maandag 31 januari 2011

Aanstellers



Alles went, en ik zal er geen traan om laten, maar het is moeilijk om net te doen alsof mensen in Santa Monica, of Beverly Hills, wat dat aangaat, zich niet aanstellen, want dat doen ze – obviously – wel. In het palmboomrijke parkje op Ocean Avenue, de promenade 50 meter boven de Pacific Coast Highway, zijn wij de enigen op deze (zoals zovaak, ongetwijfeld) zonovergoten zaterdagochtend die wandelen. De rest is bezig. Met joggen, in groepjes, in hele grote groepen, al dan niet gesponsord door opzichtige banken en aangemoedigd door krijsende trainers die bekertjes bronwater in de lucht houden. Met onduidelijke vechtoefeningen. Met een grote plastic fysio-bal. Met eenzaam opdrukken op het tapijtachtige gras. Met ingewikkelde rek- en strek oefeningen in groepsverband die op yoga lijken maar het waarschijnlijk toch niet zijn. Met kinderen in moeiteloos opzetbare, kleurrijke speeltenten. Met honden, in alle soorten en maten. Met iPads, -Pods, -Pids of wat voor draagbare entertainmentsystemen dan ook. Hoe is het mogelijk dat niemand genoegen neemt met het, ondanks de smog/fog, fenomenale uitzicht, en het goddelijke weder (strakblauw, windstil, 22 graden)? Eerder in Amsterdam al, was me de toon opgevallen in de correspondentie. Amerikaans wemelt van de hyperbolen, niet zo gek, want Amerika is een hyperbool, maar soms komen ze toch nog onverwacht. 'This is wonderful news,' was het antwoord op elke scheet die ik emailde aan een PR-dame in New York. Een PR-man in Beverly Hills ondertekende elke email met: 'Thank you so much.' Je hoort het hem zeggen. In het ontbijtrestaurant in het idyllische winkelcentrumpje in Brentwood lopen 15 mensen met witte schorten zich uit de naad voor 8 gasten. Als we eenmaal in ons eerste hotel zijn aangekomen, waar we 8 jaar geleden ook al, naar grote tevredenheid overigens, logeerden, krijgt een Amerikaanse dame vóór ons van de bijzonder welwillende receptioniste te horen dat er een pakje voor haar is gekomen en dat het pakje naar haar kamer is gebracht. 'Thanks,' zegt ze. Ik haal opgelucht adem. Voordat ze de liftdeur opent, roept ze alsnog: 'That's just awesome.'

vrijdag 28 januari 2011

Afslag



Ineens gaat iedereen dood. Natuurlijk gaat iedereen dood, ooit, maar soms lijkt het alsof iedereen tegelijk gaat. Niet iedereen, dat kan niet, want de meesten zijn er nog, maar voor mijn gevoel toch meer dan gewoonlijk. Doden vallen niet als druppels uit een kraan, als appels uit een boom. Sterfgevallen komen met horten en stoten, in groepjes, van 2,3,4, vul maar in – oorlogen en rampen daargelaten. Als er meer dan één iemand sterft, dichtbij en kort op elkaar, geloof je al gauw met massale sterfte te maken te hebben, een complot misschien zelfs, omdat de dood zich doorgaans in het dagelijkse gedoe van de levenden, tenzij ze in een mortuarium werken, zo weinig laat zien. Er zijn veel metaforen voor het leven, ook voor de dood trouwens, maar ik bedacht vanavond op de terugweg van Rotterdam naar Amsterdam deze, ik hoop niet dat ik dichterlijke lieden teleurstel: de snelweg. Meer in het bijzonder de vierbaanssnelweg (ik bedacht deze metafoor op de A4 ter hoogte van Schiphol). Het leven als vierbaanssnelweg: de haastigen, de jongeren, degenen met esprit, allure, energie en alle plannen van de wereld, bewegen zich op de linkerbaan. Dan gaat het telkens een baan rustiger, minder ambitieus, minder roekeloos, naar rechts, totdat je bij de uiterst rechtse baan bent – de vluchtstrook doet ook nog mee in noodgevallen – en dan komt vroeg of laat, de afslag. Sommigen scheuren van de linkerbaan ineens dwars over de andere banen naar de afslag, om hem net te missen, of juist net te halen. Anderen doen er wat langer over. Om de paar kilometer is er zo'n afslag. Hoe druk het bij de afslag wordt is niet te voorspellen. Er kan een file staan. Maar meestal zijn het gewoon een paar, die langzaam steeds verder naar rechts wijken, vaart minderen, en dan ineens verdwenen zijn.

donderdag 27 januari 2011

Het Brazilaanse model



Als ik zoonlief naar school breng laat de moeder van een klasgenootje zich ontvallen: 'In Brazilië kunnen kinderen van viereneenhalf zichzelf al redden op straat.' Zulks geeft te denken over het uitgebreide, getrapte, tijdverslindende onderwijsparcours waaraan wij onze kinderen onderwerpen, in de vage hoop dat ze op hun 18e – goed, laat ze één keer doubleren – 19e hun VWO halen om vervolgens, helemaal zelfstandig, aan Harvard of Princeton te gaan studeren en als schatrijke Nobelprijswinnaar terug te keren. Het Braziliaanse model betekent dat we over tweeëneenhalf jaar al van Huistiran af zouden zijn. Dat biedt perspectieven. Nix groep 1, nix naschoolse opvang, nix cito of eindejaarsmusical: de straat op met dat jong. Het leven, dat is pas een goede leerschool. Laat het hem maar allemaal zelf uitvogelen. Toegeven, het klimaat helpt niet mee. Ik ben helemaal voor buitenspelen, te allen tijde, weer of geen weer, maar ik zet vraagtekens bij het het slapen op een stuk karton. Hoeveel vuurtjes moet je stoken om niet onderkoeld te raken? Waar haalt een viereneenhalf jarige zo 1,2,3 lucifers en aanmaakhoutjes vandaan? 'Het zijn net dieren,' had de moeder van het klasgenootje nog gezegd. 'Ze leven in groepen.' Gelukkig, Huistiran hoeft het niet allemaal alleen te doen, die sluit zich aan bij een groep, laten we zeggen Groep Lijm. Er zal waarschijnlijk een keuze zijn tussen Groep Lijm en Groep Benzine. Dan kun je volgens mij het beste in Groep Lijm zitten, maar ja, de keuze is aan hem. Daar hebben wij niets over te zeggen. Dan: eten. Als ik Groep Lijm was, zou ik postvatten bij de kassa's van supermarkten en klanten helpen hun boodschappen in te laden. Voor geld, natuurlijk, of een deel van de boodschappen. Als het een deel van de boodschappen betreft, zou ik gaan voor stoommaaltijden, lang houdbare melk en stroopwafels. Je kunt ook alles jatten, maar dan heb je meer kans te belanden bij jeugdzorg. Dan: vrije tijd. Hoe lang kan een viereneenhalfjarige rondhangen op speelplaatsen in de stad? Niet lang. Zo'n kleine zelfstandige zal zich daar misschien zelfs helemaal niet willen vertonen. Speelplaatsen zijn voor baby's. Dus dan zit er niets anders op dan in de Openbare Bibliotheek te gaan gamen. Ik verheug me er nu al op.

woensdag 26 januari 2011

Sarcasme


Om mij een plezier te doen, dacht ze, kwam zij die mij heeft gebaard met een stapeltje rapporten uit de vorige eeuw aanzetten. Zij die mij heeft gehuwd stortte zich erop, maar zij die mij heeft gebaard riep haar op tijd een halt toe. Eerst mocht de gerapporteerde zelf kijken of hij destijds wel of niet door de beugel kon, om daarna te bepalen of deze gegevens zomaar open en bloot op tafel konden worden gelegd. Globaal wist ik het antwoord trouwens wel, namelijk dat ik nauwelijks door de beugel kon, maar de details waren me ontschoten. Op een rapport uit de tweede klas middelbare school moest, herinnerde ik me, één voldoende staan, maar ik kon hem niet vinden. Op een rapport uit ik meen de derde klas van de lagere school, ik moet toen 10 geweest zijn, had de leerkracht bij 'opmerkingen' genoteerd, in net handschrift, dat 'Viktor zich ongepaste vrijheden veroorlooft, veel praat, en daarbij sarcasme aan de dag legt.' Bij die ongepaste vrijheden kon ik me nog wel iets voorstellen, wie zich vrijheden veroorlooft begeeft zich al gauw op ongepast terrein, bij dat vele praten ook, maar het sarcasme verbaasde me. Hoe veel sarcasme kan iemand van 10 aan de dag leggen? Zoonlief, zelf 10, moest licht spottend lachen om de 'opmerking' op mijn rapport, niet te zeggen schamper. Als ik zijn eigen rapporten moet geloven, veroorlooft hij zich zelden vrijheden, en al helemaal geen ongepaste. Maar wat sarcasme is, hoef ik hem niet uit te leggen.

dinsdag 25 januari 2011

Thrill kill



Rope is een goede Hitchcock, zoals ik onlangs opnieuw mocht vaststellen, maar om andere redenen dan ik oorspronkelijk dacht. Mij was eigenlijk maar een ding bijgebleven, namelijk de noviteit dat deze film in één take was opgenomen. Zoiets kan natuurlijk niet, want de filmrollen moeten worden verwisseld (wat Hitchcock had opgelost door de camera te laten rusten op de achterkant van een jasje van een van de acteurs. Een natuurlijk fade to black, zogezegd.) Maar een film in een take opnemen is misschien een aardige uitdaging is voor een filmmaker die alles al gedaan heeft. De toeschouwer is het meteen weer vergeten. Veel indrukwekkender zijn de schitterende kleuren. Rope was Hitchcock zijn eerste kleurenfilm. Op de DVD staat een 'making of', die voor de afwisseling eens informatief is, en waarin je kunt zien hoe immens de Technicolor-camera's uit die tijd waren. Een soort rijdende boekenkasten, die ongeveer op de neus van de acteurs stonden, in het decor dat het New Yorkse appartement moet voorstellen waar het verhaal zich afspeelt. Rope gaat over een thrill kill: die wordt meteen al in het begin gepleegd. Dader en slachtoffer zijn bekend. De suspense zit 'm in de voorgeschiedenis van de moord en in de manier waarop de dader zichzelf zal verraden. De scenarioschrijver, alweer in de 'making of', was het niet eens met Hitchcocks besluit om de moord meteen in de eerste minuten te laten plaatsvinden. Hij wilde, net zoals in het Engelse toneelstuk waarop de film is gebaseerd, in het midden laten of de moord daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Maar dat had van Rope een typisch Brits woordspelletje gemaakt, terwijl het begin nu luguber is, en de film in zijn geheel daardoor beklemmender. Een ander interessant aspect van Rope is de onuitgesproken homoseksualiteit van de hoofdpersonen en de subtiele homo-erotische spanning die over hun spel hangt. Dat was in 1948 heel gewaagd. Nu is dat natuurlijk helemaal niet meer gewaagd, maar dat wil niet zeggen dat het achterhaald is. Het ging Hitchcock niet om emancipatie, politiek of wat dan ook. Het ging hem om het onuitgesprokene.

Een aardige Hitch-site.

maandag 24 januari 2011

Fuif



Tante werd tachtig, maar wilde op de dag van de fuif, die mijn moeder zaterdagmiddag zo attent voor haar had georganiseerd, niet wakker worden. Toen tante uit haar kamer werd gehaald sliep ze nog, toen tantes rolstoel in de lift werd gereden sliep ze nog, zelfs toen er EXTRA LUID tegen haar werd gesproken, bleef tante slapen. Ze leefde. Normaal gesproken doet ze geen dutje na de warme middagmaaltijd, maar deze zaterdag deed ze wel een dutje na de warme middagmaaltijd. Hoe wek je iemand voor zijn verjaardag? En: moet je iemand, die op zijn verjaardag niet wakker wil worden, eigenlijk wel wekken? Dit zijn ethische vraagstukken, waar eens stevig over moet worden gedebatteerd. Ik huldig het standpunt dat je niemand moet wekken tenzij het huis in brand staat. Dit standpunt heb ik in de loop der tijd ontwikkeld op basis van hard empirisch bewijs. 'Waarom wek je me in godsnaam? Het huis staat toch niet in brand? Of wel soms? Nou dan. Dus laat me in vredesnaam nog even liggen...' 'Eh, je bent jarig?' 'Niks mee te maken. Iedereen is wel een keer jarig, dat is helemaal niet zo bijzonder. Dus. Laat me met rust.' 'Ik heb een fuif voor je georganiseerd.' 'Heb ik om een fuif gevraagd? Dat bedoel ik. Maak dat je weg komt, of ik trek aan het rode koord.' 'Mensen zijn van heinde en verre gekomen, soms zelfs helemaal uit New Jersey, om jou te mogen zien.' 'Zo makkelijk laat ik me niet overtuigen. Moesten die lui uit New Jersey niet sowieso in Nijmegen zijn? En trouwens, ik lig hier heerlijk.' 'Mensen hebben liederen voor je geschreven en ingestudeerd. Die liederen willen ze graag in jouw bijzijn uitvoeren op de fuif.' 'Weten ze dan niet, dat ik nauwelijks meer iets kan horen?' 'Hoezo, je verstaat mij nu toch ook?' 'Als ik mijn best doe ja, maar de tekst van zo'n lied, daar versta ik nooit iets van.' 'De teksten van die liederen zijn uitgeprint en worden rondgedeeld, zodat iederen kan meelezen, en, liefst nog: meezingen.' 'Ik kan niet zingen, nooit gekund.' 'Het gaat om het idee.' 'Ik geef niks om ideeën.' 'Een glas witte wijn dan?' 'Waar is het?' En zo kwam alles toch nog goed.

vrijdag 21 januari 2011

Gaarkeuken


Een man zit in zijn eentje aan een tafel met een bord voor zich en een krant naast zich. Spaaien is geloof ik het woord voor de manier waarop hij het eten tot zich neemt. Een eindje verderop twee vriendinnen die iets te bespreken hebben, en ik bespeur een ouder echtpaar. Ik had meer bejaarden verwacht in de Stadskantine. Het is etenstijd voor bejaarden, en voor gezinnen met jonge kinderen. Wij zitten achter het raam en kijken naar naar passanten die zich afvragen of deze nieuwe gaarkeuken iets is, wat wij daar doen. Eten. Meer niet. Wij hebben een rekening uitstaan. Dat heeft niemand. Dat komt door onze complexe bestelling. 'Het idee van een kantine is dat je niet wordt bediend, zelf je eten haalt en meteen afrekent,' had de eigenaar in het nauwzittende t-shirtje dat veel behaarde huid laat zien eerder al uitgelegd op een toon die deed vermoeden dat hij dit al vele malen had uitgelegd. Dat komt, dit is een kantine met het uiterlijk van een restaurant. Het goede nieuws is dat het belangrijkste kenmerk van een kantine – zijn goedkoopte – bewaard is gebleven. Het slechte nieuws is dat je door het restaurant-uiterlijk op het verkeerde been wordt gezet. Een mens vergeet al gauw, wil al gauw vergeten, dat zijn eten €8,85 kost. Als het arriveert, dat wil zeggen, als ik de moeite heb genomen om het te halen, stel ik vast: 'Dit heeft 1 euro gekost om te maken. Vooruit, laat het 2 euro zijn.' Teerbeminde oordeelt: 'De lasagna van Feduzzi kost 7,75 en is beter.' Maar we zouden liegen als we zeiden niet in onze nopjes te zijn met de eenvoudige doch voedzame maaltijd, ook al is die overgaar, maar wat wil je. Alleen Huistiran is niet in zijn nopjes, maar die is dezer dagen zelden in zijn nopjes over welke maaltijd dan ook, maar hij vermaakt zich kostelijk. Bij het afrekenen valt mijn oog op onze rekening, waarboven een van de opschepsters in bubbelhandschrift heeft geschreven: 'Meneer.' Die kan ik in mijn zak steken, maar een fooi geef ik niet. Waarom zou ik een fooi geven in een gaarkeuken? Teerbeminde vindt dit te streng.

donderdag 20 januari 2011

Geachte heer Van Noorden,


Zeer veel dank voor uw enquête nr. 1012. Ik zal hem spoorslags invullen, om u, en de Dienst Onderzoek & Statistiek van de afdeling Economische Zaken van de Gemeente Amsterdam ter wille te zijn. Ik ben de meeste enquêteurs ter wille, behalve als het over ontbijtvoorkeuren, favoriete televisiekanalen, krantenabonnementen, godsdienstige kwesties, groene stroom, of over mijn moeder gaat. Statistiek heeft mijn bijzondere belangstelling, vooral die met betrekking tot werkgelegenheid. U heeft gelijk als u stelt, ook al doet u dat niet, dat werk het enige is dat telt. Wat mij echter heeft gewonnen voor uw enquête is de lengte van de enquête. U wilt maar 1 ding weten, en dat is hoeveel mensen, i.c. Amsterdammers, op of vanuit de vestiging werkzaam zijn. Nu heb ik één vraag aan u, en die luidt: wat verstaat u onder vanuit? Over het aantal mensen i.c. Amsterdammers dat op de vestiging werkzaam is kan ik kort zijn, dat aantal is 1. Ik had graag willen antwoorden dat Onbetrouwbare Hond Inc. een middelgrote onderneming is, met rokende schoorstenen, af- en aanrijdende opleggers, en talrijke typgeiten, maar de harde economische werkelijkheid is dat ondergetekende, niet alleen aan het hoofd staat van de onderneming, dat is het goede nieuws, maar de onderneming, in een zeker opzicht, nl. het letterlijke, ook is. Vergeef mij mijn cursieven, heer Van Noorden! Er zijn lui die met trots melden dat ze ZZP'er zijn, maar zij moeten worden gewantrouwd. Wie geen onderneming heeft, of desnoods is, kan evengoed meteen de bijstand in. Want wat is zelfstandigheid nu helemaal in het huidige tijdsgewricht? De muis die ik al een tijdje in de keuken achterna zit met een muisvriendelijke val is net zo zelfstandig als de eerste de beste ZZP'er, misschien nog wel zelfstandiger, nu ik erover nadenk, en personeel heeft hij ook al niet, dus die drie letters zeggen niets. Maar terug naar 'vanuit'. Als u mij vraagt, hoeveel mensen i.c. Amsterdammers houdt Onbetrouwbare Hond Inc. aan het werk vanuit de vestiging van mijn onderneming, dan kan dat aantal behoorlijk oplopen, statistisch gezien. Ik zou zelfs willen beweren, heer Van Noorden, dat dat aantal neigt naar oneindigheid. Dus wat wilt u dat ik invul?

Hartelijke groeten, hoogachtend, succes met de enquête, enz., enz, enz.

Drs. V.J.P. Frölke
C.B.B. Onbetrouwbare Hond Inc.
"Sinds 1967 komen wij geen enkele afspraak na"


woensdag 19 januari 2011

Begin in België.



Er is weinig waarvan ik dusdanig esthetisch in vervoering raak als verval. Niet zozeer in het menselijk lichaam, voorzover het mijn eigen lichaam betreft, of dat van mijn vrouw, maar vooral in industriële bouwwerken. Ik weet eigenlijk wel zeker dat ik meer waardering kan opbrengen voor een vervallen gebouw, goed: een mooi vervallen gebouw, dan een nagelnieuw architectonisch meesterwerk van Koolhaas of Coenen. Wacht even: het gaat me niet om vlug veroorzaakte ruïnes, zoals in het geval van oorlog en rampen. Ik hoef niet naar Ivoorkust of Haïti. Het gaat me om verval dat juist jaren, decennia (niet eeuwen, want dan is er weer te weinig van over), erover gedaan heeft om de structuur van het bouwsel aan te tasten. Het is de romanticus in mij waarschijnlijk, die geniet van de overwinning van de Natuur, van de Tijd, van de Dood, eigenlijk, op het menselijk streven. Zoiets. Als ik fotograaf was, zou ik allang de wereld afgegaan zijn op zoek naar de meest dramatisch vervallen gebouwen. In Nederland kom je niet zo snel op dat idee omdat Nederlanders zulke vlijtige opruimers, herstellers en nieuwbouwers zijn. Als het postkantoor ook maar een scheurtje vertoont gaat de sloophamer er tegenaan; binnen het jaar staat er een glimmende postwinkel, of zoiets. Of ze laten de gevel staan en pimpen de rest op. In Amerika laten ze gebouwen lekker wegrotten, om een eindje verder doodleuk opnieuw te beginnen. Plek zat. Goedkoper ook. Maar je hoeft niet naar Amerika om te kunnen genieten van verval. Begin in België. Natuurlijk is mijn foto-idee allang uitgevoerd, en wel door twee Belgen, die elkaar lijken te beconcurreren. Mijn voorkeur gaat uit naar Abandoned Places van Henk van Rensbergen. (Ik zou graag zijn beide boeken willen aanschaffen maar mijn bankrekening is abandoned.) Ik kom er niet achter van wie Forbidden Places is, maar dat hij of zij ook een Belg is lijdt geen twijfel. Bij sommige foto's vraag ik me af of de fotograaf niet met decorstukken heeft gesleept, om ze nog dramatischer te maken, want dat zou jammer zijn, maar dat is een kleinigheid.

dinsdag 18 januari 2011

Het ongelooflijke verhaal van de hond die klinkers uit de Amstel viste


Het lijkt meer dan een eeuw geleden, maar zondag scheen de zon. We achtten de tijd rijp voor een ommetje. Bij het schip, aan de Weesperzijde, dat in tweedehands wasmachines en ander witgoed doet, hielden we stil, om een hond te bewonderen die klinkers uit de Amstel viste. Zo vaak zien wij geen hond die klinkers uit de Amstel vist. We riepen oh en ah bij het schouwspel. Hoe deed deze hond dat? Waarom vond hij het fijn? Wie was zijn tandarts? Hoe kwamen die klinkers daar? Dat ging zo: zijn baasje, een verwaaide grijze dame in een waxcoat, wrikte een klinker los uit het plaveisel, wierp die in de Amstel, en haar breedkakige hond, een of andere Terriër schat ik, sprong er achteraan. Nu komt het: de Terriër ging kopje onder, kennelijk om de rivierbodem af te snuffelen. En niet seconden, maar uren. Men vreesde, ik althans, voor zijn leven. En zie, zonder uitzondering kwam dat kopje boven met de, of in elk geval een, klinker in de bek. Zo'n grote, zware. De Terriër klom op de kade, plempte de klinker in een bloemperk en schudde zich tot vermaak van de bijstanders het water uit de vacht. Wij beleefden veel plezier aan dit spektakel, terwijl we toch al zoveel plezier aan elkaar beleven, kunt u nagaan, maar men kan er donder op zeggen dat op een zonnige zondag aan de Weesperzijde er vroeg of laat iemand een afkeurende opmerking komt maken. Hij kwam van rechts. Dat wil zeggen, een heerschap dat al een tijdje klaarstond om op te treden, maar nog wijfelde, stapte uiteindelijk min of meer kordaat op de verwaaide waxcoat af en zei: 'Weet u wel dat op deze manier allemaal... stenen in de rivier komen?' Het was niet sterk geformuleerd, want er kwamen niet allemaal stenen in de rivier, omdat de hond die er juist uitviste. Als er al een probleem was, dan bestond het eruit dat er stenen uit het plaveisel werden gehaald, en dat noch de bazin, noch de Terriër veel haast leek te hebben die terug te plaatsen. Maar de bazin was voldoende op heur stoute handjes getikt om zich, toch nog ietwat beschaamd, terug te trekken. De hond trof hoe dan ook geen blaam, al zou ik hem niet graag op visite hebben.

maandag 17 januari 2011

Alles zoop en hanteerde naald en draad.


De DVD 'Literaire ontmoetingen', met daarop de gelijknamige schrijversportretten en -interviews gemaakt door Hans Keller en Hans Gomperts uit de jaren zestig, zou verplichte kost moeten zijn voor iedereen die zich... voor iedereen, eigenlijk. De serie bevat prachtige momenten. Een nerveuze, door Gomperts in het nauw gebrachte Mulisch, die toen al mythischer redeneerde dan goed voor hem was, en voor Nederland. Dan besef je hoe laat hij de kracht van het verhaal om het verhaal heeft ontdekt. De ontmoeting met Remco Campert werd te elfder ure van hogerhand geschrapt, omdat in één van zijn gedichten het woord 'naaide' voorkwam. (Voetnoot: slechts drie kranten, vertelde hij dertig jaar later, durfden de volgende dag het beladen woord af te drukken: Trouw (!), en twee Friese kranten. Geen enkele krant kwam op het idee om te zinspelen op de eerste betekenis van naaien.) De ontmoeting met Elsschot vond uiteraard niet plaats, omdat Elsschot al geruime tijd onder de zoden lag. Wel komt de kijker te weten dat Elsschot in de twintig jaar vóór de oorlog elke dag, nadat hij van 9-5 in zijn kantoor boven reclame-man had gespeeld, voor tenminste drie uur de stad (Antwerpen) in ging. Niemand wist waar hij uithing. Ik neem aan dat ze wel een vermoeden hadden, maar dat werd niet uitgesproken. Moeders zette netjes, elke avond opnieuw, een bord eten voor Elsschot aan tafel neer, en elke avond weer kwam hij niet opdagen. Als hij thuiskwam at hij zijn bord in zijn eentje leeg (moeders had het op de kachel warmgehouden). Daarna las hij de krant. Dat waren nog eens tijden! Dat niet thuis eten vind ik fascinerend: als iemand twintig jaar lang niet aan tafel verschijnt voor het avondeten, heeft zo iemand dan wel bestaan? Een ding is zeker: als Elsschot wel braaf iedere avond aan tafel was verschenen, waren ons, diverse hoogtepunten uit de Nederlandse literatuur bespaard gebleven.

vrijdag 14 januari 2011

Gedachte-experiment

 
Iemand vond het nodig om een Nederlandse vlag onder mijn snelbinders te proppen. Ik ben nooit in het bezit geweest van een Nederlandse vlag, sterker, ik kan me niet herinneren ooit een Nederlandse vlag van zo dichtbij te hebben mogen aanschouwen, cq. te mogen bevoelen. De pyromaan in mij, nooit helemaal uitgedoofd, vroeg zich af wat zou er gebeuren als ik hem in brand stak. Bestaat er zoiets als een Wet tegen de Vlagverbranding? Mijn tweede gedachte was: ik heb te lang in Amerika gewoond. Derde: zou het niet aardig zijn om het in de achtertuin te doen, zo'n vlagverbranding, ritueel ook nog, en er een filmpje van te maken en dat filmpje op YT te plaatsen en een linkje door te sturen naar Premier Twitter? Misschien dat Premier Twitter er dan weer in een YT filmpje van zijn kant commentaar op kan leveren. Zie je wel, dat de media volmaakt overbodig zijn geworden (Premier Twitter ook trouwens)? De brave burger in mij, ook nog niet helemaal extinct, hoor ik al tegensputteren dat dit typisch zo'n gedachte-experiment is dat je niet moet uitvoeren, omdat de aardigheid er dan vanaf is. Eigenlijk moet je geen enkel gedachte-experiment uitvoeren; daarom is het een gedachte-experiment. Toch vraag ik me nog steeds af of vlagverbranding in NL strafbaar is. Vast niet. Waarschijnlijk verdien je er in dit zelfkastijdende land punten mee. Nog één vraag en dan hou ik op, zou een vlagverbranding van links komen, of toch van rechts? Ik ben bang van beide. Van links omdat het anti-nationalistisch, anti-monarchistisch en anti-Premier Twitter zou kunnen worden uitgelegd. Van rechts omdat het anti-Republiek, anti-overheid, anti-democratie zou kunnen worden geïnterpreteerd. Alhoewel dat laatste ook weer van anarchisme zou kunnen getuigen, en ik denk dat de meeste anarchisten nog steeds van links komen. Het toont maar weer aan, zoals Bas Heijne onlangs zo knap in de krant heeft beargumenteerd, dat het begrippenpaar links-rechts niet langer bruikbaar is. Misschien moeten we concluderen dat vlagverbranding niets meer is, maar zeker niets minder, dan vuilverbranding.

donderdag 13 januari 2011

Anatomie van een Echtelijke Ruzie


In den beginne was het Feit. Dit kan een klein feitje zijn, een feit, of een Groot Feit. De uitslag van de ruzie zal bij rationele mensen gelijke tred houden met de grootte van het feit. De dader heeft donders goed in de gaten dat er sprake is van een Strafbaar Feit, maar hij/zij dacht Ermee Weg te Komen, of het slachtoffer tot ander inzicht te kunnen masseren. Fase 2: het slachtoffer Wordt Zich Bewust van het feit. Dit geschiedt sluipenderwijs, schokkenderwijs of gewoon recht in het gezicht. Hevige Verontwaardiging is het gevolg. De lont is ontstoken. Het conflict is geboren. Verzachtende omstandigheden bestaan niet want Het Gaat Om Het Principe. Fase 3: met de lont van het slachtoffer, dat steeds meer op een dader gaat lijken, wordt de lont aangestoken van de dader, die eerst nog in zijn schulp zat uit Instant Schuldgevoel, maar allengs meer zin krijgt om het vuur Flink Hoog te laten opvlammen. Fase 4: Trots, Jaloezie & Macht doen hun intrede. Die hadden aanvankelijk niets te maken met het conflict, of althans niet op het eerste gezicht, maar steeds meer gevoelens worden in de strijd geworpen om Gelijk te krijgen, de ander tot Overgave te dwingen. Fase 5. Escalatie. Trillende bovenlippen, rode hoofden. Stemverheffing. Geduw, getrek. Priemende vingers. Alles wordt naar elkaars hoofd geslingerd. Degene met de dunste eeltlaag komt Verslagen & Ernstig Gekrenkt, die met de dikste als Winnaar uit de strijd, maar het is een Pyrrusoverwinning, want zij wordt onmiddellijk gevolgd door schuldgevoel Numero 2, maar het is nog Veels te Vroeg voor excuses. Fase 6. De partijen bijten zich, als soldaten in loopgraven, vast in hun positie. Het wachten is op de tijd, die wonden heelt, vuren dooft, en iedere escalatie de-escaleert. Fase 7. Dader en slachtoffer verzoenen zich in het wederzijdse besef dat ze allebei Vreselijk Over de Schreef zijn gegaan, dat Niemand Gelijk heeft, of Iedereen (wat hetzelfde is), en dat, als het een feitje betreft, het Sop de Kool niet Waard was. Allesvergevende & allesvergetende Liefde volgt, enzovoorts, enzoverder tot in eeuwigheid, amen. (Of niet, natuurlijk.)

woensdag 12 januari 2011

'Als u verschillende bloedgroepen hebt kunt u maar beter niet verwisseld worden als u of uw broer of zus met de ambulance wordt binnengereden.'

 
Wie wil, maar wie zegt dat ik dat wil, kan elke dag in een wachtkamer gaan zitten. Vandaag was het AMC aan de beurt. 'Hebt u een tweelingbroer of -zus?' was de vraag bij de infobalie. 'Niet dat ik weet,' antwoordde ik. De vraag is me nooit eerder gesteld. Mijn tweelingbroer of -zus – die sinds onze geboorte, of in elk geval vóór mijn bewuste herinnering, van me gescheiden is en nu wijnboert in Australië, kaasboert in Zwitserland of groenteboert in Groenlo. Dan: de dramatische hereniging, in gang gezet door een tranentrekkend teeveeprogramma. 'Als u verschillende bloedgroepen hebt kunt u maar beter niet verwisseld worden als u of uw broer of zus met de ambulance wordt binnengereden,' vervolgde de dame van de infobalie. Zou het al eens zijn gebeurd? Vast. Is er al een been afgezet bij de verkeerde broer? In de volgende wachtkamer, bij de polikliniek Plastische Chirurgie, werd ik verrast door een gastvrouw, die me koffie serveerde en vroeg of er verder nog iets naar wens was. Ik wilde graag weten hoe lang het allemaal ongeveer ging duren. 'U bent de volgende,' zei ze. Ik wilde opspringen van blijdschap maar wist me in te houden. Vervolgens mocht ik plaatsnemen in een volgende, iets kleinere wachtkamer. Hier geen gastvrouw, maar ik had mijn koffie nog. Een co-assistent nam me mee naar een kamertje, stelde me vragen die ik allemaal met nee moest beantwoorden, en verontschuldigde zich om de dienstdoende plastisch chirurg te gaan halen. Ik was alleen. Ik staarde naar anatomische platen. Bij de aanblik van het menselijk skelet gingen mijn gedachten uit naar Damien Hirst, die de schedel tot de duurste kunst ooit had gemaakt. Ik vroeg me af hoe wat Hirsts receptie was in de medische gemeenschap. De chirurg trad aan. Ongeschoren, sjofel gekleed, en, als ik zo vrij mag zijn, een tikkeltje obees. Hij stelde de co-assistent vragen die de co-assistent eerder aan mij had gesteld. Toen ik hem tenslotte de deformiteit liet zien, voor de verwijdering waarvan ik gekomen was, riep hij verrukt: 'Wat een mooie! Ja, dat is een hele mooie. Zo mooi!'

dinsdag 11 januari 2011

Wij, de wachtenden


Het leven suddert voort. Ik wacht in de wachtkamer van een medisch lab om mijn bloed te laten afnemen. Bij het vooruitzicht tijd te moeten doorbrengen in een wachtkamer maak ik me doorgaans om twee zaken zorgen: de beschikbaarheid van consumpties en/of lektuur. De stapel beduimelde roddelbladen kan mij niet hoog genoeg zijn, maar de consumpties uit machines in wachtkamers vertrouw ik niet, vandaar dat ik vandaag mijn Eigen Kop Thee heb meegebracht. Eigen Thee Eerst. Terwijl ik met mijn neus in de Ditjes & Datjes zit, af en toe nippend van mijn thee, gaat er gejank op uit de bloedkamer. Een kind. Ocherm, kijken wij, de wachten elkaar, toch wel ietwat nerveus aan. Niet veel later wordt de janker door moeders aan zijn armen naar buiten meegesleurd. Wie volgt? Niet ik, hoop ik, ik ben nog bezig aan een ingezonden brief van een man die champagnekurkhouders verzamelt. Misschien moet ik hem schrijven. Men moet iemand schrijven, en ik heb nog wel een paar van die dingen liggen. Leuk idee. Opnieuw gejank, maar nu in de wachtkamer zelf. Het blijkt afkomstig van een meisje bij wie al bloed is afgenomen. 'Ik ga flauwvallen.' 'Ik moet naar mijn werk.' 'Als ik niet op tijd op mijn werk kom word ik ontslagen.' Wij, de wachtenden, proberen haar te troosten. Dat lukt maar matig. Dan moet ik afscheid nemen van mijn Ditjes & Datjes. Mijn uur heeft geslagen. Ik zet me schrap. Kan ik niet onder narcose worden gebracht? Ik heb mijn arm nog niet ontbloot of er hangen 1, 2, 3 flesjes aan mijn ader, die zich 1, 2, 3 volzuigen. 'Dat viel eigenlijk alleszins mee,' stel ik tevreden vast. Vampirella knikt verveeld. 'En dan te bedenken dat uw hart het bloed zo weer heeft aangemaakt.' Verlaat voornemen voor 2011: bloed geven.

maandag 10 januari 2011

Kutwijf


Ik sta in de rij bij de HEMA met een plaspo. Het woord plaspo behoorde nog niet tot mijn vocabulaire, maar there you have it. 'Hoezo plaspo?' vroeg ik nog aan de verkoopster. 'Mag er niet in gepoept worden dan?' 'Jawel hoor.' 'Waarom heet hij dan plaspo? Waarom niet gewoon po? Dat zegt toch precies wat het is, een po om in te plassen en in te poepen? Noem hem anders plas & poeppo, voor de klaarheid, maar dat lijkt me eerlijk gezegd nogal tautologisch.' De verkoopster is allang verdwenen. Op zulke momenten voel ik mij een oude man. Goed. Ik sta dus in de rij, met voor mij een telefonerende dame met twee badhanddoeken, die me al eerder is opgevallen in een van de gangpaden, maar ik heb verder geen gedachten aan haar gewijd. De kans is groter dat zij gedachten aan mij en mijn plaspo heeft gewijd dan ik aan haar en haar badhanddoeken. Nu is ze aan de beurt. Maar in plaats van op de kassa af te stevenen, helt ze een beetje opzij naar bakboordzijde wat ik interpreteer als: 'Ga maar voor, ik handel eerst dit telefoongesprek af. En trouwens, zoveel haast heb ik nu ook weer niet.' Een geval van non verbale communicatie. Ik schuif langs haar naar de kassa en placeer niet zonder aplomp mijn plaspo op de toonbank. Als een slang gebeten draait ze zich naar mij om. 'Eh, stond u in de rij?' 'Ja, maar u bent aan het bellen, dus ik dacht...' 'Ah, er bestaan nog asociale mensen,' kapt ze me af. Ik voel de adrenaline naar mijn hoofd stijgen, maar blijf rustig, een van de voordelen van voortschrijdende ouderdom. 'Het is maar wat je asociaal noemt,' werp ik tegen. 'Ik zou zeggen: één ding tegelijk.' 'Eh, ik wil niet vervelend zijn, maar ik ben een vrouw. Een vrouw kan twee dingen tegelijk. Dat u een man bent, daar kan ik niks aan doen.' De kassière, ook niet meer zo jong, kijkt mij aan en zegt dat ze het helemaal met mij eens is. Pfew! Ik kan op mijn gemak mijn plaspo afrekenen. Even krijg ik zelfs de indruk dat de kassière demonstratief vriendelijker tegen me is, extra langzaam de po in het plastic zakje stopt, extra langzaam de bon bij de po doet, en extra langzaam mij mijn stuiver wisselgeld teruggeeft, als om de telefonerende dame met de badhanddoeken voor haar gedrag betaald te zetten. Ik bedank op mijn beurt de kassière uitvoerig voor de bewezen diensten, maar ook weer niet te uitvoerig, om de boel niet op de spits te drijven, en been richting uitgang. Ik voel hoe de dame achter mij, die haar telefoongesprek inmiddels heeft beëindigd, bij de kassa alsnog haar verhaal probeert te halen. Ik had kunnen blijven staan om me er mee te bemoeien, maar dat doe ik niet. De adrenaline is uit mijn hoofd getrokken. Ik heb mijn plaspo. De wereld is in evenwicht.

vrijdag 7 januari 2011

Verschijning


Ik sta nog maar net aan de toog van De Zwart om met collega-romanciers de toetreding van Bart Kraamer, oud-Hoofdredacteur Nederlandse Fictie bij Meulenhoff, tot het freelancedom te vieren, als mijn ronddwalende blik aan de verschijning van Wim T. Schippers blijft haken. De verschijning doemt op vanaf halverwege de lange zijde van de toog. Hij heeft in de gaten dat mijn blik aan zijn verschijning blijft haken en hij beantwoordt hem ook, denk ik, door kort mijn kant op te kijken. Hij kijkt me niet recht in de ogen, want waarom zou hij, hij kent me niet, maar hij is gevleid door de herkenning en laat dat op die manier weten. Hij moet gevleid zijn, interpretiere ich hinein, anders had hij me genegeerd. Hierdoor ben ik wellicht ook weer gevleid, maar daar wil ik vanaf zijn. Dit gebeurt allemaal in fractie van secondes. Ik verbaas me er over dat ik er niet in slaag Wim T. Schippers' verschijning te negeren. Telkens als ik mijn blik door het café laat gaan, ik kan mijn blik niet continu op mijn collega-romanciers richten, dat zou die collega-romanciers alleen maar nerveus maken, en trouwens, een manier om aan het woord te blijven is om de ander juist niet aan te kijken, blijft hij haken aan Wim T. Schippers' verschijning. Voor alle duidelijkheid: Wim T. Schippers' verschijning is geen Mariaverschijning, maar ik moet toegeven dat mijn aanbidding van Wim T. Schippers groter is dan, ik noem maar wat, mijn aanbidding van K. Schippers. Wim T. mag dan geen romancier zijn, hij is toch een Grote Geest, een Schepper, die eens in de zoveel tijd met een Hoogst Oorspronkelijk Werk de wereld op zijn grondvesten doet schudden. Goed. De avond is ten einde, voor een romancier als mijzelf is de avond tegenwoordig al vrij gauw ten einde, aangezien de dag over het algemeen, niet op mijn verzoek trouwens, vroeg aanvangt. Als ik mijn drank afreken, ik ben netjes opgevoed, tik ik Wim T. op de schouders, en zeg, joliger dan ik had gewild: 'Bedankt voor je bier.' Dit is een verwijzing naar de barman, die halverwege de avond, waarschijnlijk ook joliger dan hij had bedoeld, aankondigde dat 'Wim' een rondje zou geven (Wims antwoord: 'Dikke lul.') Wim T. biedt, dit moet voor het nageslacht worden bewaard, me alsnog bier aan. Dat had ik natuurlijk moeten weigeren. Niemand kan tippen aan zijn eigen verschijning.

donderdag 6 januari 2011

Troost


Feel good nieuws voor 2011: Ted Williams, de zwerver met de gouden radio stem, van de straat geplukt door een oplettende reporter, ze bestaan nog. Ik weet dat de naam 'Ted Williams' of de omschrijving 'Golden Radio Voice', degenen met klikkoorts meteen zal doen doorsurfen naar de laatste virale sensatie, maar ik wil nog even bij hem stilstaan, omdat hij uit Brooklyn komt. Inderdaad, hij werd gesignaleerd langs de weg in Columbus, Ohio, waar ik zelfs als dakloze nog niet dood gevonden zou willen worden, maar zijn hart ligt in Brooklyn. Bed Stuy om precies te zijn. Ik woonde niet in Bed Stuy, maar in Prospect Heights, toch wel erg dicht in de buurt, en toen hij zei 'Bergen Street, Atlantic, Flatbush Avenue, around that area', om te preciseren waar zijn wortels lagen, was ik weer even terug. Is het mogelijk om nostalgisch te zijn naar een achterbuurt? Wellicht. Wat voor mij een achterbuurt is, kan voor Ted Williams het walhalla voorstellen, (en omgekeerd), maar dat weet ik niet. Wat mij trof in dat interviewtje was dat het hem uiteindelijk alleen maar om een schouderklopje van zijn moeder te doen is. Daar draait het allemaal om. Niets meer, en niets minder. Een schouderklopje! Van zijn moeder van 92 in Brooklyn die op hem wacht, en die hij nu nog net kan laten zien dat hij niet langer in de goot ligt. Natuurlijk, vanuit de goot stralen de sterren het helderst, maar als je eruit bent verlang je er zelden naar terug. Moeders nog minder. Tenslotte dit: wat nou voice over voor de radio? Waarom mag Ted Williams niet zingen? Wie zegt dat hij geen familie is van Joe Williams?

woensdag 5 januari 2011

Dynamische arbeidsmarkt


Eerlijk gezegd maakte ik me al zorgen, omdat ik alsmaar niets van hem hoorde, zelfs niet op dringende smsjes, maar gisteren wist ik het zeker: mijn redacteur, de onvolprezen Bart Kraamer, is ontslagen als fictie redacteur bij mijn uitgeverij, het veelgeplaagde Meulenhoff. Hij heeft het me zelf verteld, dus het zal wel zo zijn. Maandag werd hij bij directeur Sander Knol geroepen, en kreeg hij te horen dat zijn functie was opgeheven. 'Hier zijn de papieren. Als je wilt, kun je een advocaat inschakelen. Mag ik je nu verzoeken je jas te halen en het pand te verlaten?' Amerikaanse toestanden, inderdaad. Wat de aard van die toestanden ook mogen zijn, ze zijn in elk geval duidelijk. Overigens had het opheffen van zijn functie niets te maken met zijn functioneren, integendeel, daar was men juist zeer over te spreken, maar wat heb je aan zo'n compliment? Dat is als een felicitatie op een begrafenis. Het is nooit aangenaam om te horen dat je weg moet, om welke reden ook. Iedereen wil altijd het liefste blijven, of desnoods zelf besluiten op te stappen. Bart is trouwens niet de eerste die Meulenhoff verlaat. Vorig jaar werd mijn hoofdredacteur ontslagen, en zijn twee voorgangers stapte één voor één op. Zoiets wordt ook wel een dynamische arbeidsmarkt genoemd, maar rustgevend is het niet. Nu gaan stemmen op om Barts ontslag aan te vechten, en daar sta ik geheel en al achter, want ik houd ervan zaken aan te vechten, maar een heel klein stemmetje in mij zegt dat niet alleen Bart maar ook ikzelf misschien toch moet gaan nadenken over de toekomst. Het is altijd goed om na te denken over de toekomst, zeker als beginnend schrijver, want daar moet een beginnend schrijver het van hebben, van de toekomst, ook en vooral als je redacteur op straat staat. Het voelt toch een beetje alsof je arm wordt uitgerukt. Niet je schrijfarm misschien, maar toch.

dinsdag 4 januari 2011

Stille aanbidder

“No, don’t make me take a vacation! Without you I’ll wither and die!” – Waylon Smithers
“That’s a risk I’m willing to take.” – C. Montgomery Burns
 
Ik lees in deel 2 van Nop Maas' Reve-biografie dat de oude heer Philips, patroon van mijn geboortestad Eindhoven, en grootvader van mijn schoolvriendje Tony, een stille, of toch niet zo stille, aanbidder had in de gedaante van Henk van Essen, eerst directiesecretaris, en daarna 'hoofd van de sociale afdeling' van Philips. Deze Van Essen aanbad Frits niet alleen, hij schijnt ook eenmaal het bed met hem te hebben gedeeld. Aan Reve schreef hij, in de jaren zestig: 'En dan, maar fijne schat dat blijft helemaal onder ons en je moet het briefje direct vernietigen: hij (Philips dus, VF) heeft het heerlijkste gebronsde gladde naakt waar ik ooit naast in bed heb gelegen en onder de douche heb gestaan en dat is iets dat je nooit kunt vergeten al word je honderd jaar'. Dit alles was nieuw voor mij, en ik vermoed ook wel voor de Philipsjes (de biografie is al een tijdje uit dus ze zullen er inmiddels wel aan gewend zijn, maar toch). Mijn eerste associatie was Montgomery Burns en zijn rechterhand Waylon Smithers uit The Simpsons. Kennelijk betreft het hier een universeel archetype. Meester en slaaf. Zou het werkelijk zo zijn dat C.E.O.'s niet zonder privé-homo kunnen? Dit werpt een interessant licht op de C.E.O.'s die in de krant staan. Fascinerend aan het citaat is nog dat Van Essen zelf de honderd niet heeft gehaald, maar het object van zijn allesverzengende liefde wel. En als het zich allemaal heeft afgespeeld zoals hij schrijft, dan zal de oude Philips het zich op zijn sterfbed nog wel hebben kunnen herinneren. Interessant voor iemand die morele herbewapening aanhing en dus homoseksualiteit expliciet afkeurde. Maar in de taboesfeer zijn dit soort paradoxen natuurlijk schering en inslag. 'Allemaal projeksie,' om met Reve te spreken.

maandag 3 januari 2011

Verontschuldiging


Als het echt gezellig dreigt te worden tijdens de met restanten champagne overgoten nieuwjaarslunch hoor ik teerbeminde zich verontschuldigen voor mijn gedrag tegenover mijn ouders. Het jaar begint goed, denk ik. De laatste keer dat ik mij heb verontschuldigd aan mijn ouders voor mijn gedrag, ligt alweer een tijdje achter ons, gelukkig maar, er gemakshalve even van uitgaand dat ik daartoe dus ook minder aanleiding heb gegeven. Sowieso kan ik me niet herinneren mij ooit te hebben verontschuldigd aan mijn schoonouders voor het gedrag van hun dochter bij welke gelegenheid dan ook. Dit kan twee dingen betekenen: a) ik vertoon vaker dan teerbeminde beschamend gedrag (check); b) teerbeminde heeft een lagere schaamdrempel, ook en vooral waar het plaatsvervangende schaamte betreft (check). Dat teerbeminde een lagere plaatsvervangende schaamdrempel heeft is mij reeds eerder opgevallen. Ik voel ook wel eens plaatsvervangende schaamte, maar meestal voor derden in publieke gelegenheden. De laatste keer dat ik mij plaatsvervangend schaamde was op 30 december 2010, toen een man, die bij de ingang van de Albert Heijn had postgevat, om de paar minuten riep: 'Dit is het einde van het crisisjaar/ o, o, o wat heb ik het zwaar'. Ik schaamde mij in zijn plaats voor deze ongevraagde poëzievoordracht, en wilde dat hij ophield. Poëzie is al een moeilijk genre, dan moet je die niet ook nog ongevraagd en op luide toon voordragen, laat staan in een supermarkt. Als je iets wilt voordragen, kies dan voor muziek, desnoods op een mondorgel. 'Als het crisisjaar ten einde is, waarom hebt u het dan zo zwaar?' kon ik niet nalaten de luidruchtige poëet te vragen bij het verlaten van de winkel. 'Ik moet nog twee daagjes,' zei hij, verrassend opgewekt. 'De laatste loodjes, zeg maar.' Nu heb ik met terugwerkende kracht meer begrip voor hem.