donderdag 30 juni 2011

Het ongelooflijke verhaal van de altist die werd uitgenodigd voor Thanksgiving


Rond de tijd dat Dick Oatts, aanstormend altist, werd gevraagd om in het orkest te spelen van Mel Lewis, de vermaarde drummer, werd hij uitgenodigd om bij de Lewissen Thanksgiving te vieren. Bij wijze van kennismaking, met Mel, en met zijn vrouw. En trouwens, het was toch rond die tijd. Oatts kwam vers uit Iowa, en kon wel een adres in de stad gebruiken, maar het belangrijkste was dat het gewoon gezellig zou zijn. Oatts kwam stipt op tijd. Hij was een beetje nerveus, maar hij had er ook zin in. Thanksgiving moest je ergens vieren en waarom niet bij je aanstaande bandleider? Lewis deed open en nog voordat Oatts zich had voorgesteld en met een drankje op de bank was geïnstalleerd, viel het hem op dat Lewis en zijn vrouw nogal onaardig tegen elkaar deden. Bits. Beter gezegd, ze waren aan het kissebissen. Zal wel een akkefietje zijn, dacht Oatts, waar ik niets mee te maken heb, de lucht zal spoedig zijn geklaard. Maar het tegendeel was waar, het gekissebis zwol aan tot verwijten, het verwijten ging over in beschimpen, het beschimpen verzandde in schelden en tieren en toen het echt uit de hand dreigde te lopen, verontschuldigde Lewis zich tegenover Oatts, duwde zijn vrouw in een belendende kamer, liep achter haar aan en sloot de deur. Even was het stil. Daarna bereikten Oatts de gedempte, maar onmiskenbare klanken van een volledige, tot volle wasdom gekomen echtelijke ruzie. Wat moest hij doen? Net toen hij op het punt stond te vertrekken, stak Lewis zijn hoofd door de deuropening en zei: 'Dick, why don't you help yourself to some turkey?'

woensdag 29 juni 2011

Dear Quentin Tarantino, or should I say: Inglourious Basterd?

Art by Demonika
To my horror I discovered that my favorite Amsterdam videostore Cultvideotheek is closing down. Tomorrow actually – so we still have time. Or should I say: you still have time? To pay those late fees? I'm referring, of course, to your glorious visits to Cultvideotheek in the early nineties, when you were doing 'research' for Pulp Fiction. We all remember the Amsterdam quote from that movie – "mayonaise – they fuckin' drown them in it" – but there were many, many more quotes from movies that you "rented" at Cultvideotheek. I'm happy you quoted from those movies, don't get me wrong, Pulp Fiction is a work of art, but what I'm trying to say here is that it's payback time. Those late fees became fucking late fees. I'm talking hundreds of thousands of dollars. Relax. This is actually a good thing. Cultvideotheek needs the money to survive, and you are sitting on it. If I'm not mistaken, Pulp Fiction did really well, and you are still making money off it thanks to the wonders of copyright. So now is the time to get your ass off that couch, write those fucking checks and do something back for the community. As you know from the ad in the New York Times last week, the cultural meltdown in Holland is in full swing. Halbe the Terminator is, well, terminating a lot of beautiful things. I'm not asking you to save The Brabants Orchestra. I'm not asking you to help finance a government take over, or a mission to remove certain elements from Dutch politics and drop them in the Northsea with the help of the CIA. I'm just asking you to pay those fucking fees. Thank you!

A concerned cinephile.

PS: Don't believe the people who say that all movies are available online anyway, because they aren't, and I don't have to tell you, I hope, how satisfying it is to go to a library of 10.000 films and have a knowledgable staff give you fucking recommendations.

dinsdag 28 juni 2011

Fijn dat fietsen, fris ook, maar flirten op de fiets is als kunstbiljarten in een opblaasboot.

P. Struycken: Shift 28
We waren het gisteravond bij ons derde witbiertje op het terras van de tennisclub terwijl de sterren als lichtjes uit een installatie van Peter Struyken aan de hemel verschenen  – O, verrukkelijke tangconstructie! – weer roerend met elkaar eens: jongens en meisjes hier te lande kunnen niet flirten. Jongens niet, dat spreekt, maar meisjes dus ook niet. Als getuigen waren aanwezig: toonleider P. die is schoolgegaan in Amerika, waar ze uitstekend kunnen flirten, en tennismeisje C., dat zichzelf moedig omschreef als 'single', en dat eveneens Amerikaanse, Franse en Hollandse flirtages of pogingen daartoe in de strijd kon werpen. Om ook iets te zeggen te hebben poneerde ik de volgende stelling: 'Hollandse jongens en meisjes kunnen niet flirten omdat ze de benodigde speelsheid missen. Daarenboven is de maatschappij te gesegregeerd voor al te spontane interacties, en het openbaar vervoer werkt ook niet mee.' Deze drieledige stelling werd gisteravond voetstoots aangenomen, maar vandaag vereist hij in het schelle licht van de waarheid enige adstructie. Holl. jongens en meisjes zijn bang om een blauwtje te lopen cq. zwanger te raken. Ze nemen zichzelf te serieus tenzij ze zich in een coma hebben gezopen maar dan is sprake van aanranding. Holl. valt uiteen in groepen van gelijkvormige lieden die onderling nauwelijks interacteren. Een van de redenen van het gebrek aan interactie, en hier kom ik op een van mijn stokpaardjes: het OV leent er zich niet toe. Ten eerste wordt het OV door teveel jongens en meisjes helemaal niet gebruikt omdat ze liever fietsen. Fijn dat fietsen, fris ook, maar flirten op de fiets is als kunstbiljarten in een opblaasboot. Flirten doe je in de metro, met banken die niet in rijen staan opgesteld, als in een klas, maar tegenover elkaar, met de rug naar de zijwanden dus, voor optimaal oogcontact. Hoe vermoeiend, om altijd maar weer gelijk te hebben.

maandag 27 juni 2011

Weldoener


Voor het eerst heb ik mogen proeven hoe het is om weldoener te zijn. Dat werd hoogtijd inderdaad. Na jaren wereldverbeteren wil je wel eens wat terugkrijgen, om te beginnen van de wereld. Dat hoeft geen slijk der aarde te zijn. Ik ben een gevoelsmens; ik doe alles voor het gevoel. De wachtkamer was tot de nok toe gevuld met Brazilianen – vrijdagavond is Brazilian Night omdat een van de dokters Portugees spreekt en zoiets zingt verbazingwekkend snel rond in die gemeenschap. Voorzichtig hield ik een handvol formulieren en een koker met pennen omhoog. Als in een rugbyscrum stoven ze op mij af, elkaar ellebogend, elkaar wegduwend, over elkaar heenbuitelend, en grepen naar de formulieren en de pennen. Ik stel me voor dat zulke taferelen in Malawi schering en inslag zijn, maar in Amsterdam ken ik het alleen van eendjes voeren. De overeenkomst met dat eendjes voeren was opvallend. Ik was deze patiënten aan het voeren. Hoop, waarschijnlijk. Toen de eerste lading formulieren en pennen op was, trok ik me terug in mijn hok en maakte een nieuwe lading klaar. Ik moet gaan lobbyen voor de aanschaf van een nummertjesapparaat, want volgorde bepalen is in dit geval een delicaat, niet te zeggen explosief klusje, hoewel niet zo delicaat en explosief misschien als het opvangen van wat er zoal uit een patiënt komt in een teiltje. Het zal vast niet lang meer duren of ik mag ook eens proeven hoe het is om opvanger te zijn.

vrijdag 24 juni 2011

Filippica op vrijdag: Lokatie


Een kluitje twintigers, onder wie twee modellen, lampen op een statief, een driftig klikkende camera tegen de achtergrond van boekenkasten: een modeshoot in de bibliotheek. Wel ja, waarom niet? Beter dan een begraafplaats. En het is toch een openbare bibliotheek, of niet soms? Waar zijn boeken in een bibliotheek anders goed voor dan om als achtergrond te dienen voor een modeshoot? Boeken als dummies. Dummies voor dummies, hoe vind je die? Als mijn favoriete fotograaf nu de leiding had over deze shoot, dan zeg ik ja, dan heeft het mijn zegen, dat spreekt voor zich, maar dit. Hippe meisjes die driftig voorbij stappen met een telefoon aan het oor, en als ze mij zien, beginnen te fluisteren, zo van: die zal wel stilte nodig hebben, die ouwe zeikerd daar die zit te knikkebollen boven die muffe letters. De modellen, I kid you not: twee hippe jongens met koptelefoons op. Waarom geen gasmaskers? Of spiegelende hoofddeksels à la Zeeuws Meisje? Waarom zou je überhaupt twee modellen in een shoot willen hebben die je zo, vrij in het wild, al overal om je heen ziet, behalve dan in de bibliotheek misschien, ook al is die openbaar? Dit is de paradox van de mainstream. Waarom geen bejaarden met koptelefoons, dan heb je nog iets, of kippen met Ray Bans, maar jongens met koptelefoons? Waarom zou ik een blad kopen met foto's van jongens met koptelefoons? Misschien als ik zelf een jongen met koptelefoon zou zijn, dan valt het nog te begrijpen, want dan kijk ik naar mijn soortgenoten, maar jongens kopen geen bladen. Het zijn natuurlijk weer meisjes die die bladen kopen, en die bedacht hebben dat die jongens met die koptelefoons eens een keertje in de openbare bibliotheek gefotografeerd moeten worden. Briljant! Vernieuwend, avantgardistisch, niet te zeggen: revolutionair! Hier wordt de nieuwe Rineke, de nieuwe Inez, de nieuwe Dana geboren! Maar heeft iemand ze verteld dat ze op de kinderafdeling staan?

donderdag 23 juni 2011

Grijze graaier


De pauze was net afgelopen, we liepen terug naar onze stoelen op het balkon van het Muziekgebouw aan 't IJ voor de tweede helft van Toonzetters, de mooiste hedendaagse composities van 2010, iedereen had al een wijntje op, want die wijntjes worden erbij geserveerd, die hoef je niet meer apart te bestellen, goede regeling inderdaad, toen ik een man, voor in de vijftig, swingend jasje, kauwgum in de mond, vrij uitvoerig een vrouw in haar kruis zag graaien. Let wel: hij kneep niet in haar billen. Hij beet ook niet in haar oor. Dat had allemaal gekund, heel goed zelfs, onder de omstandigheden, maar zulks deed hij niet. Hij graaide in haar kruis. Vrij uitvoerig. Het is goed om die omschrijving nog eens te herhalen, omdat hij niets teveel en niets te weinig zegt over wat er aan de hand was. Hij graaide niet in haar broek, die zat daarvoor te strak, ze had die broek dan uit moeten trekken, en daar was geen tijd voor, dus graaide hij over, door de stof heen. Daardoor kreeg het graaien behalve iets gretigs ook iets vergeefs, want wat dacht hij te bereiken bij deze vrouw? Wat was zijn oogmerk? Wat het ook moge zijn, zij liet het zich welgevallen, huppelde zelfs van genot, leek eraan gewend. Dit stel leek zich maar met moeite te hebben losgezongen van de wellust om de toonkunst een kans te geven. Toen het concert was afgelopen en de stoet weer richting foyer ging voor nieuwe wijntjes, wachtte ik zo onopvallend mogelijk bij de rij van de grijze graaier en de vrouw, om te zien of hij weer zou toeslaan, maar nee. Ik bekeek hem nog eens goed. Zijn haar was grijs en vet, maar dat wist ik al. Zijn jasje swingde, ook geen nieuws. Hij kauwde op kauwgum, dit viel te verwachten. Rusteloos om zich heenkijkend veerde hij op zijn zwarte gympen. 'Wat mij opvalt,' zei ik tegen toonleider P., toen we weer aan de bar stonden, 'is dat het publiek hier zo beschaafd is.'

woensdag 22 juni 2011

Ontdekking





Iedereen ontdekt vroeg of minder vroeg in zijn leven dat het volmaakte geluk onbereikbaar is, maar weinigen staan stil bij de tegenovergestelde gedachte: dat hetzelfde geldt voor het volmaakte ongeluk. De krachten die zich tegen de verwezenlijking van die beide uitersten verzetten zijn van dezelfde aard: ze komen voort uit de menselijke staat, die niets dat oneindig is verdraagt.

Voor ontdekkingen, ook literaire, geldt: beter laat dan nooit. Een late ontdekking is nog steeds een ontdekking. Primo Levi en Is dit een mens waren een naam cq. een titel die al jaren in mijn hoofd wachtten op aandacht. Geduldig. Ze hadden alle tijd. Niet in mijn boekenkast, want ik bezat het boek niet. Dan kun je gaan lenen, of kopen. Als je gaat lenen, zijn je verwachtingen lager dan wanneer je gaat kopen. Ik weet niet wat mij uiteindelijk heeft doen besluiten het boek te kopen, dat valt niet te achterhalen, het doet er ook niet toe, het enige dat ik kan zeggen is dat ik bijzonder opgetogen ben dat ik het heb gedaan. Dat ik me niet heb laten afleiden door alle mogelijke flauwekul, alle mogelijke ruis, alle mogelijke andere literaire, en niet zo literaire ontdekkingen, die in mijn hoofd, in mijn boekenkast en daarbuiten staan te popelen om mijn tijd op te eten.

Het boek dat in mijn brievenbus belandde bleek uit twee boeken te bestaan: Is dit een mens werd gevolgd door Het respijt, een titel die ik nog niet kende. Als Is dit een mens een van de beste kampdagboeken is ooit geschreven, dan is Het respijt een van de beste 'gedwongen reis-boeken' ooit geschreven, nl. de krankzinnige reis die Levi, eenmaal 'bevrijd' uit Auschwitz, maakte door Polen, Rusland, Roemenië, om maanden later eindelijk, eindelijk, eindelijk thuis te komen in Turijn. Ik begrijp waarom hij zijn boek Het respijt heeft genoemd. Reis naar het einde van de nacht was een betere titel geweest, maar die bestond al.

Alles prachtig vertaald trouwens door Frida Vogels, dat zie je zelfs als je geen woord Italiaans kent zoals ik.

dinsdag 21 juni 2011

Het ongelooflijke verhaal van de jarige die de pont nam


De jarige leek het aardig om de pont naar IJmuiden te nemen, met als einddoel het strand, en een eetgelegenheid. Hij had hier goede verhalen over gehoord, over die pont van Amsterdam naar IJmuiden, met als einddoel het strand, en een eetgelegenheid, hij had hem alleen zelf nog nooit genomen. De veerpont naar IJmuiden was onderdeel van zijn masterplan om meer met de fiets te doen. Met zijn kinderen, met zijn vrouw, met zijn hele gezin. Aldus toog het gezelschap per fiets richting Admiraal de Ruyterkade, waar alle veerponten die uit Amsterdam vertrekken, klaar liggen, om, nu ja, te vertrekken. 'Wachten jullie hier,' sprak de jarige, 'dan ga ik informeren.' Hij stapte van zijn fiets en liep de eerste de beste veerpont op. Hij was nog niet aan boord of de loopplank werd opgehaald, de touwen werden losgegooid, de motoren startten. Langzaam, maar onstuitbaar, en onomkeerbaar, maakte de zware stalen pont zich los van de kade om het IJ op te gaan. De jarige keek over de reling naar zijn gezin, dat langzaam, maar onstuitbaar, en onomkeerbaar kleiner werd. Moest hij zwaaien? Bellen? Nog net kon hij zien hij hoe zijn vrouw rolde met haar ogen. Hoe zijn oudste kinderen het uitschaterden, en hoe zijn jongste verschrikt en niet begrijpend om zich heen keek. Twintig minuten later was de pont weer terug. Hij ging niet naar IJmuiden. Ze moesten een andere pont hebben.

maandag 20 juni 2011

Betrapt


Toen ik de ABN/Amro-toren aan de Zuidas wilde binnengaan voor Het proces van de eeuw, zag ik een man voor me met een presentje onder de arm die ook op weg was naar Het proces van de eeuw. Tenminste dat dacht ik. Als ik op weg ben naar een bepaalde bestemming en ik zie mensen dezelfde kant opgaan, denk ik altijd dat zij dezelfde bestemming hebben, of weten wat de mijne is. Gelukkig is dat zelden het geval, hooguit bij massabijeenkomsten, die ik uit principe mijd. Ik maakte rechtsomkeert. Het leek mij plotseling onbeleefd om met lege handen aan te komen zetten. Op het regenachtige Gustav Mahlerplein ontwaarde ik echter winkels noch bloemisten. Het geld wordt hier binnengehaald, maar het kan niet worden uitgegeven. Ik overwoog een rozemarijnplant te gappen van een tafel bij een restaurant; de angst om betrapt worden won het van mijn gapbereidheid. Bovendien: wat moet een mens met een rozemarijnplant? Dan kon ik net zo goed een asbak meenemen. Ik besloot wat bloemen te plukken uit de goed gesorteerde bloemperken. Sommige stengels gaven niet dadelijk mee, en moesten met enig geweld worden ontworteld, hetgeen vieze handen tot gevolg had, maar ik was eraan begonnen, ik had het in mijn hoofd gehaald, dus ik kon niet meer terug. Mijn bloemen discreet achter mijn regenjas verbergend, begaf ik me opnieuw naar de ingang van de ABN/Amro-toren, waar ik door een dame werd onthaald die me vriendelijk verzocht te wachten op mijn escort naar de bovenste verdieping. Het is lang geleden dat ik ben geëscorteerd. In de lounge van de ABN/Amro-toren stond een bronzen beeld van Willem de Kooning. Een vroeg beeld, schatte ik. Nieuwe ABN/Amro-escortdames arriveerden, we gingen naar de lift, passeerden een ander kunstwerk, maker onbekend, dat er een stuk later, en een stuk, hoe zal ik het zeggen, chaotischer uitzag. Op de 23ste verdieping hield de escort op. Ik mocht mijn jas afgeven. Het was druk; diverse gezichten die mij bekend voorkwamen, bleken getooid met een baard. Christiaan Alberdingk Thijm drukte ik mijn bloemen in de hand met de woorden: 'Een veldboeket voor de auteur.' 'Dit is het mooiste geschenk dat ik gekregen heb,' zei hij, mijn handen inspecterend. Ik kon technisch gezien weer gaan, want ik had Het proces van de eeuw al in huis, maar zoiets kan verkeerd worden uitgelegd. Ik wurmde me door de menigte naar de glazen wand die uitzicht bood over de stad. Mijn blik viel onmiddellijk op het fietspad door het Beatrixpark waaroverheen ik zojuist was gekomen. Het leek alsof ik mijzelf had betrapt.

vrijdag 17 juni 2011

Filippica op vrijdag: Prutswerk


Het gaat me niet om vaderdag, dat zou te makkelijk zijn, hoewel je daar, ook – nee: juist – als vader duizend filippica's aan zou kunnen wijden, het gaat me ook niet om het woord fijn hoewel dat mij, door de veelvoudige toepassing, met name in begroetingen, het bloed zo langzamerhand onder de nagels vandaan haalt, nee, het gaat me om het fijn een werkstuk maken voor de ouders, in casu de pappa. Het gaat me om het idee dat er iets gemaakt zou moeten worden. Het gaat me om het idee dat er iets gemaakt zou moeten worden door het kind. Het gaat me om het idee dat er iets gemaakt zou moeten worden, door het kind, voor de pappa. Iets fijns. Het gaat me om de gemaakte vrolijkheid ervan, de gemaakte handvaardigheid, het hoge 'wees ontroerd of ik schiet'-gehalte. Kortgezegd: de production values. Het gaat me dus niet om de bedoeling erachter, want die is ongetwijfeld goed, en ook ik zou, wanneer ik als werknemer op een kinderdagverblijf mij niet al na het fruithapje in het toilet had opgesloten, van pure wanhoop aan fröbelwerk beginnen, aan knutselwerk, aan aan prutswerk. Wat anders? Voor wie zijn kind niet de hele dag achter het bewegend scherm wil zetten zijn de mogelijkheden op deze leeftijd beperkt. Hoeveel boekjes kun je lezen, hoeveel puzzels kun je maken, hoe vaak kun je van de glijbaan? Veel, veel, en vaak, is het antwoord; toch zijn het eindige bezigheden, en bovendien: ze leveren niets op. Niets tastbaars. Niets fijns. Niets fijns voor pappa. Ik heb die kinderdagverblijfwerknemers dus niets te verwijten, ik ben ze zelfs zeer dankbaar, ik bewonder ze om hun geduld, hun handigheid, hun wijsheid (vooral hun geduld trouwens), maar ik was graag verschoond gebleven van het prutswerk. Láát die kinderen. Laat die kinderen niets maken, niets tastbaars, niets wat zogenaamd de moeite waard is. Ze hebben nog hun hele leven om hun ouders prutswerk te laten zien.

donderdag 16 juni 2011

Met bajonetten en pistolen


Afghanistan schijnt voor vrouwen het minst aantrekkelijke land te zijn om in te wonen, staat in een rapport van de goededoelentak van Reuters-Thomson, maar Congo is het sexueel gewelddadigste land. De schattingen van het aantal verkrachtingen in de voormalige Belgische kolonie lopen uiteen van 40 (binnenlandse schattingen) tot 1150 (buitenlandse schattingen) per dag. Als dat laatste getal klopt worden er terwijl ik dit schrijf 50 vrouwen verkracht. (Helaas worden ze ook verkracht als ik dit stukje niet zou schrijven, dus ik ga er maar even mee door.) Dat aantal verkrachtingen is tot daaraan toe – dat ik zo'n zin ooit zou schrijven komt alleen maar omdat ik murw gebeukt ben door verkrachtingsrapporten – maar de manier waarop. 'Verkrachting met bajonetten en het afschieten van pistolen in vagina's komen geregeld voor,' staat in het rapport. Wat maken wij ons hier druk over het al dan niet verdoofd slachten van wat beestjes terwijl er in Congo vrouwen met bajonetten worden verkracht en pistolen worden afgeschoten in vagina's? Makkelijk scoren, inderdaad, maar voor mij was dat gedoe met die bajonetten en pistolen nieuw. Dat had ik nog niet eerder gehoord, hoewel het misschien heel erg voor de hand ligt, als je toch bezig bent. Ik vraag me nu af wat de Hutu's en Tutsi's tijdens de oorlog in Ruwanda niet allemaal nog meer hebben uitgespookt met die machetes behalve elkaar de keel doorsnijden. Het was niet mijn bedoeling in iemands hoofd het beeld te planten dat met deze vormen van Congolese verkrachting gepaard gaat, maar het kan niet anders. Pijnloze bewustwording is geen bewustwording.

woensdag 15 juni 2011

Functioneringsgesprek (VII)


Heer Frölke, mag ik u feliciteren?
Nee. 
Dan doe ik het toch. Namelijk met uw keuzevrijheid.
Nee.
Dat begrip 'keuzevrijheid' is een vakterm. Misschien voor u moeilijk te bevatten. Waar het om gaat is dat u heeft laten blijken een keuze te kunnen maken. Bij de lunch, tussen kaas en roomkaas. En dat is heel wat.
Nee.
Men zou zelfs kunnen zeggen dat u hiermee definitief tot het mensdom bent toegetreden. Vóór uw keuzemoment kaas/roomkaas was uw intelligentie ongeveer gelijk aan die van een aap of een miereneter. Grappig hè? Nu bent u in het bezit van vrijheid. Nogmaals gefeliciteerd, en doe er wat mee.
Nee.
Dan: uw liberale gebruik van tweelettergrepige woorden van de laatste tijd. Binnen, open, eten, ga zo maar door, ga zo maar verder. Ge-wel-dig! Dat zijn er drie: Frölke, kijk daar eens naar. Maar wat een vooruitgang op dit voor uw vadertje zo belangrijke terrein! Hij kan niet wachten tot u hem 's ochtends wekt niet met gezanik maar met briljante kwatrijnen!
Nee.
Het laatste waar ik u nog mee wil feliciteren, maar dat is meer een gebbetje, een stukje humor van de afdeling personeelszaken naar de werknemer toe, en dat is.... – wacht: weet u waar ik op doel, heer Frölke?
Nee.
Die handbewegingen, terwijl u uw zelfgemaakt Italiaans ten beste geeft in de kantine: dat is puur baby mafioso. Wij, van Team Verandering, beleven er veel plezier aan. U ook volgens mij. En het aardige is: we maken er wel een aantekening van, maar van ons mag u die routine erin houden. Maar dat kan u vast allemaal niets schelen, of?
Nee.
Bedankt voor de moeite.
Nee.

dinsdag 14 juni 2011

Cri de coeur


Help. Ik ben mijn dagboek kwijt. Hallo, dit is een cri de coeur. Een cri de coeur gericht aan de wereld, aangezien Transavia en zijn afhandelaar op Rotterdam The Hague Airport al  eerder telefonisch nul op rekest gaven. Het is allemaal weer zinloos, zoals altijd. Maar een cri de coeur wil eruit, daar kan ik ook niets aan doen. Wat zijn de feiten? De feiten zijn dat ik mijn dagboek – handgeschreven, speciaal voor mij, mijzelf en ondergetekende, en niemand anders – in het voorvak van stoel 13D op Transavia vlucht HV huppelepup van Nice naar Rotterdam heb laten zitten. Ik weet mijn stoelnummer nog zo goed omdat ik dacht: 13D? Dan zullen we wel neerstorten, want 13 voorspelt over het algemeen weinig goeds en D staat voor destructie. Waarom sloopt Transavia überhaupt stoelrij 13 er niet uit? Is dat zoveel moeite voor de gemoedsrust van de passagiers? Maar goed, dat toestel is nog heel, geloof ik, dus ik weet nu waar 13D wel voor stond, namelijk 'wij gaan uw Dagboek kwijtmaken'. Transavia wist te melden dat het tot de veiligheidsvoorschriften behoort dat vliegtuigen helemaal worden nageplozen en uitgekamd na elke vlucht, ook de vakken in de rugleuningen. De kans dat mijn dagboek nog in zo'n vak zit, tussen Transavia Magazine en een kotszak, is, ik citeer, 'uitgesloten'. Maar wat o wat heeft die afhandelaar met mijn dagboek gedaan? Hier kom ik op het terrein van de speculatie – mijn specialiteit. Ik zie een uitgeputte, onderbetaalde afhandelaar door de stoelrijen van het Transavia-toestel ploegen, oude kranten dumpend, lege waterflesjes, aangevroten sandwiches, stukjes semtex. Dan komt de afhandelaar bij stoel 13 D: ziet er keurig netjes uit, geen non descripte vlekken, geen kruimels, geen raar luchtje, maar wel dus, tussen Magazine en kotszak, een (Japans, bota bene) opschrijfboek met daarop, handgeschreven, in diverse talen, de tekst 'dagboek van the one and only, adres zus en zo, telefoonnummer tralala, gelieve zo snel mogelijk terug te bezorgen'. De afhandelaar slaat het ding open: van boven tot onder, van begin tot eind, volgeschreven bladzijden. Hier en daar, het oog wil ook wat, een tekeningetje. Maar nu komt het: afhandelaar werpt dagboek, vrucht van jaren eenzaam werk, in vuilniszak en vuilniszak gaat linea recta naar vuilverbrander – laat dat maar aan Rotterdammers over. Zo'n visioen doet pijn. Natuurlijk is er ook een alternatief visioen, namelijk dat de afhandelaar op dit moment, terwijl ik dit schijf, mijn pijnlijk nauwkeurige notities van 2008-2011 probeert te ontcijferen, en, als hij daarmee klaar is, eerst de Telegraaf opbelt en daarna Sotheby's. Dan zal ik uiteraard volhouden dat het om een vervalsing gaat.

maandag 13 juni 2011

Geachte Corine Koole,


U schrijft in uw bundel 'Hoe mannen liefhebben' dat Les Choses de la Vie, volgens u een van de mooiste films over de liefde, aantoont dat de romantische liefde niet zonder melancholie kan, niet zonder het gevoel dat het geluk altijd onbereikbaar zal blijven. Altijd geïnteresseerd in de liefde, zowel geestelijk als privé, ben ik direct deze film gaan zien. Ik geef toe dat het een mooie film is, en niet alleen omdat Romy Schneider een tragisch mooie vrouw is – tragisch-mooier nog dan Liv Ullman in Scenes uit een huwelijk, als dat mogelijk is – maar ik betwijfel of Les Choses de la Vie een van de mooiste films over de liefde is (wel een van de mooiste films over een auto-ongeluk, samen met The Unbearable Lightness of Being). Deze film gaat minder over liefde dan over lot omdat ik niet overtuigd ben van Pierre (Michel Piccoli) zijn hete liefde voor zijn jonge vriendin Hélène (Romy), noch van zijn warme liefde voor zijn ex-echtgenoot en moeder van zijn zoon Catherine (Lea Massari). Pierres liefde voor deze vrouwen wordt aangenomen, maar ik wil er als toeschouwer graag wat bewijs voor zien. Samen in één shot zitten en een sigaret roken is onvoldoende. Zeker, we krijgen wat flashbacks (flashbacks in een flashback) met gelukzalige liefdesmomenten, maar in de tegenwoordige tijd lijken zowel H. als C. hem niet bijzonder te interesseren. Interessant, niet? Maar het ging me om uw theorie over de melancholie van de liefde. Liefde kan inderdaad niet zonder weemoed, omdat ware geliefden alle, dus ook weemoedige, gevoelens delen, maar die weemoed is geen uiting van de onmogelijkheid van geluk, zoals u stelt, want dat zou neerkomen op een gefrustreerde liefde en daar is niets romantisch aan. Die flashbacks van P. & H. op de fiets, P. & C. op de zeilboot, laten juist wel momenten van puur geluk zien, zij het verschillende vormen van geluk, waarnaar hij terugverlangt. Dat verlangen zou ik nostalgisch noemen. Nostalgie is bij uitstek romantisch, maar nostalgie sluit geen rozige toekomst uit. Alle liefde is hoopvol, tegen beter weten in. Hoop is het enige dat we hebben. Hoop, lust en verlangen. En, af en toe, geluk (in beide betekenissen van dat woord). Als er van zulks te weinig is, of als de startmotor defect is (excusez le mot), moet je ook durven scheiden. Als iets van toepassing is op liefde dan is het de afgekloven raadgeving 'mens durf te leven.'

PS: U hebt volkomen gelijk dat La Chanson d'Hélène een liedje is, dat je, als je het eenmaal gehoord hebt, veertig keer wilt horen – net zolang tot het je keel uitkomt. Er gaat niets boven zangers die door hun eigen kunst tot tranen geroerd worden. Het liedje zelf deed me denken aan 'You've changed', helaas zonder bewegend beeld.

vrijdag 10 juni 2011

Bulgaren


Een caravaan Bulgaren trekt aan mij voorbij terwijl ik op een bankje zit te lezen in een parkje in Nice. Ergens, niet ver van hier, moet een bus zijn geleegd. De gids, met het parapluutje, of gênanter, een vlaggetje, of, nonchalanter, een opgerolde krant, heb ik gemist. Ik vermoed dat het Bulgaren zijn omdat ze Bulgaars lijken te spreken en onooglijke tassen dragen waarop internetadressen staan gedrukt die eindigen in .bg. Dat het slaven zijn, en geen mediterranen, lijdt geen twijfel. Deze lui sjokken met afhangende schouders, zien bleek en kijken bedeesd. Ze missen de zorgeloosheid, de opgeruimdheid, de ietwat simplistische, maar o zo aanstekelijke joie de vivre. Wie laaft zich niet aan een leven omringd door een azuurblauwe zee, een staalblauwe hemel, luxe paleizen, druiventrossen en geconfijt fruit? La richesse... Daar zijn ze ook voor gekomen, deze Bulgaren. De rijkdom. Of zijn het geen toeristen en komen ze om een stukje van die rijkdom af te snoepen, in plaats van haar te vergroten? Zijn het seizoensarbeiders, arbeiders voor alle seizoenen, nieuwe Fransen? Zo ja: sterkte aan hun werkgevers. Eén kale Bulgaar in het gezelschap denkt een kortere route te weten door het parkje maar wordt teruggefloten. Er is geen kortere route, alle Bulgaren moeten dezelfde kant op. Ook nieuwe vrijheid moet in banen geleid. Misschien heb ik de Bulgaren verkeerd gelezen en is dit het neusje van de zalm. De elite. Het beste koor van de Balkan. Terwijl ik me weer probeer te verdiepen in mijn boek, hoop ik dat ze het naar de zin zullen hebben in Nice. Dat Nice hen niet teleur zal stellen, of ze nu op zoek zijn naar werk of amusement. Aan Nice zal het niet liggen.

donderdag 9 juni 2011

Oude meester


David Hamilton heeft zijn blik laten vallen op mijn vrouw en niet omdat zij mijn favoriete fotograaf is. Hij staat aan de strandbar bij Le Club 55 in St Tropez. Het is niet moeilijk te zien waarom: het wemelt van de rauwkost grazende modeltypes. Vanaf een afstandje kan ik zien dat hij een hoed op heeft, aan een sigaar lurkt, witte wijn drinkt en niet meer zo piep is, maar dat laatste vermoedde ik al. 'Ik heb een paar handkussen van hem gekregen,' vertelt mijn favoriete fotograaf buiten adem. 'Niet één, een paar. Hij lebberde gewoon mijn hand af.' Als we hem na de lunch een bezoek willen brengen, is hij ineens verdwenen. Dan, enkele ogenblikken later, staat hij er weer. Gelukkig maar. 'Are you a photographer,' vraagt hij. Ik schud mijn hoofd en knik naar teerbeminde. Dat biedt hem andermaal de kans bij haar in het gevlei te komen. 'You don't belong behind the camera but in front of it,' concludeert hij. Ik wil hem hierin geen ongelijk geven. Als ik hem vraag 'What are you working on?' haalt hij uit een versleten katoenen tasje een exemplaar van The Art of David Hamilton tevoorschijn. Zwarte kaft. Binnenin de bekende soft focus, maar nu overgoten met craquelé, net zoals de oude meesters, aan wie het boek ook is opgedragen – dit is aardig van hem. Dat craquelé heeft hij niet zelf over zijn foto's gegoten. 'No photoshop,' verzekert hij geheimzinnig. Tweehonderd euro moet het boek kosten, en hij heeft er al drie verkocht: Le Club 55 is zo'n plek waar vraag en aanbod elkaar moeiteloos ontmoeten. Mijn blik valt op de achterflap, die een meisje te zien geeft op een stoel, met tussen haar benen het hoofd van een jongen. 'What's he working on?' vraag ik. Zonder een moment na te denken, zegt hij: 'Breakfast.'

woensdag 8 juni 2011

Île flottante


Het verschil tussen een hotel en een drijvend hotel is dat het ene niet drijft, en het andere wel, maar als dat drijven onmerkbaar gebeurt, stiekem, bewegings- en geluidloos, dan blijft er van het verschil weinig over, tenzij je per ongeluk uit een raam kijkt of over een reling en overal om je heen water ziet. Ik moet denken aan Michel Houellebecqs romantitel La possibilité d'une île. Daar denk ik wel vaker aan, omdat ik hem zo mooi vind, en ik vind hem mooi omdat hij te denken geeft. Dit drijvende hotel, dat dus eigenlijk nauwelijks of zelden drijft, of anders onmerkbaar, bevindt zich in wezen op een onzichtbaar eiland. Hoe weet ik dat de kiel niet vastzit aan de bodem? La possibilité d'une île flottante. Ach, wiegden we maar. Wie wil ons wiegen? Als we zouden wiegen, dan zouden we gelukkig zijn. Ik weet ook wel dat als het wiegen begint, verandert in schommelen en wentelen en bijna omslaan, je zou wensen dat het zo snel mogelijk weer ophoudt, maar nu kan ik me dat niet voorstellen. Ik heb nog nooit zo'n kalme zee gezien, althans niet vanaf een hotel dat er midden op of in ligt. Hoedanook, on s'amuse. L'impossibilité de ne pas s'amuser. 's Nachts zetten we de balkondeur open. Kunnen we inslapen bij de ruisende zee. Als zij ons niet wil wiegen, wiegen we onszelf wel.

dinsdag 7 juni 2011

Cruise


Ik hang over de reling van het balkon van de hut op dek zes en staar naar het stille water onder mij. Het regent zachtjes. De regen kietelt de kabbelende golfjes. We gaan niet of amper vooruit. Nergens voor nodig. Varen blijkt voor cruisen een overbodige luxe. De enige overbodige luxe. Als je dan zonodig vooruit moet, dan met een slakkengang. Starend naar het azuurblauwe water, drie verdiepingen onder mij, is de verleiding groot om naar beneden te springen, het terrasmeubilair naar beneden te slingeren, en naar beneden te kitsen. Alleen de verleiding om te kitsen weersta ik niet. Ik zie er ook weinig kwaads in, tenzij mijn speekselpakketje, als een verdwaalde meeuwenkwats, op een ondergelegen balkon naar binnen zou waaien, maar dat doet het niet, het landt recht onder mij, want er staat geen wind. Water op water kan nooit kwaad. Hoelang zou de aanwezigheid van mijn DNA nog meetbaar zijn in de Middellandse Zee? Niet lang denkelijk, dus wie wil bewijzen dat ik hier was moet vlug zijn. Het pakketje maakt een opmerkelijk luidruchtige landing op het wateroppervlak. Waarschijnlijk wordt het geluid van de val weerkaatst door de wand van het schip. Geluid draagt verder op water; dit is ook te merken aan het on board entertainment, dat vanuit het midscheepse pool deck wordt verspreid. Het gaat wat ver om on board entertainment overlast te noemen, maar veel scheelt het niet. Ik staar de lucht in. De sterren laten zich niet zien. Eerder vanavond was er een banaanmaan, maar die is langzaam opgelost in melkachtige wolken. Er zijn lichtjes: de lichtjes van Monte Carlo. Ze worden langzaam, heel langzaam, onmeetbaar langzaam, kleiner. Ik kan uren naar die lichtjes kijken, maar dat zal ik niet doen.

maandag 6 juni 2011

Ex


Mijn nieuwe vriend H. zegt dat de relatie met zijn ex pas normaliseerde nadat hij blind was geworden. 'Ik kan het je zeer aanraden,' aldus H. Ik heb veel over voor een genormaliseerde relatie met mijn ex, maar ik weet niet of ik mijn gezicht wil opgeven. Ja, wel mijn gezicht, af en toe, maar niet mijn gezicht. Ik wil nog wel graag een beetje rond kunnen koekeloeren, als het even kan, hoewel me een visuele handicap op een bepaalde manier ook heel fascinerend lijkt, maar dan als idee – als idee vind ik vrijwel alles fascinerend, maar daar heeft niemand iets aan. Mijn gehoor laat ik liever ook nog even intact – ik wil graag geloven dat je muziek kan voelen, als het volume maar hoog genoeg is, en dat dat heel bijzonder is, maar voorlopig ontvang ik klanken en gesproken tekst liever via gehoorgang en trommelvlies. De tast misschien? Maar dan alleen op heel afgelegen, onhandige plekken op mijn lichaam, waar toch niets te voelen valt, of op plekken waar je beter tastloos kan zijn, bijvoorbeeld op de plek waar een infuus doorgaans wordt aangebracht, onder je nagels of in je tanden. Mijn reuk- en smaakvermogen zou ik ook best bereid zijn op te geven, maar dan alleen tijdelijk; er zijn grenzen. Bijvoorbeeld een week. Zoals bij een verkoudheid. Zeker, een genormaliseerde relatie met mijn ex in ruil voor een verkoudheid lijkt me een prima deal, maar ik weet niet of zij er genoegen mee neemt.

vrijdag 3 juni 2011

Filippica op vrijdag: Blote bast


Daar heb je hem, voor het eerst dit jaar: de blote bast. Dag vrij, moet hij het water op. Lekker varen. Bier erbij. Aan het roer. De wijven zorgen voor de versnaperingen. Hij voor de boot. De overige passagiers zijn ballast. Als hij zijn blikje bier heeft en hij zit op het water, aan het roer, en de zon verwarmt de aarde tot aan kamertemperatuur, dan gaat de bast bloot. Daar kun je je klok op gelijk zetten. Dan is het leven af. Dan hoeft hij niks meer. Aan die gesprekken, tussen de wijven, en de overige passagiers, neemt hij geen deel. Die gelooft hij verder wel. Hij heeft zijn boombox. Lekker techno-trackje. Perfect voor zo'n boottocht waarbij niet gepraat hoeft te worden. Alleen maar vooruitgaan, is dat zo moeilijk? Niet voor hem. Alles uitdoen behalve de motor. De omgeving op je in laten werken. Je opperhuid met de omgeving delen. Dat is onvermijdelijk – tenzij je in de kajuit gaat zitten. Maar hij mag, wil, moet gezien worden: met boot, bast, wijven. De overige passagiers mogen wat hem betreft in de kajuit hun versnaperingen teruggeven aan het boordtoilet, maar niet hij. Wel effe pompen graag. Dat hij, als hij straks aan het eind van deze dag ook even moet, niet de boel alsnog schoon moet schrobben. 'Daar heb ik geen zin an,' hoort hij zichzelf hardop zeggen, met een gemaakt accent. Als hij denkt spreekt hij wat hij denkt meteen uit, kan hij het helpen, op een jolige manier. Waarom saai lullen als het ook jolig kan? Zo zit hij in elkaar. Gáán. Varen is gaan, niet stilstaan. Stilstaan doe je maar op de kade. Uitdrukkingsloos staat hij aan het roer, zwijgend, af en toe het blikje naar zijn ongeschoren smoelwerk brengend, licht meedeinend op de techno. Dat roeren stelt niks voor, zelfs niet in de bochten, niet met zo'n boot, maar dat hoeft niemand te weten. Terwijl hij vanuit zijn ooghoek de kade in de gaten houdt of de bootlozen, de bierlozen, de blote bastlozen hem wel zien, legt hij nonchalant een hand op zijn buik en laat een boer.

donderdag 2 juni 2011

Wijsheden uit het Braziliaanse oerwoud (VII)


1. Houd op met bellen. Houd op met berichtjes verzenden. Al dat gebel en verzend leidt alleen maar tot onnodige opwindig en frustratie, en maakt zaken veel ingewikkelder dan ze zijn. Als er iets is, laat dan wat van je horen. Als er niets is, houd dan je mond.

2. Toen mijn moeder trouwde en met haar man naar een van de noordelijke provincies vertrok, duizenden kilometers verderop, om daar een stuk land te gaan bebouwen, was dat het laatste wat haar moeder van haar heeft gezien. Ze hebben elkaar nooit meer opgezocht. Maar er is ook nooit meer gebeld. Er zijn nooit meer brieven geschreven, of zelfs maar een kaartje. Ook op niet op verjaardagen, want die worden niet gevierd.

3. Ik heb 21 broers en zussen in Brazilië die ik nooit spreek. Zij bellen mij niet, ik bel hen niet, schrijven doen we al helemaal niet. Als ik daar ben, zie ik er vaak een heleboel, of geen, dat hangt ervan af. Zij zijn in die dertien jaar dat ik in Nederland woon ook nog nooit langs geweest en hebben ook geen plannen om dat binnen afzienbare tijd te doen.

4. Wij missen elkaar niet. Nooit. Ik heb ook geen heimwee. Leven, dat is alles.

woensdag 1 juni 2011

The end of teaching

 
Moonwalking with Einstein, Joshua Foer's entertaining book on mnemonics, refreshed my recollection of a simple truth, namely that anyone can learn anything, as long as he or she has the self-discipline for what he calls deliberate practice for a sustained period of time (some say 10000 hours). Does this mean the end of teaching? Practise is one thing, deliberate practise is another. Deliberate practise is going to uncomfortable places. Yes, it has this masochist quality. When practising it is very attractive and rewarding in the short run, to do whatever you already know you can. For instance, when I play a Bach piece on the piano that I've played a thousand times (or at least a hundred; I still like it – not sure about the people around me), playing this will not get me any further. Although I have given up the idea of being a really good player some day (to dump that kind of ambition actually is quite a relief), everybody wants to get ahead in what he's doing. This is where deliberate practise comes in. You only get ahead if you try new, harder things, and if are willing to make mistakes – over and over again. The art of self teaching is to measure your steps ahead carefully: in piano playing, this means not going from Bach to Hindemith, because this will only cause frustration,  although this is exactly what I'm doing right now because someone gave me a Hindemith book. Even worse, the book contains Three Easy Pieces (Leichte Fünftonstücke, opus 45, nr 4) , which I have been studying now for some time. They are, contrary to the title, anything but easy. They look easy, that's all. 'These pieces require intelligence rather than dexterity,' Maurice Hinson wrote in an accompanying note. At first I thought that was comforting, because dexterity is not my forte, at least not on piano. But now I believe my intelligence won't do either. Perhaps I need a teacher.