. Net als ik mezelf wil feliciteren met de goede afloop, naar omstandigheden, voel ik mijn darmen stuipen, een vlaag die zich door mijn slokdarm omhoog pompt, maar als ik naar de WC hol, en boven de pot ga hangen, is de produktie nihil. Vals alarm. Story of my life. Eerst maar eens douchen, denk ik, aankleden, koffie drinken en daarna een foto van het lijk maken. Je weet nooit waar het goed voor is.

11. Verdammt nochmal, der Mann ist tot.

Caravaggio


Als ik om Hasso heen loop, tenminste ik denk dat hij Hasso heet want dat lees ik op het naambordje aan het kettinkje om zijn nek, dat in zijn shirt verborgen zat, bespeur ik tot mijn niet geringe schrik een niet gering gat in zijn schedel, vlak achter zijn oor. Een kogelgat. Er is een flinke stroom bloed uitgelopen, uit dat gat, dat moet wel, maar de donkerpaarse bloedstroop heeft zich subtiel een weg gebaand in de ruimte tussen het hoofdkussen en de dons naar een onzichtbare holte. Zowel geschokt als gerustgesteld kniel ik naast het bed neer. Onmiddellijk moet ik denken aan een Bijbels tafereel, waarschijnlijk Maria die neerknielt bij Jezus, een of ander 16e eeuws schilderij, maar meteen daarna dwalen mijn gedachten af naar Winston Wolf, 'I solve problems', enz. Dat ik het schot niet gehoord heb verbaast me niet zoveel. Dat is het wonder van de geluidsdemper. Dat mijn indringer een kogelgat in zijn schedel heeft en niet ik, verbaast me daarentegen behoorlijk, want hij had gedreigd dat ik de ochtend niet zou halen, en nu heeft hij zelf de ochtend niet gehaald, nota bene met de Geige die hij zocht in zijn hand. Ik leg een vinger in zijn hals. Daar zit inderdaad geen muziek meer in. En nu treft het me. Verdammt nochmal, der Mann ist tot. Opeens vind ik dat Hasso er morsdood uitziet, terwijl ik nog niet zo lang geleden dacht dat hij rustig lag te slapen. Dat is het wonder van het voortschrijdend inzicht.

10. 'Sleeping beauty.'



Liefst wil je een val zetten en in de tussentijd iets anders gaan doen, maar de mogelijkheden zijn uitgeput. Ik klink als een plaat die blijft hangen. In de badkamer valt niets meer te halen. Daarom besluit ik, als een schichtig hertje, mijn schuilplaats stilletjes te verlaten, en naakt – die ene hand die het handdoekje vasthoudt om mijn middel kan ik nu niet meer missen –, en met mijn Zahnseide in de aanslag, het IKEA-modelappartement te inspecteren. Daar ben ik gauw klaar mede, want meteen al de in het kille ochtendlicht badende slaapkamer betredend, tref ik op het ronde IKEA-bed mijn indringer aan, op zijn rug, met de ogen dicht, in zijn ene hand de Glock en in de andere de Geige. Op de grond een open vioolkoffer met strijkstok; het was mijn indringer denkelijk niet om een vertolking van zeg Khachaturian te doen. Ik sluip langzaam op het bed af en sleep met een teen de vioolkoffer naderbij. Antonio Stradivari, lees ik in de voering. 'Sleeping beauty.' Ik ben geen vioolkenner, maar noch mijn conceptuele kunst, noch die van de hoofdhuurder van dit IKEA-appartement, vermoed ik, zal in de buurt komen van de waarde van dit instrument.

8. Er moet toch, ergens, een Weib zijn?



Ik durf het licht niet aan te doen. Ik wil mijn indringer niet tegen de haren instrijken. Zou hij er bezwaar tegen hebben als ik een geurkaars aansteek? Ik waag het erop. Hoe die lucifers droog blijven weet ik niet, maar ze doen het. De geurkaars, op de badrand, verspreidt patchouli. Ik wist niet dat ik zo'n hekel had aan patchouli. Irritant ook dat ik het handdoekje om mijn middel steeds moet vasthouden, waardoor ik maar één hand vrij heb, maar dit zijn, gezien de andere irritaties waar ik vannacht mee te maken heb, irritaties van bescheiden omvang. Wo is das Weib? neem ik mij voor mijn indringer te vragen. Er moet toch, ergens, een Weib zijn? Geen intrige zonder Weib. Zelfs Adolf had zijn Eva. Ineens weet ik zeker: die Geige staat voor das Weib. Mijn indringer lijkt me geen violist, of zelfs maar geïnteresseerd in vioolmuziek. Die Geige voert hem naar das Weib, dat kan niet anders. Misschien dat ik hem kan afleiden met een afbeelding van een Weib. Ik raap Marilyn's Last Sitting nog maar eens op van de badkamervloer, houdt het bij het kaarslicht en stuit op een intrigerende foto, wat niet moeilijk is, want dit boek barst van de intrigerende foto's. Een foto die nog niet is doorboord. Misschien dat mijn indringer hier even naar wil kijken. Misschien dat dit beeld hem kalmeert.

lees verder

7. De eerste geluiden van het overhoop halen



Mijn indringer verontschuldigt zich, doet het licht uit in de badkamer, en de deur dicht. Helaas neemt hij zijn Glock mee. De kans dat hij op de iPad in de werkkamer mijn conceptuele kunst uit Damascus gaat bekijken, acht ik vrijwel nihil. De kans dat hij het hele appartement overhoop gaat halen in een poging de Geige te vinden, acht ik daarentegen vrij groot. Aan dit laatste kleeft, bedenk ik me in de complete duisternis, terwijl de eerste geluiden van het overhoop halen tot mij doordringen, een groot nadeel. Dat is dat het appartement dat ik heb betrokken in het kader van het uitwisselingsproject uitblinkt in Sauberkeit & Organisation, en daar dus binnenkort niet meer in zal uitblinken. Wie aus dem Ei gepellt, dit appartement, nooit heb ik een kunstenaarswoning betrokken dat zozeer aus dem Ei gepellt was. Het is een exacte kopie van een IKEA-modelwoning. Toen ik hier voor het eerst binnenkwam dacht ik: dit is een kunstwerk. Als kunstwerk vind ik het geslaagd. Daarna dacht ik: misschien is het behalve een kunstwerk toch ook een woning. Als woning vind ik het minder geslaagd, maar dat is subjectief, en bovendien bijzaak want over een paar dagen ga ik naar huis. Althans, dat was het plan.

lees verder

6. De ochtend niet meemaken.



Ik mag een handdoek omslaan, maar daarna word ik vriendelijk verzocht weer op de pot plaats te nemen, met de bril naar beneden; mijn indringer weigert de badkamer te verlaten. Terwijl ik een te kleine handdoek omsla houdt hij een hand voor zijn ogen, een bleke hand, met de vingers plagerig ver uit elkaar, terwijl hij met de andere hand, die waarin de gedempte Glock rust, opnieuw het schrale plekje naast zijn neusvleugel beroert. Hoe statisch kan een situatie zijn? Wie moet waar naar toe? Hoeft geen lichaam zich te verplaatsen? Als het aan mijn indringer ligt niet. Mijn indringer heeft een broertje dood aan dynamiek. 'Conceptuele kunst is geen kunst,' zegt hij, toonloos. 'En sowieso ben ik alleen geïnteresseerd in kunst als zij mij tot die Geige leidt.' Er verschijnt een lachrimpel op zijn bleke wang. 'Ik blijf hier totdat ik de Geige heb. Zonder Geige verlaat ik deze plek niet. Of,' de lachrimpel wordt dieper, 'laat ik het zo zeggen: als ik de Geige niet vind, zul jij, Marius Mobius, mit oder ohne Umlaut, er aan moeten geloven. Het is of de Geige, of Marius Mobius maakt de ochtend niet mee. Of, dat kan natuurlijk ook nog, jij brengt me naar de Geige en ik besluit dat Marius Mobius toch de ochtend niet meemaakt. Al met al zou je kunnen zeggen, dat, vanuit mijn perspectief, het aantrekkelijk is om Marius Mobius de ochtend niet mee te laten maken. Althans niet in Berlijn.'

lees verder

5. Ik verlang terug naar Damascus.



Ik maak geen grap als ik zeg dat ik Marius Mobius heet – ohne Umlaut – en dat ik hier ben in het kader van een uitwisselingsproject. Wat? Beeldend kunstenaar. Hè? Conceptueel. Het voordeel van conceptuele kunst is dat je geen vuile handen hoeft te maken, het nadeel is dat het werk soms wat snel vervliegt. Als u mij de gelegenheid geeft een handdoek om mijn middel te slaan, dan zal ik u op mijn iPad wat projecten laten zien waarmee ik mij de afgelopen maanden onledig heb gehouden... Niet in Berlijn. In Damascus. Ik verlang terug naar Damascus. Ik had gehoopt in Berlijn wat van de opwinding terug te vinden die ik in Damascus vond, maar het enige wat ik hier vind is cappuccino en kinderwagens, met in de verte, dat is waar, gedateerde graffiti, maar wie denkt met graffiti de wereld te kunnen veranderen, leeft in het stenen tijdperk. Met graffiti verander je hooguit het straatbeeld. Hoe dan ook, als u mij even alleen laat, dan zie ik u zo in de werkkamer? Wilt u zo vriendelijk zijn die gedempte Glock van u op de veiligheidsstand te zetten, voordat er ongelukken gebeuren? Ik neem u wel degelijk kwalijk dat u Marilyn's Last Sitting heeft vermink, maar niet dat u mij midden in de nacht opzoekt. Midden in de nacht is een uitgelezen tijd voor conceptuele kunst.

lees verder

4. Bitte keine Witze



Zonder iets te zeggen grist de ongenode bezoeker met het Hitler-haar opeens Marilyn's Last Sitting uit mijn schoot, waar het al die tijd heeft gelegen om mijn Glockenspiel af te dekken, houdt het boek in de lucht en schiet er met zijn Glock een gat door. Door de demper op de Glock blijft het geluid van het schot bijna onhoorbaar, een droge 'pop' - als een lamp die springt als je het licht aandoet - ; het caramboleren van de kogel daarentegen galmt als en een micro-symfonie van Stockhausen door de betegelde ruimte. De kogel die Marilyn's Last Sitting doorboorde is naar het ligbad gereist om uiteindelijk in het zwartuitgeslagen kinderspeelgoed dat daarin ligt verzameld, tot stilstand te komen. Vervolgens legt de man zijn pistool op de wastafel, waar ik in theorie bij zou kunnen, als ik half opstond van de WC-pot, en bladert door het doorboorde boek. Lijkt het maar zo of stijgt er werkelijk rook op uit de bladzijden? 'Aha.' Grinnikend slaat de man een pagina open met een foto van Marilyn, waarin het kogelgat precies samenvalt met een van haar tepels. 'Guck mal,' zegt hij, voordat hij het boek op de grond gooit. 'Zoiets kan gebeuren als je niet meewerkt. Also bitte keine Witze.'

3. Tätowierung



De man met het Hitler-haar is geenszins van plan aan de keukentafel te gaan zitten totdat ik mij toonbaar heb gemaakt. Het huidige arrangement - hij gewapend in de deurpost, ik weerloos op de WC-pot - bevalt hem uitstekend. Nadat hij vlug de stadvilla heeft doorzocht op eventuele andere bewoners, die er niet zijn, en de Geige waar hij het alsmaar over heeft, die er volgens mij ook niet is, keert hij terug naar de badkamer en begint aan mijn haar te trekken. 'Das ist Ihr Haar?' zegt hij, ongelovig. Ik laat een spotlachje ontsnappen. Het getrek aan mijn haar is eerder absurd dan pijnlijk, hoewel ik graag zou willen dat het ophoudt. Hoezo, natuurlijk is dat mijn haar, wat denkt u, zeg ik. 'Der Geiger ist ja kahlköpfig.' Mijn protest dat ik der Geiger niet ben, maakt geen indruk. De indringer gaat door mijn hoofdhaar te bestuderen, alsof hij op zoek is naar luizen. 'Warte mal, die Tätowierung...' Wat voor Tätowierung? Ik heb geen Tätowierung, afgezien van het groene puntje onder mijn oog. 'In mijn zoekopdracht staat dat der Geiger kaal is met een Tätowierung van een anarchismeteken op zijn kruin.' Ik hoest om mijn geproest te verbergen. Waarom zou iemand in vredesnaam een anarchismeteken op zijn kruin laten zetten, vraag ik me af, maar in plaats daarvan zeg ik in mijn beste middelbareschoolduits: 'Entschuldigung. U heeft de verkeerde voor zich. Ik vermoed dat u op zoek bent naar de hoofdhuurder.'

2. Die Geige



'Was machen Sie hier?' sist de ongenode bezoeker die zijn pistool, met een demper erop, zie ik nu, nog altijd op mij gericht houdt. Hij lijkt bij nader inzien helemaal niet op Horst Schimanski. Leek hij maar op Horst Schimanski. Deze man heeft een bleek, week gezicht, en blauwzwart geverfd Hitler-haar. Natuurlijk is het onterecht, en misschien zelfs flauw, om de eerste de beste Duitser die zichzelf bij je uitnodigt Hitler-haar mee te geven - tenzij hij zulk haar heeft. Dat kan ik beter aan U vragen, kaats ik terug, nog altijd vanaf de WC-pot, het boek van Bert Stern in mijn schoot, want daaronder draag ik niets. Het enige wat ik draag is Marilyn's Last Sitting. Ik ben om kwart voor vier 's nachts zelden toonbaar, om de eenvoudige reden dat ik me aan niemand hoef te tonen. 'Ich bin hier der Einzige, der die Fragen stellt,' gaat de man verder. Met de loop van zijn pistool, met de demper eigenlijk, krabt hij over een schraal plekje naast zijn neus. 'Wo ist die Geige?' Welke Geige? Ik weet van geen Geige. Luister, u dringt hier zomaar deze woning binnen, om kwart voor vier 's nachts, op een doordeweekse dag ook nog, richt een pistool met een demper op mij, en begint over een Geige. Dat kan niet. Laat me op zijn minst even afvegen en mijn handen wassen, dan praten we zodirect, aan de keukentafel verder. Doe alsof u thuis bent. Dat doet u toch al.

1.Een ongenode bezoeker



Rond kwart voor vier 's nachts, als ik me in de badkamer heb teruggetrokken met Marilyn's Last Sitting, een fascinerend boekje dat ik in de bespottelijk kleine boekenkast heb gevonden, waarin fotograaf Bert Stern beschrijft hoe hij Marilyn uit de kleren kreeg voor een shoot in het Bel-Air Hotel in 1962, dat tevens haar laatste zou zijn, hoor ik tandartsgeluiden komen uit de deur naar de gang, die op een kiertje staat. Het klinkt alsof iemand met een handzame boormachine een piepklein gaatje boort in de tuindeur uitkomend op de zitkamer. Voordat ik ook maar de gelegenheid krijg om mijn sanitaire retraîte op fatsoenlijke wijze te beeindigen, hoor ik duidelijk de tuindeur snel open en weer dicht gaan en, alweer snel, maar ook heel duidelijk, gymschoenen piepen op het laminaat. Het gebeurt snel, maar niet zo snel dat ik niet de gelegenheid heb om te denken: wat onnadenkend van een ongenode bezoeker om gymschoenen aan te trekken. Gelegenheid om de vraag te overpeinzen waarom hij die gymschoenen bij binnenkomst niet heeft uitgetrokken krijg ik echter niet, want de ongenode bezoeker trekt de badkamerdeur open, en gaat, niet ongelijk Horst Schimanski, met getrokken pistool in de deuropening staan.

12. Helemaal klaar mede



Onvoorstelbaar, maar ze kwamen achter me aan, die twee lui, de ene met het warrige haar nog wat gretiger dan die net naar de kapper was geweest. Over de hekken, door de tuintjes, of beter gezegd: door de troeperige platjes die dienst doen als stortplaats, want we zijn nog altijd in de stad. Toen we bij mijn platje kwamen stuitten we op twee felrode pumps, een leren broek, een zwarte voile, make up spullen, en een stripje Lovegra. Allemaal achteloos gedumpt. Die ene met het warrige haar zat meteen zijn tengels aan het stripje. 'Antidepressiva?' 'Viagra voor vrouwen,' wist hij die net naar de kapper was geweest. 'Is dat niet hetzelfde?' Het tweetal grijnsde. Meteen wist ik: deze shit is van Chocque. Geen twijfel mogelijk. Ze had weer eens wat uitgeprobeerd. Wat? Dat viel te bezien. Maar dat het mislukt was, stond buiten kijf. Dat het niet was wat ze ervan verwacht had, eveneens. 'Degene die dit hier heeft neergegooid is ergens helemaal klaar mede,' sprak die met het warrige haar. 'Met de liefde, wellicht?' sprak die net naar de kapper was geweest. Hoe naïef kan een mens zijn? had ik willen uitroepen, maar terwijl we gedriëen de klim omhoog waagden naar het balkon, dacht ik: de naïveteit van deze twee mannen is een blessing in disguise.

11. Aai me



Het was weer zover. Ik kon ze zien zitten in de zwarte doos. De een aan de kopse kant van de tafel, de ander, die met het rommelige haar, aan de lange kant. Die aan de kopse kant was naar de kapper geweest. Hij had een pak papier in zijn handen. Ik hoorde, door de ramen heen, het zachte gebrom van de verwarming. Ik begrijp wel dat ze het koud hebben, die mannen. Ze missen een vacht. Ze doen niets. Ik zou tegen ze willen roepen: doe iets! Maar dat ligt niet in mijn macht. Wat wel in mijn macht ligt is ze meelokken naar mijn verzorgsters. Die weten wel raad met deze mannen. Chocque gaat bovenop die met dat rommelige haar zitten. Die plet hem echt. Tot hij geen lucht meer krijgt. Maar hij heeft ook geen lucht nodig. Hij heeft warmte nodig. Zo denkt Chocque erover, en tot nu toe heeft ze altijd gelijk gekregen. Lavinia gaat subtieler te werk. Die houdt van rubben, ribben, tribben, dat werk. Dus die neemt die met dat baardje die net naar de kapper is geweest op schoot en begint hem uitvoerig op alle delen van zijn lichaam te wrijven tot zijn huid er rood van wordt, schraal. Geen olie. Ik weet al hoe ik ze moet verleiden. Ik ga voor de deur zitten, parmantig, en als ze naar buiten komen om me te aaien, loop ik voor ze uit, zodat ze net niet bij me kunnen, dan moeten ze me wel volgen.

Afl. 10.

10. Wentelend in mijn eigen uitwerpsel




Een hel was het. De eenzame opsluiting was tot daaraan toe, zelfs met mijn gedwongen vasten kon ik overweg, maar het vooruitzicht niet ontdekt te worden, nooit, door wie dan ook, vond ik ondraaglijk. In alle toonaarden, dag en nacht, op elk uur, heb ik geblazen, gekrabt en gekrijst alsof mijn leven ervan afhing, wat niet moeilijk was, want mijn leven hing er ook vanaf, maar gehoord werd ik niet. Misschien werd ik wel gehoord, maar het bleef zonder effect. Choque heb ik ook gehoord, meer dan mij lief was zelfs: ze stond vanaf het balkon mijn naam te roepen; daarna hoorde ik Lavinia ook nog eens alle koosnaampjes afgaan, wat ik, ondanks de omstandigheden, als gênant ervoer, maar beschamender nog was dat Choque zo nodig met brokken moest rammelen. Choque redeneert dat wat haar trekt, mij ook trekt, maar dat is te kort door de bocht. Die nieuwe Duitse brokken bijvoorbeeld zijn niet te vreten. Wat mijn verzorging betreft zijn mijn verzorgers verschrikkelijk op de centen; voor hun eigen verzorging is geen prijs te hoog. Ik heb dus tenminste een week, of misschien wel tien dagen, op een gegeven moment raakte ik de tel kwijt, opgesloten gezeten onder het schuifdak van de zwarte doos van die man met dat slordige haar, wentelend in mijn eigen uitwerpsel ook nog, dat kon ik niet voorkomen, totdat diezelfde man, toen de lente leek aan te breken, op het lumineuze idee kwam om weer eens de tuin in te gaan en het dak open te schuiven, en mij zo, zonder het te weten, mijn leven teruggaf.

9. Plaatsvervangende wensdroom




Ik meende aan de rand van het openstaande schuifdak van de Zwarte Doos een droog, warm plekje te hebben gevonden, en dommelde langzaam weg, zoals dat gaat. Ik droomde dat ik de twee mannen, die hier onder mij tegenover elkaar mysterieus zaten te brommen, dronken voerde, of op drastischer wijze van het verstand beroofde, mee naar huis lokte, en hen voor de ogen van Choque en Lavinia de kleren van het lijf scheurde. Daarna zouden mijn verzorgers hun gang kunnen gaan met dit tweetal. Het moge duidelijk zijn, dit was een wensdroom vanuit het perspectief van mijn verzorgers, niet zozeer vanuit het perspectief van de mannen, hoewel ik niet in hun hoofden kon kijken. Ik had geen idee van hun fetisjes, maar ik kon me voorstellen dat daarin voor vetzucht niet per sé een hoofdrol was weggelegd. Choque en Lavinia daarentegen zouden uitzinnig zijn. Het geschenk van de twee weerloze mannen zou hun hele bestaan kantelen. Ze zouden de mannen ervan langs geven, en wie weet wat daaruit zou kunnen voortvloeien. Met een ruk ontwaakte ik uit mijn plaatsvervangende wensdroom, toen een van de mannen, die met het slordige haar, plotseling in de tuin stond en aan een touw begon te trekken waardoor het dak van de Zwarte Doos in zijn geheel over mij heen schoof.

8. Bird's eye view

Drizzle


Ondanks de motregen ben ik toch maar de tuin ingegaan. Ik had behoefte mijn lotgenoten te ontmoeten. Of het nu aan de motregen lag, of aan die idioten die eindeloze troep en herrie maken op het balkon bij de overburen weet ik niet, maar noch de passief agressieve, noch de grote rode liet zich zien. Ik had de binnentuin alleen. Tot ik bij wat ik maar zal noemen de Zwarte Doos kwam. Het dak was opengeschoven. Ik waagde me voorzichtig op het glas in het plafond. Deze bird's eye view had ik nog niet eerder gehad. Ik zag twee mannen aan een wit bureau. De een hield zijn hoofd voorover, alsof hij bezig was een vlek uit zijn broek te poetsen, de ander staarde naar de wand, en uiteindelijk naar mij. Ik liep meteen door, omdat ik me betrapt voelde, en niet graag van onderen bezichtigd word, maar hij keek alleen maar, peinzend. Het scheen hem niet te deren dat ik hier zat. Hij had zijn aandacht bij iets anders, maar waarbij kon ik niet ontdekken. Na een tijdje hoorde ik zacht gebrom uit de Zwarte Doos komen, het veroorzaakte lichte, niet onplezierige trillingen rond mijn kringspier. Ineens begreep ik het: de ene man was de andere iets aan het vertellen, maar wat dat dan was bleef duister.

7. Een plotselinge en niet te stuiten opruimwoede



Als zwijgende Beobachter van het ondermaanse gerommel en gedoe onthoud ik mij over het algemeen van oordelen over de vederloze tweevoeters met wie ik gedoemd ben samen te leven, maar in het geval van Choque moet ik een uitzondering maken. Zij is wat wel wordt genoemd een zeug. Ik heb het niet zo op krachttermen, die vermijd ik liever, maar verzin maar eens een betere benaming die niet naar beesten of geslachtsdelen verwijst. Feeks komt in de buurt, maar een feeks ontroert nooit, terwijl Choque, in al haar stupiditeit, je toch af en toe ook een brok in de keel geeft. Feeks reserveer ik liever voor die passief agressieve in de tuin. Maar wat heeft Choque dan nu weer voor zeug-achtigs uitgevroten? Dit: in een plotselinge en niet te stuiten opruimwoede, alsof het voorjaar al voor de deur staat, flikkerde ze niet alleen mijn nog lang niet leeggelikte blikjes, maar ook mijn speeltje in de vuilnisbak, om vervolgens stampvoetend de voordeur achter zich dicht te smijten en mij en Lavinia in het ongewisse te laten over haar toekomstige whereabouts. Natuurlijk heeft ze haar mobieltje thuisgelaten, dat is standaard bij een ontploffing. Inmiddels heb ik al een uur tegen Lavinia's scheenbeen aan lopen schurken, maar die geeft zoals gewoonlijk geen sjoege, die wordt helemaal opgeslokt door haar beeldscherm – trouwens, volgens mij is er ook niets meer in huis. Nog even en ik sta niet meer voor mezelf in.

6. Ik lag er eerst.



De zon schijnt in Mongolië, dacht ik – toegegeven, niet erg samenhangend. En: ik wou dat Choque eindelijk eens van de relaxbank afkwam. Ik lag er eerst. Er zijn van die dagen dat ze thuiskomt van haar werk, of moet ik zeggen 'werk', haar uggs uitschopt en languit op de bank neerploft. En waarom? Waarom zo bruut? Waar is dat voor nodig? Dat zegt ze er niet bij. Lavinia vraagt er ook niet naar. Die kijkt niet eens op van haar scherm, die is veel te druk met whatever. Nu was het weer raak. Zoals ik al zei, ik lag er eerst, maar op zulke momenten is er van haar onvoorwaardelijke liefde niet zo gek veel te merken. Er kon niet eens een knuffel af. Ze sleurde me onder mijn dekentje uit, lui kreng schreeuwend, terwijl ik niets had gedaan, en trouwens ook niet tot het geslacht der krengen behoor, en stortte neer en begroef haar mooie mollige gezicht in de bank. In het verleden heb ik nog wel eens weerstand geboden tegen dit soort redeloze aanvallen, door mijn nagels in de bekleding te zetten, en voluit terug te blazen, maar geloof me, Choque wil je niet over je heen hebben, niet ruggelings, niet buikelings, op geen enkele wijze. Als je Choque over je heen krijgt kun je het als ademend wezen wel vergeten.

5. Choque en Lavinia

Lucian Freud


Een van de voordelen van verzorgd worden is dat je niets hoeft te doen en dat je dus alle tijd hebt om je verzorgers te bestuderen. Die van mij zijn met zijn tweeën. Twee vrouwen. Een is echt te dik, dat de flappen erbij hangen, maar daar kan ze niks aan doen. Die heet Choque. Die naam heb ik niet verzonnen, die hebben haar verzorgers verzonnen. De naam die mijn verzorgers mij hebben gegeven, heb ik ook niet verzonnen en daar zou ik het ook helemaal niet mee eens zijn als ik er iets over te zeggen had, maar dat is nu te laat. Ik moet er mee leren leven. Aan de andere kant, zo belangrijk is een naam nu ook weer niet. Hegel had Schlegel kunnen heten, Frege Fichte en Heidegger Husserl. Gelukkig hebben we het niet over mij, maar over mijn verzorgers. Die andere dus, naast die met die flappen, heet Lavinia, en dan denk je natuurlijk dat die heel erg dun is, het totale tegenovergestelde van Choque. Maar niets is minder waar: die is ook peervormig en obees. Niet zo obees als Choque, maar toch. Je zult deze dames dan ook niet gauw zien op de tennisbaan, de sintelbaan of in een glazen afbeultempel. Daarentegen zul je ze wel heel vaak op de relaxbank zien, hier in huis. En dat is maar goed ook, want dan kan ik ze goed bekijken.

4. Jachtinstinct lijkt een beetje op wat mijn verzorgers lust noemen, denk ik wel eens. Het is een motor die niet vaak loopt, maar als hij loopt, moet hij zichzelf uitputten.



Vannacht, om een uur op vier, was het weer zover. Ik hoorde hem langs glippen, rommelen achter de boekenkast. Dat was voor mij het sein om me op te richten en in actie te komen. Ik had geen keus. Ik moest erachter aan. Jachtinstinct lijkt een beetje op wat mijn verzorgers lust noemen, denk ik wel eens. Het is een motor die niet vaak loopt, maar als hij loopt, moet hij zichzelf uitputten. Het punt is, ik zie slecht, en mijn reukvermogen is ook niet je van het. Ik moet het van mijn gehoor hebben, en van mijn calculaties. Ik dacht dat hij onder de piano zat. Ik naderde zo dicht mogelijk zijn schuilplaats, geruisloos, en wachtte. Ik liet het initiatief aan hem, ik hoef niet zo nodig initiatief te nemen. Het duurde maar een paar minuten voordat hij tevoorschijn kwam. De grap is natuurlijk, de wrede grap, dat hij nog slechter ziet dan ik. Maar hij hoort misschien beter, dat zou kunnen. Hoe dan ook is hij snel, dus daar komen mijn calculaties van pas, mijn voorspellend vermogen. Toen hij de grote oversteek waagde, van de piano naar de keuken, berekende ik zijn pad om te zorgen dat mijn klauw precies uitkwam bij zijn romp. Ik grijp zelden mis. Ook nu faalde ik niet. Nadat ik in zijn nek had gebeten, en had gewacht tot hij klaar was met leven, deponeerde ik het lijkje bij de pedaalemmer. Meer kon ik niet doen.

3. Ik draai liever stationair.



Men verklaarde mij voor gek, vooral die passief agressieve, die wist niet hoeveel spot en vernedering ze in haar blik moest stoppen, maar ook ik ben natuurlijk even het ijs opgegaan. Wat wil je, het was al dagen dik genoeg en de zon scheen. Je zou het niet zeggen maar mijn fysiek is buitengewoon geschikt voor gladde oppervlakten. Zo hard als ik kon, en met mijn nagels helemaal uit rende ik over het ijs. Als ik bij een mooi schoon stukje kwam trok ik ze in. Zo schoof ik gelukzalig op mijn kussentjes enkele lui op hun lange ijzers voorbij. Toeristen maakten foto's; ik heb ze voor een keer maar laten begaan. IJs is wonderbaarlijk, ik heb er geen ander woord voor, maar ik ben er ook gauw klaar mede. Ik draai liever stationair. Dus klom ik op het dek van een ingevroren zeilboot – naam: Surrender –, ging zitten en keek neer op het gepeupel. Mijn meeste aandacht ging trouwens uit naar de eendjes, de meeuwtjes en de hoentjes, die tot een piepklein, stervenskoud wak waren veroordeeld. Als er geen brokken zouden zijn had ik er mijn tanden in gezet, maar nu had ik vooral met ze te doen.

2. Ik beleef geen plezier aan smelten met mijn behoeften.



Geen enkele zin om naar buiten te gaan. Ik begrijp alle drukte om die sneeuw niet. Ik ben geen wintersporter, nooit geweest ook. Ik zet wat voorzichtige stappen in de tuin. Niet dat ik niet van een maagdelijk matwit landschap houd. Heel erg zelfs. Maar ik neem dat landschap liever tot me vanachter het raam, vlakbij de verwarming, met Satie's Les fils des étoiles op de achtergrond, in de uitvoering van Reinbert de Leeuw. Laat anderen, zoals die rode, de sneeuw kapotmaken, ik laat haar liever heel. Om je de waarheid te zeggen: ze hebben me naar buiten geduwd. Ze willen dat ik hier mijn behoefte doe, de schoften. Scheelt weer grind, stank en gedoe, maar mij krijgen ze niet klein. Ik beleef geen plezier aan smelten met behoeften. Ik laat het smelten met behoeften graag aan anderen over. Natuurlijk wil ik sporen nalaten, maar ik hecht aan decorum. En denk alleen al aan de kou daar waar je haar het minst kunt gebruiken. Denk aan het koude gat, het koude Glockenspiel. Ach ik wind me veel te veel op. En waarvoor. Lang genoeg buiten geweest; snel naar binnen voor het te laat is.

1. Mijn beweeglijkheid wordt veroorzaakt door een onweerstaanbare exploratiedrang.



Laat wakker vanochtend. Ik rekte me uit en keek uit het raam: alles wit. Nou ja, niet alles natuurlijk, maar toch, witter dan normaal. Mooi. Er stond geen wind. Goed nieuws, ik haat wind. Ik ben geen zeiler, nooit geweest ook. Nadat ik mijn tanden had gezet in wat oud voer, waagde ik de trap af te dalen. Altijd spannend, vooral bij gladheid. Voorzichtigheid is geboden. Toch nog kouder dan ik dacht, toen ik eenmaal beneden in de tuin stond. Ik overwoog meteen weer naar binnen te gaan, maar ik was nu toch buiten, en al een beetje gewend, dus ik zei tegen mezelf, nu niet kinderachtig zijn en even doorbijten. De sneeuw voelde prettig droog aan. Waarheen ook alweer? Mijn beweeglijkheid wordt veroorzaakt door een onweerstaanbare exploratiedrang. Vraag me niet waarnaar ik op zoek ben, ik weet het zelf niet, maar ik kan niet anders. Ik ben niet de enige vandaag, dat grote rode loeder van hiernaast is ook buiten, en dat andere kreng, dat nooit iets zegt, maar je altijd aankijkt alsof je een stuk stront bent. Passief agressief, zou ik dat willen noemen, maar door iets te benoemen los je het nog niet op. Na een paar pasjes door de sneeuw ben ik maar weer naar binnen gegaan. Er gaat uiteindelijk toch weinig boven de warmte van de mand.