
Schoonvadertje damt beter dan hij schaakt. Ik schaak beter dan ik dam. Ik stelde voor te schaken. Hij stelde voor te dammen. Het was nog steeds kerst. We besloten te dammen. Het damspel ziet er eentoniger uit dan het schaakspel. Omdat ik niet kan dammen, is mijn strategie altijd dezelfde: langzaam oprukken en aansluiten. Schoonvadertje hanteert de V-strategie: met de punt van de V tracht hij mijn defensie te doorboren. Verrassend genoeg lukte dit het eerste potje niet, en werd het uiteindelijk, door puur geluk, door mij gewonnen, bijvoorbeeld omdat ik als eerste een dam haalde. Het tweede en derde potje gingen naar hem. Het vierde weer naar mij. Het vijfde naar hem, het zesde, enzovoorts, enzoverder. Er zat geen patroon in. Dammen schijnt complexer te zijn dan schaken. Meer mogelijke zetten, waardoor de voorwaartse beslisboom sneller, en wijdser uitdijt. Ik zeg maar wat. Een mooi spel dus, dat dammen, maar waarom zijn schrijvers, en niet alleen Tim Krabbé, zoveel meer geobsedeerd door schaken en dan door dammen? Zijn ze er misschien, ik durf het bijna niet te zeggen, te dom voor?
'Het is me wat', Wim T. Schippers (1999), links bij de ingang van Boymans van Beuningen.

Correctie: niet dat ik denk dat er, behalve ikzelf, heel veel mensen van wakker zullen liggen, maar een blik in Wikipedia leert dat dammen niet complexer is dan schaken, zelfs niet als het men het op een bord van 10 x 10 speelt ipv 8x8 (zoals in Angelsaksische landen). Voor checkers (8 x 8 dus), schijnt zelfs al een 'perfecte oplossing' te bestaan, dwz. als zwart en wit de 'beste' strategie volgen wordt het altijd remise.
BeantwoordenVerwijderen